Stil

Het is stil in huis. Dat is een bijzonderheid bij ons. Het is vrijdagmiddag half drie en het is, op de tikkende klok na en het zachte zoemen van mijn computer, stil. Kinderen zijn naar een verjaardagsfeest en manlief maakt zich mooi bij de kapper. Alle tijd voor mij alleen. Nu kan ik eens heerlijk lezen of eindeloos schrijven. Ik kan in mijn eentje gaan winkelen of in bad gaan. Oh ja, dat heb ik al maanden, misschien wel jaren niet meer gedaan. Heerlijk alleen in bad met een mix van verschillende geurtjes en bubbeltjes en een muziekje op. Beetje wegdromen of een tijdschrift lezen. De tijd nemen om alles grondig te schrobben in plaats van een vluchtige douche.

Ik kan alles doen waar ik zin in heb. In mijn bed liggen om een tukkie te doen of een masker nemen zodat mijn huid weer een beetje zin in het leven krijgt. Ik kan thee drinken of uit gaan om thee te gaan drinken in een gezellig klein thee huisje met een scone of beter nog, een stuk worteltjestaart.
Maar in plaats van al die dingen te gaan doen en gebruik te maken van alle mogelijkheden die ik met mijn verworven tijdelijke vrije tijd heb, zit ik een beetje alleen te kniezen. Hard te fluiten, muziek op, want het is zo stil in huis. Ik mis de geluiden van de  kinderen, het gemammmm en gezeur. Maar ook het gelach en geklets. Ik mis de flauwe grapjes van manlief. Het is gewoon te stil.  Zo stil dat ik bijna huishoudelijke klusjes op wil pakken. Bijna. Ik kan me inhouden, want ja, zeg nou zelf, dan heb je eens tijd voor jezelf dan ga je toch niet stofzuigen?

En straks komt iedereen weer thuis met alle verhalen en ervaringen. Is er weer overal geluid en dan ben ik weg. Ik heb mezelf een mini retraite cadeau gegeven. Ik ga op zoek naar een stukje rust. Die ik dus overduidelijk nu al thuis heb. Nee, dat is een ander soort rust. Ik zoek naar een stuk rust in mezelf en waardering voor alles wat er in mijn leven is. Ik wil voelen en ervaren. Ik ga me bezig houden met yoga, stilte en goed voor mijn lijf zorgen. Ben nieuwsgierig naar dit weekend, naar deze reis alleen. De hele dag zit Joni Mitchell in mijn hoofd. Ze blijft een zinnetje in mijn hoofd herhalen: “You ain’t know what you’ve got till it’s gone.” Na deze reis ga ik toegeven dat ze gelijk heeft.

Boos

Vandaag was ik op mijn werk kortstondig, maar hevig boos. Ik zal de details besparen en ga al helemaal niet op dit open wereldwijde netwerk verkondigen over wie het ging, maar ik was echt boos. Zo boos dat ik iets kapot wilde maken, maar ja. Ik zat dus op mijn werk en ik zag eigenlijk niets geschikts om te vermorzelen, dus wendde ik mij tot mijn collega. Van te voren vroeg ik netjes of ze zin had in een razernij. Ze legde haar pen neer, wendde haar blik af van de computer en, zoals een goed collega betaamt, liet me mijn gang gaan met de nodige hummetjes en jaatjes ter stimulering om alles er uit te gooien.

Dat luchtte enorm op. De persoon op wie ik boos was had me geraakt en na het razen en de nodige frisse lucht zag ik in hoe dat kwam. Mijn ego was aangevallen. Ik was in het bijzijn van twee andere collega’s belachelijk gemaakt. Ik werd denigrerend behandeld en daar kan mijn ego niet tegen. Dat ego dat bij deze werkgever zo hard heeft moeten vechten voor haar positie. Datzelfde ego dat bevestiging nodig heeft en het niet kan hebben dat ze gekleineerd of gepest wordt. Wat er verder gebeurde was dat ik ook inzag dat die collega hetzelfde probleem had. Zijn ego was op een of andere manier door mij gekrenkt. Ik had  in het bijzijn van anderen bloot gelegd dat hij niet goed heeft gehandeld in een situatie. Dat hij misschien helemaal niet goed in de materie zat als hij dacht dat hij zat. Dat hij misschien wel grote fouten heeft gemaakt. Daar kon uiteraard zijn ego helemaal niet tegen. Uit angst, boosheid of frustratie -geef het maar een naam-  reageerde hij.

Dus een geschil tussen twee ego’s met daarbij gepaard gaande emoties. Lastig. Ik hoef alleen mijn eigen aandeel eerlijk te bekijken en zie dan dat ik nog werk heb om dat ego tot stilte te manen of te mennen als een wilde merrie. Met een beetje ego is niets mis, maar zij moet haar plaats kennen. Het mag niet belemmerend gaan werken. Anders komen we nooit toe aan de revolutie. De revolutie van liefde, ook voor die collega die ook een mens is met angsten, overtuigingen, emoties en wat dies meer zij. Ik heb nog een weg te gaan, maar ik boek steeds een stukje vooruitgang in bewustwording. Wie weet raak ik aan het einde van de weg nog verlicht.

Revolutie

Ik voel het al een tijdje, er komt een verandering. Beter gezegd, de verandering is al in gang gezet. Het is aan het broeien en aan het groeien. Welke verandering? Met één woord: alles. Het is ook tijd om alles op de schop te gooien. Dan doel ik voornamelijk op de wijze waarop wij mensen problemen aanpakken en onze levens inrichten. We leven  samen op deze aardkloot, die we ook samen kapot maken. We kappen te veel bomen, we vervuilen onszelf, gebruiken te veel ruimte, kopen te veel plastic zooi die we daarna in de oceaan dumpen zodat we nu met een plastic soep zitten die niemand wil vreten, we gebruiken geweld tegen elkaar omdat we onze eigen waarden boven die van een ander stellen, we moorden er lustig op los in naam van een of andere religie, we verspreiden ziekten die we vervolgens bestrijden met veel te dure medicatie die alleen maar beschikbaar is voor een groot, voornamelijk wit gedeelte van de wereldbevolking, we over consumeren aan de ene kant van de wereld terwijl men aan de andere kant sterft van de honger. We zitten massaal aan de antidepressiva en lopen van de ene naar de andere praatgroep. Er gaan meer mensen dood door zelfmoord dan door de huis-tuin-en keuken-moord (inclusief oorlogen). We scheiden massaal of gaan vreemd. Leven in een schijnwereld die Facebook heet, braken onze mening op Twitter en maken mensen met een andere mening verbaal af. Stress is volksziekte nummer 1. Politici weten niet meer wat het woord “dienstbaar” betekent en banken begrijpen de inhoud van het woord “klantvriendelijkheid” niet meer. We graaien, meer en meer. Het kapitalisme draait overuren. Meer omzet moet gedraaid worden, meer olie geboord worden, meer wapens gemaakt worden, meer en meer. We kijken elkaar niet meer aan, kleur is beangstigend, religie is gevaarlijk. We vertrouwen elkaar niet.

Wauw, waar zijn we mee bezig? Het is tijd voor een revolutie. Een revolutie van de mens om de volgende stap te zetten in onze evolutie. Waartoe zijn wij op aarde? Niet om stress te hebben, niet om elkaar kapot te maken, niet om steeds meer en meer geld te verdienen, niet om het milieu te vernietigen, niet om de dieren te laten lijden. Volgens mij heeft alles een betekenis. Alles in deze wereld heeft een betekenis, een functie. Een koe geeft melk, een kip legt een ei, de zon verwarmt, de maan zorgt voor het getij. Zo hebben we allemaal een betekenis en zijn we allemaal aan elkaar verbonden. Wat is de functie van de mens? In ieder geval niet om alles wat in een natuurlijk balans leeft, kapot te maken.

De mens heeft een geweten en een ego. Dat ego is geëvolueerd tot een naar kreng die alleen maar aan het eigen belang denkt, terwijl mensen met elkaar een gemeenschap vormen. Met elkaar ervoor zorgen dat we allemaal ons leven kunnen leiden dat goed is. Ik voel dat steeds meer mensen inzien dat we oude gedachten, patronen, regels, denkwijzen, conventies overboord moeten gooien. Dat het nu tijd is voor verdieping en verbinding. Door elkaar en onszelf met mededogen te behandelen. Door onze gezamenlijke waarden (liefde, veiligheid, gezondheid) na te streven voor iedereen waar ook ter wereld. Ik ben er klaar voor. Klaar voor de revolutie. Hoe? Door te beginnen met lief te hebben en mijn ego een halt toe te roepen. Ik hoop dat mijn kinderen daar de vruchten van gaan plukken. Wie doet er mee?

Verrassingen

Het lijkt wel de week van de verrassingen te zijn. Donderdag kwam ik thuis uit mijn werk, zoals normaal een beetje hyper en onrustig. De kinderen riepen van een afstand ‘doe je jas uit, ga zitten en doe je ogen dicht.’ Het was een normale donderdag. Er stond weinig bijzonders op de planning, dus ik vroeg me af wat er aan de hand was. Gedwee deed ik wat me werd opgedragen. Jas-loos en schoenen-loos zat ik aan de keukentafel met mijn ogen dicht. De oudste riep dat ik mijn handen open moest houden. Ik voelde dat ze een klein (5x5cm) vierkant doosje in mijn handen stopte. Ik mocht mijn ogen open doen en zag gelijk dat het een doosje van de lokale juwelenboer was. Wauw dit is gaaf, dacht ik. Ik had totaal geen idee wat me te wachten stond. De kinderen riepen in koor “Happy Valentijn”.  Manlief stond met een grote grijns op zijn gezicht achter ze. Huh, Valentijnsdag is pas over drie dagen en mijn lief doet daar niet aan. Te commercieel, te nep, te voor de hand liggen en te uitgebuit.

Ik maakte het doosje open en daar lag in een fluwelenbedje een schitterend blinkende zilveren slavenarmband. Zo mooi van eenvoud, zo vervuld met geschiedenis en betekenis. Mijn moeder heeft er ook een. Zij heeft hem van haar moeder gekregen. Prachtig, want zo veel moois deelden moeder en dochter niet met elkaar. Manlief had de armband voor me gekocht zonder Valentijns-bijbedoelingen. Stug bleef hij volhouden dat hij daar niet aan doet. Op een willekeurige donderdag kun je ook iemand verrassen en zeggen dat je van haar houdt, is zijn gedachte. Daar heeft hij gelijk in.

Vervolgens lag er gisteren een envelop op mijn bureau op het werk met mijn naam en “persoonlijk” er op. Wat zou dat nou weer zijn? Het bleek een kaart te zijn van een dierbare collega die mij aanmoedigt om door te gaan met deze blog. Echt een hartverwarmende tekst stond in de binnenkant van de kaart. De buitenkant was hilarisch. Zo als wij samen zijn, huilen en lachen, ouwehoeren en grollen. Wat is het toch fijn om je te omringen met zulke mensen.

Vandaag, thuis uit het werk, kwam verrassing nummer drie. Een collega stuurde me een Whatsapp bericht met de mededeling dat er bloemen voor me waren bezorgd. Nou ja zeg, bloemen voor mij? Ik weet dat ik hard werk en altijd voor iedereen klaar sta om ze te helpen zo goed als ik kan, maar bloemen krijgen? Die eer heb ik bij mijn huidige werkgever nog nooit gehad. Het boeket werd vanavond afgeleverd door een collega die in de buurt woont. Er zat een kaartje in de geurige bos met daarop de simpele woorden “bedankt voor je heldere uitleg.” Bloemen van collega’s van een andere gemeente waar ik een cursus heb gegeven.

Ik neem de bloemen, de kaart en de armband graag aan. De speciale aandacht die daaraan is besteed waardeer ik. Het uitzoeken van de perfecte armband, het kiezen van de juiste kaart met de daarbij passende woorden en het selecteren van het perfecte boeket. Dat vind ik zo bijzonder en het ontroert me. Alsof ik nu opeens besef dat ik er mag zijn. Wat een cadeau aan mezelf. Dat smaakt naar meer.

 

Lief

Ik heb een heel lieve lief. Hij is geen stoere macho man. Hij is geen dictator die met een zwaard de regels van het huis in de muur kerft. Hij heeft geen drankprobleem, is niet gok verslaafd of anderszins -behoudens chocolade misschien- gebonden aan een geldverslindende hobby c.q. verslaving. Hij houdt zijn handen thuis, tenzij gevraagd wordt deze te gebruiken. Die handen weet hij dan ook nog eens goed in te zetten zonder zijn eigen belang voorop te stellen. Hij weet niets van auto’s of motoren en ontbeert het talent daar uren over te zeveren. Ik hoef niet een paar  meter achter hem te lopen en hij waardeert mijn mening. Hij is eigenlijk een beetje een watje. Heeft nog nooit ruzie in een café gehad, laat staan een potje gemat. Dus, ik heb geen enkele reden om te klagen.

Natuurlijk wel. Hij lijkt perfect, vooral voor het oog van de buitenwereld, ah die man kookt altijd, speelt zo leuk met de kinderen, geeft die vrouw zo veel ruimte ahhhh, maar dan roep ik altijd “het is niet altijd zoals het lijkt.” Hij is op momenten rete irritant. Ik soms zo maar even wat voorbeelden op: hij snurkt of snuift alsof zijn leven er van afhangt, hij is van mening dat er altijd een morgen is voor een klus, hij zingt zo slecht dat de hele buurt migraine krijt, kan absoluut niet dansen, laat staan de maat houden van een liedje (vriendin C zei ooit eens ‘zo waar gaan we naar toe’, naar aanleiding van de mars die mijn lief liep op een zwoel Afrikaans nummer) en laat altijd een kastje op een kier openstaan (om woest van te worden). Verder laat hij mensen schrikken op de meest verschrikkelijke-maar-achteraf-kunnen-we-er-om-lachen-manier. Hij belde mij eens een keer op mijn werk, stem verdraaid en deed zich voor als de man waar mijn lief een sollicitatiegesprek mee had gehad. Die man vertelde dat het gesprek helemaal uit de hand was gelopen en dat mijn lief daar had getierd en kwaad weg was gelopen. De man zei dat hij nooit meer terug hoefde te komen en dat ze van dit gedrag melding zouden doen. Ik schrok me kapot. Hoe kan dit nu? Mijn lief is de rust zelve. Hij heeft nog nooit een conflict op het werk gehad. Hij wordt juist bestempeld als “die hele relaxte en sociale kerel.” Ik wist niet wat ik moest zeggen en stotterde een beetje. Een paar woorden kwamen uit mijn mond en toen. Toen begon de man aan de andere kant van de hoorn heel hard te lachen. ‘Ha, daar had ik je.’ Ik was zo boos dat ik de hoorn er op heb gegooid en zeker drie uur lang niet tegen hem heb gesproken.  Langer houd ik niet vol.

Nu is er recent een nieuwe ergernis bij gekomen. Mijn lief heeft een mobiel en in een vlaag van verstandverbijstering heeft hij ontdekt dat hij de tv kan bedienen met dat klote ding. Ik lig nietsvermoedend op de bank wat te zappen, stop bij een woonprogramma en plots schiet de tv op een andere zender. Kan gebeuren denk ik dan. Zit zeker met een van mijn riante billen op de afstandsbediening. Dus zap terug. Schiet de tv weer op een andere zender en gaat een tandje harder. Ik vloek uitbundig en hartgronding. Op het moment dat ik die afstandsbediening door het raam wil kletteren, zie ik in mijn ooghoek mijn lief bijna in zijn broek piesen van het lachen. Geinig hoor. Ik ben dus gezegend met een lief die kookt, voor de kinderen zorgt, mij ruimte geeft, fijne handen heeft en een heel slecht gevoel voor humor heeft. Ach, je kan het slechter treffen.

Eerbetoon

Voor haar tachtigste verjaardag kreeg mijn oma een internet abonnement cadeau en een kalender. De laatste vormde een grote motivatie voor haar om in leven te blijven. ‘Het is anders toch zonde van de kalender als ik het jaar niet uitmaak’, grapte ze dan. Het internet bood haar de mogelijkheid om plaatsen uit haar herinneringen nog eens te bezoeken. Op haar gemak surfte ze naar Battersea Londen, waar ze was geboren en een groot gedeelte van haar jeugd had doorgebracht en op andere momenten vloog ze naar Durban in Zuid-Afrika, waar de dochter van haar laatste man woonde.

Dat internet gaf haar de mogelijkheid om via email contact met haar kinderen en kleinkinderen te onderhouden. De e-mails die ze stuurden waren qua inhoud niet bijster interessant, maar waren des te meer ontroerend. Ze schreef bijvoorbeeld over haar dag. Dat ze met haar zus naar Blijdorp was geweest en bij de olifanten een boterham had gegeten of starend naar de leeuwen een kop koffie had gedronken. Of dat de kapper was geweest en wat voor een fijne vrouw dat wel niet was en dat die het echt niet makkelijk had, maar o zo fijn haar haren in model kon krijgen. De berichten vond ik ontroerend omdat ik zag dat oma aan het worstelen was met haar toetsenbord. Zelden zat een hoofdletter op de juiste plaats, een punt werd al helemaal niet gezet achter haar berichten en de CapsLk-toets stond negen van de tien keer aan. Als een kind dat net leert schrijven was mijn oma achter haar pc. Stoer vond ik haar. Ze bleef in contact met de moderne wereld en was altijd leergierig. Ik maakte dan een lijstje met tekens die ze kon gebruiken of mijn zus probeerde weer de computer aan de praat te krijgen en oma het een en ander uit te leggen. Die aandacht vond ze fijn. Er bij horen vond ze belangrijk en wij ook.

In de nachtelijke uren zat ze achter haar computer en schreef. Ze sliep slecht en om de tijd te doden zat ze te roken en te mijmeren. Die mijmeringen vertrouwde ze toe aan het papier. Ze schreef haar memoires. Op een dag vertelde ze me dat ze haar levensverhaal op papier had gezet. Ze vroeg of ik het wilde lezen. Als enige van de familie (haar kinderen weten niet eens dat dit verhaal op papier bestaat). Ik las het en leerde mijn oma pas echt kennen. Zo veel woorden waren er nooit uitgesproken. Zo veel gevoelens waren er nooit gedeeld. Het raakte me. We hebben daarna veel gesprekken gevoerd over haar leven en ik heb haar beloofd dat ik haar verhaal zou vertellen. Ik heb beloofd een boek over haar leven te schrijven. Na haar dood bleef het stil. Ik was verlamd door verdriet en later door angst. Ik kon haar niets meer vragen. Ik durfde de letters niet op te schrijven.

Ik vind elke dag meer moed om door te zetten. Lieve oma, het eerbetoon komt er aan. De eerste zinnen van het boek heb ik al. Die luiden:
We sterven allemaal. Dat weet iedereen. Je komt schreeuwend tot leven, longen gevuld met alle verwachtingen die nog waar gemaakt moeten worden. Je lijf in een kramp, maar toch zo flexibel dat je met je tenen in je neus kan peuren. Een verkreukeld hoofd met plooien die je doen lijken op een Engelse buldog, neus ingedeukt en dichte ogen. Met haren die kleverig van het bloed op je hoofd plakken. Daar lig je dan in een ruimte vol mensen. Mensen die gelijk van alles van je vinden. De eerste testen die je moet doorstaan. De eerste scores op je levensrapport die ingevuld worden……….

Boeken

Boeken, boeken, boeken

Tijdens mijn werk verricht ik, in tegenstelling tot wat mijn dochter denkt, namelijk het drinken van heel veel kopjes thee achter een computer, veel denkwerk. Dat denken gaat vaak gepaard met rusteloze momenten en het werk stopt niet als ik thuis ben. Mijn gereedschap is de inhoud van mijn schedel en die kan ik niet, zoals een timmerman, ergens achter laten. Het denkwerk is niet eenvoudig achter te laten of af te sluiten.
Om die rusteloze gedachten af te leiden of om gewoonweg rust te pakken lees ik. Sommige vrienden vinden dat eigenaardig. Ik hoor ze vaak zeggen dat door het lezen toch nog meer gedachten en informatie binnen komt. Hoe kun je nu lezen en ontspannen?
Lezen is mijn levensbehoefte. Ik lees altijd en alles. Van boeken tot tijdschriften tot de achterkant van een pak hagelslag. En, ik lees overal. Ik ben een leesjunkie. Ik lees de achterkant van een batterij verpakking voor mijn plezier. Het gaat ver.
Ik lees uiteraard het liefst boeken. Hoe fantastisch zou het zijn als je van gewoonweg lezen je beroep kunt maken. Dus niet per se commentaar leveren op het gelezene, gewoon lezen. Op de bank of, beter nog, in mijn leesstoel wegdromen in een verhaal. Roman, literatuur, triller, non fictie. Het maakt niet uit. In een boek weggezogen worden, je identificeren met de personages en de realiteit uit het oog verliezen. Zoals ik vaak zeg, een boek lezen is telkens op reis gaan. Pure ontspanning.
Mijn zus is ook een leesjunkie. Samen kopen we veel boeken, praten we over boeken en gaan zelfs uren in een trein zitten om een speciale boekenwinkel te bezoeken om daarna afgeladen en zielsgelukkig weer naar huis te gaan.

Nu klinkt dit allemaal onschuldig, maar. Er is een grote MAAR. Zus en ik zijn doorgeslagen. We hebben leeswetten. Onze omgeving vindt die leeswetten bizar en verklaren ons regelmatig voor gek. Dit is de omgeving die de waarde van boeken niet weet in te schatten. Maar goed, ik wil u deelgenoot maken van deze wetten. Hier komen ze:
1. In de nabijheid van een boek wordt niet gegeten of gedronken;
2. Een boek wordt nooit helemaal opengevouwen;
3. Een boek wordt niet misbruikt, dus geen ezelsoren, niet dienst doen als onderzetter en er wordt nooit geschreven in een boek;
4. Elk boek heeft zijn eigen boekenlegger.

Als deze wetten nauwkeurig worden opgevolgd dan blijven de boeken in een perfecte staat. En dat heeft een enorm voordeel. Omdat mijn huis te klein is geworden voor al mijn boeken of anders gezegd mijn boekencollectie te groot is geworden voor mijn huis, breng ik regelmatig boeken naar de Wereldwinkel. Daar krijgen ze een mooi plaatsje in de boekenkast en wordt er met potlood, door de boekenliefhebbende-vrijwilliger, een prijs ingeschreven. De echte boekenliefhebber kan voor een prikkie een fantastisch mooie editie aanschaffen.
En zo kon ik laatst een schat aan boeken scoren voor zeven euro. Daar zaten parels tussen van Arnon Grunberg en Connie Palmen. De boeken waren in perfecte conditie. Hulde aan de vorige eigenaar. Ik ga deze boeken lezen en koesteren. Heerlijke vakanties meemaken. Zodra ze uit zijn gaan ze terug naar de Wereldwinkel voor een andere boekenjunk.

 

Eerlijkheid

Ik heb een probleem. Geen wereldschokkend probleem.  Soms stijgt het schaamrood op mijn kaken als ik denk aan al die mensen die op de vlucht zijn vanwege geweld, aan al die kinderen die geen dak boven hun hoofd hebben en niet weten of ze vanavond een bordje warm eten hebben en aan al die mensen die niet weten of ze morgen nog in leven zijn. En ik? Ik zeur over mijn probleem. In verhouding met dit leed, dat ondraaglijk is en niet te bevatten, stelt mijn probleem helemaal niets voor. Echt niets, maar toch is het iets wat me bezighoud.

Ik vraag me namelijk af wat er zou gebeuren als we allemaal eerlijk zouden zijn tegen elkaar. Deze vraag geeft impliciet aan dat ik van mening ben dat we niet eerlijk zijn. Ik zou het wel willen uitroepen. ‘Natuurlijk zijn we niet eerlijk, stel je eens voor.’ Nee, echt. Probeer je het eens voor te stellen dat je eerlijk bent tegen een vriendin die in de wolken is met een nieuwe jurk en jij haar gaat vertellen dat geel gewoon alleen maar mooi staat bij onze bruine medemens. Maar dan recht voor zijn raap: ‘die jurk staat je niet.’ Of dat je tegen je schoonmoeder zegt, nadat ze uren in de keuken een stoofpot in elkaar heeft weten te knutselen, dat dit echt niet te vreten is. Dat de varkens zouden opstaan uit de modderpoel en met hun OV chip de bus pakken om naar de eerste de beste snackbar te rennen om een broodje kroket te halen. Of dat je, en dit is mijn favoriete, tijdens een overleg op je werk opstaat, op de tafel springt en zegt tegen je collega’s dat het incompetente zwakzinnige medeburgers zijn die gewoonweg het stemrecht niet verdienen, laat staan een salarisstrook.

Tja, de verleiding is af en toe groot. Vandaag wilde ik tegen iemand die midden op de stoep zijn auto had geparkeerd waardoor wij, maar zeker ook de minder validen onder ons, via een drukke straat verder moesten lopen, zeggen dat hij eens zijn verstand moest gebruiken en meer gevoel voor zijn medemens moest opbrengen. Egoïst. Ook was er een man die vandaag breed uit op straat liep en fietsers, waaronder mijn vijfjarige die de fietskunst nog moet perfectioneren, geen ruimte gaf en dan ons kwaad aankijkt als we daar iets  van zeggen. Op zo een moment wil ik afstappen en van alles zeggen. Maar ik doe het niet. Gelukkig niet.

We leven met elkaar en daar hoort dus ook een bepaalde mate van tolerantie bij. Die tolerantie houdt in dat je tot een bepaalde hoogte infantiel en belachelijk gedrag van anderen accepteert. Ik weet dat mijn waarden en normen niet die van een ander hoeven te zijn. Principes zijn ook zo iets. Het betreft alleen maar een eenzijdige waarheid. Soms gedragen door een groep, maar betreffen niet de waarheid. Die bestaat namelijk niet. De waarheid is niets en niets is de waarheid. Gelukkig kunnen we in onze hoofden zo intolerant en dictatoriaal zijn als we willen en houd ik het dus vaak bij gedachten. Heel soms spatten die gedachten van mijn gezicht, want helaas ben ik een open boek en daardoor misschien toch eerlijker dan ik dacht te zijn.

Respect

Vandaag is mijn inspiratie niveau ergens onder het vriespunt beland. Toch schrijf ik deze blog, omdat ik niet wil opgeven. Het is me al te vaak gebeurd dat, ik ergens aan begon en zodra de nieuwigheid er af was en ik verveelt raakte, ik stopte. Ik ben van nature een doorzetter. Was ik dat niet dan had ik nooit een titel voor mijn naam mogen zetten en had ik nooit twee gezonde kinderen gehad en woonde ik nooit in dit huis en waren mijn lief en ik dit jaar niet 20 jaar samen.

Ook op mijn werk houd ik vol, vaak langer dan de meeste anderen. Die zijn dan al afgehaakt of met hun gedachten elders geraakt. Ik kan niet rusten totdat ik voor het opgeworpen probleem een passende oplossing heb gevonden of dat ik een vraagstuk tot tevredenheid heb geanalyseerd en een advies heb gegeven. Daarin ben ik perfectionistisch en eis van mezelf de beste kwaliteit die ik kan leveren. Die houding leg ik ook op aan anderen. Ik vind dat je op je werk -en in het leven- het beste uit jezelf moet halen, dat je collegiaal moet zijn en het geld dat je krijgt waar moet maken. Na tig jaartjes ervaring weet ik dat niet iedereen daar hetzelfde over denkt en ook niet altijd even gelukkig is met mijn werkethos.

Ik hoor te schrijven dat ik dat begrijp en dat ik begrip heb voor de zesjes-mentaliteit en dat natuurlijk de boog niet altijd gespannen kan zijn en dat we niet allemaal hetzelfde zijn en dat een beetje minder hard werken ook goed is en dat tijdens je werk uitgebreid de krant lezen een stuk ontspanning brengt en dat je best gedurende de werkdag een vakantie via internet kan boeken of je belasting aangifte kunt doen en dat het ook niet erg is dat als je parttime werkt je tandarts afspraak midden op een werkdag plant en daarna naar huis gaat omdat het nu niet meer de moeite is om wat te gaan doen en het uiteraard ook allemaal moet kunnen dat je een vriendin uitgebreid appt of belt tijdens de duur betaalde uren van de baas. Maar, daar meen ik geen barst van. Dat was door de cynische toon inmiddels wel duidelijk.

Op je werk ben je om dat te doen waar je geld voor krijgt en daar moet je gewoon elke dag stinkend je best voor doen. Haal eer uit wat je doet. Kom op tijd, luister naar je collega en zet een extra stap als dat kan. Of je nu schoonmaakt of een auto repareert of een juridisch advies geeft, zorg dat je dat doet alsof het je een nobelprijs zou kunnen opleveren. Doe dat voor je baas, voor degene die de auto koopt, achter dat schone bureau gaat zitten of dat juridisch advies nodig heeft. En, doe het voor jezelf. Respecteer jezelf genoeg om het beste uit jezelf te halen. En dus, schrijf ik deze blog vanuit mijn tenen. Ik geef niet op. Schrijven is mijn leven en ik heb respect voor dat leven.

Kunst

Nooit bewust van schoonheid om me heen.
Nooit bewust van woorden die ik sprak.
Nooit bewust van geluid dat me omringt.

Lopend over straat nam ik alles voor lief
doelloos
struinend met een leegte om me heen.

De leegte die wanhopig probeerde
overeind te blijven
niet laten merken dat je aan de kant wordt geduwd.

Langzaam plaats maken voor kleur,
compositie, contrast.
De verbazing en verwarring meester worden.

Diep kruipt de schoonheid onder mijn huid,
bevangen door de letteren, overvallen door het bestaan
loop ik nu door de straten, zie ik de wereld.

Nooit meer onbewust.
Nooit meer doelloos.
Nooit meer leeg.