Strijken

Ik ben geen fan van huishoudelijk werk. Het is redelijk rommelig bij ons in huis. Hier en daar zwerft er een bal of een knuffel. Overal liggen boeken, tijdschriften en kranten. Een kaarsje hier, een bloemetje daar. Telkens als ik probeer prulletjes, zoals manlief ze noemt, weg te doen komen we, vaak tegelijk, tot de conclusie dat de minimalistische stijl niet bij ons past. Toch doe ik om de paar weken een verwoede poging om op te ruimen. Er komt dan een bepaald schoonmaak-hormoontje vrij en ga ik verwoed aan de slag. Ik ruim op. Ik sop de keuken, stofzuig het hele huis, vouw de was en ruim deze tegelijk op. Boen twee toiletten. Zo trots voel ik me dan. Ook op mijn meiden, mevrouw vaatwasser en mevrouw droger. Ze werken zo hard voor me en ik kan ze niet meer missen. Het komt niet zo vaak voor dat dit hormoontje vrij komt en vaak is het na een paar uur uitgewerkt. Vaak komt manlief thuis en vraagt naar mijn dag. Of ik nog wat gedaan heb? Hint. Of ik nog stof heb gezogen, wat ik trouwens echt de meest zinloze bezigheid vind die er bestaat? Vaak is het antwoord: ‘ nee, maar ik heb er wel aan gedacht.’

Er is een klus die ik nooit doe en ook nooit van mijn leven ga doen. Dat is strijken. Als ik dit vertel aan mijn moeder dan begint haar lip zachtjes te trillen. Zij heeft poetsen tot kunst verheven en haalt bijzonder veel eer uit strijken. Ze strijkt alles. Ze strijkt ondergoed, handdoeken en zelfs zakdoeken. Met veel ongeloof in haar ogen kijkt ze me aan als ik de was, na een dag of drie uit de droger haal, en een beetje uitklop om vervolgens gekreukeld in de kast te leggen. Wij zijn geen kreukloos gezin. Dit doet mijn moeder veel verdriet. Van alle teleurstellingen die ik haar heb gebracht is dit de grootste. Niet de teleurstelling van mijn kortdurende experimentele softdrugsgebruik of de foute vrienden waar ik mee omging of het paarse haar dat ik vol trots droeg of de zes oorbellen in mijn rechter oor. Nee, mijn weigering om mee te gaan in een kreukloze wereld. Ik doe er niet aan mee. Nu niet, dan niet, nooit niet.

Op vragen hoe ik dat dan doe met overhemden antwoord ik stellig. Het gaat voornamelijk om de binnenkant en niet om de verpakking. Natuurlijk is een leuke verpakking aantrekkelijk om naar te kijken, maar een kreukje hier en daar geeft charme aan het leven. Maar dat wil er bij mijn moeder niet in. Ik leef in zonde en voel totaal geen wroeging.

Cato

Haar ogen zijn amandelvormig,
helder blauw,
ondeugende blik,
rode lippen,
blinkend donker blond haar,
ze is mooi,
klein,
krachtig en dapper,
met een stevig rechterbeen,
die ballen de kelder in schiet,
een lach om haar lippen,
van de grapjes in haar hoofd,
de billen die zwieren op “Fireball”,
altijd dat hemd omhoog,
rug hol,
tong uit haar mond,
bulderende lach,
vult de ruimte,
haar knuffels zijn stevig,
beklemmend,
af en toe onzeker,
je gaat toch niet weg vragen haar ogen,
ze zegt,
ik hou zo veel van je dat ik ervan moet huilen,
een gedeelde traan,
recht in mijn hart,

mijn cadeau,
mijn Cato

 

 

 

 

 

 

Betekenis

Ik kan er vaak niet tegen. Tegen zinloos gepraat. Gepraat over het weer of over mensen die ik niet ken die van alles onder de lede hebben en waar ik dan diep bedroefd over moet zijn. Of het geklets om de tijd te doden. Ik kan er gewoon slecht tegen als iemand naast me komt staan op het schoolplein en dan alleen maar van die loze woorden de lucht in gooit. Dat is niet aardig van mij. Dat weet ik best wel. Te meer nu ik dat vaak zelf ook doe. Ik voel dat het van me wordt verwacht en dat het er bij hoort, dus maak ik me schuldig. Ik beken. Social talk is gewoon belangrijk om het groepsgevoel te koesteren. Nu heb ik vaak niet zo veel met groepen. Ik sta net zo lief alleen op het schoolplein een beetje naar de wolken te staren. Toch is dat ook niet waar. Helemaal alleen zijn is niets voor mij, maar ik wil graag betekenis, verdieping en verbinding.

Gelukkig heb ik een aantal mensen om me heen waar ik echte gesprekken mee voer. Dat zijn mensen waar ik een diepe verbinding mee voel. We delen dezelfde interesses. Kunnen praten over kunst, boeken en politiek. We hebben  het over onszelf, de strubbelingen die het leven ons cadeau geeft en over de ontwikkelingen die we doormaken. Die mensen zijn op 1 hand te tellen. Dat zijn hechte vriendschappen die ik koester. Zij geven energie en stuwen me voort op de golf van het leven. Ik heb ook ontdekt dat het allemaal mensen zijn met een geweldig gevoel voor humor. Wij begrijpen elkaar.

De meerderheid van mijn sociale omgeving bestaat (helaas) uit mensen die als ze me zien van een afstand roepen ‘hé, alles goed?’ Zij willen graag een positief en kort antwoord. Het gaat hun vaak niet om het antwoord, meer om hetgeen ze daarna zelf kwijt willen. Er is er een bij die altijd een gesprek met me begint als ze vervolgens daarna iets van me wil. Daar heb ik lang van gebaald, maar dat doe ik nu niet meer. We zijn allemaal homo calculus. Er komt vast een dag dat ik eens iets van haar zou willen krijgen. Het zogenoemde “in het krijt staan.” En tot die tijd zoek ik het liefste verbinding en staar anders maar wat naar de voorbij vliegende wolken.

Experiment

Vorig jaar zag mijn leven er anders uit. Vooral op het vlak van nevenactiviteiten. Naast mijn werk  en opleiding zat ik in het bestuur van een culturele club die jaarlijks de kunstroute in Tholen organiseren. Ik deed de PR en zat in de commissie poëzie. Verder schreef ik op freelance basis elke week een stuk voor een lokaal krantje. De interviews met prominente Tholenaren, waaronder RTL presentator John Williams, reken ik tot werk waar ik trots op ben. En toen werd ik ook nog verkozen tot voorzitter van een politieke partij, wat inhield dat ik 1 keer per maand een avond in Breda was. Twee keer per maand vergaderde, heel veel stukken moest lezen, agenda’s maken, actiepuntenlijsten verzorgen, iedereen stimuleren en achter de broek aan zitten en vooral aan een oud en stervend paard moest trekken. Dat allemaal naast mijn hectische baan en veeleisende gezin.

Na de zomervakantie kwam het inzicht. Dit sloopt me. Na een avondje stappen met veel te veel alcohol in mijn lijf nam ik de volgende dag, al hangend boven de wc-pot, een drastische beslissing. Ik stop met alles. Alles. Dat besluit was pijnlijk, maar noodzakelijk. Ik sliep al langere tijd niet goed. Vaak lag ik lang wakker, te woelen in mijn bed, en van doorslapen was al maanden geen sprake van. Ik had voortdurend gedachten: ‘ik moet die vergadering nog plannen en dat verslag nog tikken en die nog even bellen en dat e-mailtje nog versturen en daar nog achter aan gaan en dat nog bestellen en die ruimte reserveren en die krant nog op de hoogte brengen en dat persbericht opstellen……’ Alles werd één grote belasting. Steeds zwaarder en zwaarder. Ik werd er geen leuker mens door (understatement), zeker niet voor mijn gezin, maar ook niet voor mezelf.

Na mijn besluit moest ik afkicken van de drukte. Ik had mezelf voorgenomen de eerste zes maanden niets meer te doen. Het duurde ongeveer een maand voordat ik zonder schuldgevoel weer lekker kon slapen, maar oh oh oh wat is het genieten als je gewoon de krant kan lezen zonder druk. Een boek kan pakken en daar uitgebreid voor kan gaan zitten, zonder dat er een waslijst van activiteiten in een hoek naar je staan te schreeuwen. Heerlijk, innerlijke rust.

Die zes maanden zijn bijna voorbij en ik heb het volgehouden. Ik schrijf, dat is een langgekoesterde en gekwelde wens, en verder doe ik heel weinig. Wat ik nu doe, doe ik bewust en dan merk ik opeens dat ik er stiekem toch nog wel wat naast doe, maar het voelt niet meer als een belasting. Ik ben bijvoorbeeld klasse-moeder, maar dat geeft voor mij een extra dimensie aan het moederen over een schoolgaand kind. Ik versterk nog een buurtgroep, omdat de gemeente megalomane absurde bouwplannen heeft. Dat is uiteraard ook in mijn belang. En, af en toe geef ik eens een juridisch adviesje, maar dat doe ik allemaal bewust. Het is niet zo dat ik gedwongen werd om mijn vorige activiteiten uit te voeren. Ik heb daar zelf voor gekozen, maar daarin ernstig onderschat wat het met me doet om alles tegelijkertijd te dragen.

Nu dient zich vandaag een mooi nieuw experiment aan. Het heeft met schrijven te maken. Ik geloof dat sommige zaken of mensen op je pad komen voor een reden. Ik heb nu de ruimte en rust om met dit experiment aan de slag te gaan. Het voelt goed. Het opent alle creatieve registers en dwingt me om buiten de kaders te gaan schrijven en denken. Spannend. Ik ben er klaar voor.

Weg

Het gebeurt heel regelmatig dat ik weg ben. Ik ben er dan wel, maar ook weer niet. De verbinding met mezelf is er dan niet. Dat kan overal plaatsvinden. Tijdens het autorijden bijvoorbeeld. Dan rijd ik, ik ben me daar van bewust, maar ook voel ik me wegvliegen en ben me van dat wegvliegen dan ook weer bewust. Hele vreemde gewaarwording en lastig uit te leggen.
Of ik zit aan tafel tijdens het eten en luister naar de kinderen en eet mijn eten, maar op hetzelfde moment voel ik me niet helemaal in mijn lichaam zitten. Alsof ik er iets boven zweef of zo en alles van een afstandje gade sla.

Het is anders dan afdwalen of dromen. Dat doe ik ook. Ik merk dat ik tijdens een gesprek opeens een stuk mis. Ik ben dan met mijn gedachten ergens anders. Of tijdens het rijden naar mijn werk -wat inhoudt elke dag dezelfde route heen en terug- en dan opeens constateren dat ik al bij de afslag ben. Dan word ik wakker geschud door een onzichtbare hand die me vertelt dat ik af moet slaan. Soms is die hand te laat en mis ik een afslag of neem ik de verkeerde rotonde.
Ook luister ik niet altijd en merk dan dat ik in mijn hoofd bezig ben met een andere klus of zo iets basaal als, wat zal ik vanavond eten? Ik ben dan gewoon niet verbonden met het moment en dan mis ik dus wel eens wat.

Toch is dat anders met het “weg” zijn. Daar ben ik me dus heel bewust van. Ik voel me wegglijden alsof ik verdoofd ben, maar niet onder narcose. Op zo een moment voel ik ook niets. Het is heel stil. De enige gedachte die opkomt is ‘daar ga ik weer’. Daarbij horen geen fysieke toestanden. Ik ga niet zweten of braken. Mijn hart gaat niet sneller kloppen. Het is ook niet naar, maar wel raar. Het is alsof de tijd even alles laat stilstaan. Alles stopt gewoon voor een moment. Die momenten duren soms heel kort, een paar seconden, en soms langer, maar nooit langer dan een kwartier. Het lijkt nog het meest op zweven, al weet ik niet echt hoe dat is omdat ik dat nog nooit heb ervaren. De verbinding met de dagelijkse praktijk wordt even losgelaten. Die dagelijkse praktijk vergt af en toe veel van me. Momenteel heb ik het heel druk op mijn werk. Zo druk dat ik voortdurend het overzicht kwijt raak en voor mijn gevoel telkens wakker schrik met de gedachte ‘oooohhhh, als ik maar niet vergeet dat of nog even navragen zus’. Thuis draait de boel ook door en de zorgen doen gewoon mee. Zorgen om de kinderen, om het nieuws dat ik van de week kreeg en waar nog geen uitsluitsel over is gekomen of het nu slecht of goed nieuws is, vriendinnen in verdrietige en nare situaties, manlief die ’s avonds moet werken terwijl ik met hem series op de bank wil kijken en zorgen over allerlei narigheden in de wereld. Conclusie: het koppie werkt momenteel overuren. Misschien is het dan wel niet zo gek om af en toe te vertrekken. Misschien is het een zelf ingebouwd mechanisme om me te beschermen tegen een overvloed aan prikkels. Misschien is het een ontsnapping zodat ik daarna alles weer aan kan. Ik weet het niet. Inmiddels ben ik er wel achter dat ik niet op elke vraag een antwoord hoef of krijg. Eén ding weet ik in ieder geval zeker, ik kom altijd terug.

Verhaal

Mijn vader hangt in onze gang. Niet letterlijk, want dat zou vreemd zijn. Zeker nu hij al 25 jaar dood is. Zijn afbeelding hangt netjes ingelijst in de hal. We wonen in een herenhuis van zo rond 1870 en we zijn gezegend met een ruime hal. Dat was in de tijd dat de kinderen nog vervoerd moesten worden ideaal, want de hal is zodanig groot dat er met gemak twee kinderwagens in passen.

Toen ik op een ochtend door de straat liep met de hond zag ik opeens een bord op dit huis hangen met de magische woorden “te koop”. Ik wist gelijk dat wij dit huis zouden gaan kopen. Ook al gaf de makelaar aan dat het huis al zo goed als verkocht was. Tijdens de eerste bezichtiging viel ik als een blok voor het huis. Dat kwam mede door de ruime hal. Mijn oom en mijn lief vergezelden me bij de bezichtiging. We hadden een tactiek afgesproken. We zouden te allen tijde cool blijven, emotieloos en vooral geen bod uitbrengen. Mijn oom drukte dat een paar maal op onze harten. Gewoon het huis een beetje afkraken en niet laten merken dat je liefde voelt. Dus een opmerkinkje over een scheurtje hier, een los zittend draadje daar en een gaatje zus en een oude cv-installatie zo. Ook over de tuin moesten we ons negatief uitlaten. Terwijl mijn oom en lief buiten stonden, liep ik naar binnen, sprak de makelaar aan en zei de historische woorden ‘ik wil graag een bod doen’.

Ik wist het gewoon. Dit huis was voor ons en alleen voor ons. Na veel heen en weer gebel en een moeizame onderhandeling zaten we een paar maanden later bij de notaris om het huis op onze naam te laten zetten.

De eerste keer dat de sleutel in het gat werd gestopt en de deur open ging vergeet ik nooit meer. De hal begroette ons. Wij waren welkom. De hal werd gewillig omgetoverd tot mini museum. Modigliani hangt aan de muur, net zoals Mona Lisa, het melkmeisje en een mooie collage van Gustav Klimt. Ook hangen er foto’s van de kinderen, van verre reizen die mijn lief en ik, nog kinderloos, hadden gemaakt. Een Picasso mag niet ontbreken en een speciaal schilderij voor Teun met daarin een afdruk van zijn voetjes. Ook is er ruimte voor oma Muk, mijn zus en mijn vader. Die foto van mijn vader hangt er al heel lang en vandaag zag Rika de foto pas echt en vroeg: wie is die meneer?

Het antwoord op die vraag zorgt ervoor dat bepaalde vast staande gegevens op los zand komen te staan voor mijn dochter. Het zorgt ervoor dat het verhaal over wie opa is toch anders is dan ze had gedacht. Het zorgt ervoor dat mijn kleine meisje weer een stukje groter wordt. Het zorgt ervoor dat het leven ingewikkelder blijkt te zijn dan het is. Ze is er aan toe om het te weten en ik ben er aan toe om het delen, maar wanneer dat precies gebeurt weet ik nog niet. Maar dat ik vandaag een willekeurig verhaal over Jip en Janneke heb voorgelezen waarin een vriendje voorkomt met de naam die Frans, geeft mij het gevoel dat ik zelf het moment niet hoef uit te kiezen. Dat gaat pappa Frans vast voor me regelen.

Chihuahua

Ik stond vandaag op het schoolplein. Het was net droog, de zon kwam een beetje tevoorschijn en ik was in gesprek met een andere ouder. In mijn ooghoek zie ik een moeder aanlopen met iets in haar armen. Ik kon niet goed zien wat het was. Als wij thuis iets moeten duiden waarvan we de naam niet weten dan noemen we het vaak een “friemel ding” of een “fliedelfloempie”. Dit ding bewoog en toen ik goed keek zag ik dat het ogen had. Het leek een beetje op E.T. Het schattige buitenaardse wezentje dat iedereen een traan weet los te maken door met zijn vinger naar de lucht te wijzen en te zeggen ‘Phone home’. Ahhhh, zwijmel, zwijmel.

Dit mormeltje had ogen die bijna uit zijn hoofd leken te ploppen. Een beetje obstipatie vormt ene groot risico voor zo een beestje. Voor dat je het weet perst hij even te hard en floep daar gaat een oog. Na nog eens goed te kijken zag ik dat het een chihuahua was. Wikipedia vertelt me dat het één van de kleinste honden van de wereld zijn en dat het ras in 1850 in Mexico is ontdekt. Volgens de basisinformatie van Wikipedia is een andere naam voor dit ras Taco Bell Dog.

Nu krijg ik bij Taco Beel een ander beeld in mijn hoofd dan een chihuahua. Maar datzelfde geldt voor het woord hond. Bij een hond denk ik aan een dier dat in ieder geval groter is dan de gemiddelde rat of cavia met overgewicht. Het enige leuke dat ik heb kunnen ontdekken aan een chihuahua is de naam, en dan vooral de herhaling van de letters hua.

De moeder op het schoolplein hield het beest dicht tegen zich aan. Waarschijnlijk kan hij niet lopen. Niet omdat hij geen pootjes heeft, maar omdat hij zo stevig was aangekleed dat hij gewoonweg niet meer kon bewegen. Hij had een jas aan, capuchon op en een broekje was over zijn niet bestaande billetjes getrokken. Op het moment dat ik dat allemaal zag, gingen in mijn hoofd de registers open. Gedachten en grapjes stapelden zich op. Ik kan mensen die een chihuahua hebben en die vervolgens zo stevig aankleden niet serieus nemen. Nooit meer. In mijn ogen hebben deze mensen alle realiteitszin in het leven verloren. vanuit die kant verwacht ik dan ook geen antwoord op de toenemende vluchtelingenproblematiek, of een oplossing over het broeikas effect, laat staan dat er een aandeel wordt geleverd om de economische malaise te lijf te gaan, gierige bankiers die aangepakt moeten worden, dubieuze politici die aangesproken moeten worden of armoede dat bestreden moet worden. Misschien ben ik cynisch, misschien zie ik het verkeerd, misschien heb ik te veel vooroordelen, maar het beeld van dat hondje in dat jasje met zijn uitpuilende ogen vertellen mij genoeg. Vooral toen de moeder naar haar kind riep ‘schiet nou is effe keihard op want snoezie mot nog schijten en anders kakt tie straks weer in de auto. Dan ken jij die pleurus zooi lekker opruimen’.

Teun

Vandaag is een bijzondere dag. Het is negen jaar geleden dat ik ben bevallen van een zoon. Dat had uiteraard een heuglijke gebeurtenis moeten zijn, maar wat begon als een wens is geëindigd in een zwart drama.

De zwangerschap ontstond bij mij niet met een zucht zoals je wel eens hoort van mensen. ‘Ik hoefde maar naar mijn vrouw te kijken of ze was al zwanger.’ Dit soort sterke praat en alle verhalen over snelle zwemmers en dergelijke waren op ons niet van toepassing. Daartegenover gezet was het ook weer niet dramatisch. Geen ivf of andere nare hormoonbehandelingen of wanhopige onderzoeken om uit te vinden waarom zwanger worden niet lukte. Toen ik opeens, na zo een dertig testen te hebben gedaan wat me een godsvermogen heeft gekost en diepe teleurstellingen heeft teweeggebracht, toch zwanger was, was ik echt in de wolken. In eerste instantie kon ik het niet geloven en heb ik nog een paar testen gedaan. Het was echt waar. Manlief was ook in zijn nopjes. Nu was het zo ver. Tijd om volwassen te worden. We waren er aan toe.

De controles bij de verloskundige verliepen zonder problemen tot de 20 weken echo. Sommige mensen noemen dit een pretecho, maar die naam verfoei ik. Het was dinsdagochtend vroeg en we reden naar Steenbergen. We waren allebei gespannen, want vandaag zouden we te horen krijgen wat het geslacht van de baby zou zijn. Voor mij stond vast dat dit een jongen zou zijn, maar toch. Eerst bewijs zien. De verloskundige nam haar tijd om het een en ander uit te leggen en vroeg of ik op tafel wilde gaan liggen. Ze vroeg of ik de baby al had gevoeld. Dat was niet zo, dacht ik, maar ik wist ook niet wat ik zou moeten voelen. De gel op mijn buik was koud en ik rilde, gedeeltelijk van de kou, maar zeker ook van de spanning. Manlief stond achter de verloskundige en keek mee op het scherm. Ze kon in eerste instantie de baby niet goed zien en toen ging ze van alles meten. Al snel betrok haar gezicht en werd ze steeds stiller. Na een paar minuten vertelde ze me dat ze iets had gezien dat niet goed was. Uit de afmeting van het hoofd en de vorm van de hersenen zag ze dat het kindje een open ruggetje had. Dit te samen met een waterhoofd maakte dat het kind zwaar gehandicapt zou zijn.

Mijn hart stopte een tel. Ongeloof overheerste.’ Het kan niet waar zijn. Ze heeft het verkeerd gezien.’ Allemaal gedachten storten zich over elkaar. We moesten gelijk door naar het ziekenhuis en daar werd door de gynaecoloog bevestigd wat we vreesden. Hij legde uit dat de overlevingskansen van dit kind zeer gering zouden zijn en als hij, want het was inderdaad een zoon, de geboorte zou overleven dan zou hij meervoudig (zowel lichamelijk als verstandelijk) zwaar gehandicapt worden. In een fractie van een seconde heb ik mijn besluit genomen. Het kind moest er uit, zo snel mogelijk. Ik was nog nooit zo helder geweest als op dat moment.

De dag erna gingen we naar Breda voor verder onderzoek. Ook die arts bracht geen beter nieuws. Na een rustdag hadden we weer een afspraak in het ziekenhuis met dezelfde gynaecoloog. Hij vertelde wat er zou gaan gebeuren en samen hebben we besloten dat zaterdag de dag zou zijn dat onze zoon geboren zou worden en zou sterven.

Het was een lange en zware dag in het ziekenhuis. Na medicatie in gekregen te hebben kwamen na heel wat uren eindelijk de weeën op gang. Voor middernacht werd Teun geboren. Zijn levenloze lichaam heb ik aangeraakt, maar ik was zwaar in shock. Hij was heel klein, maar er zat wel alles op en aan. We hebben hem de stoere naam, Teun, gegeven en zullen hem altijd in ons hart dragen. Vooral op 2 februari.

Nieuws

Vandaag kreeg ik slecht nieuws. Nou ja, eigenlijk nieuws dat zich kan ontwikkelen in slecht en dramatisch nieuws. Op dit moment is de status van het nieuws nog niet bekend. Wordt het slecht of valt het toch mee? En, als het slecht is hoe slecht is het dan?

De brenger van het nieuws is een persoon die dicht bij me staat. Ik merk aan mezelf dat ik niets voel. Ik voel geen angst, boosheid of verdriet. Niets. Doet dit nieuws me dan niets? Jazeker doet het me wel iets. Het raakt me echt wel, maar ik voel het niet. Is het de persoon die voor me zit? Misschien wel. Onze relatie gaat niet zo diep dat wij gevoelens delen. Nooit gedaan en dan vind ik het nu moeilijk om de zorgen weg te nemen, om sussende woorden te spreken of om mededogen te tonen. Ik bied geen arm, geen kus, geen omhelzing. We zitten met elkaar aan de keukentafel en er komen standaard woorden uit mijn mond zoals: ‘tja, dat is dan maar even afwachten.’

In mijn leven heb ik al vaker slecht nieuws gehad. Als het nieuws daadwerkelijk slecht is dan sluit ik de poorten, ben ik daadkrachtig en uit ik mezelf bij diegene waar ik me veilig bij voel. Maar nu word ik geconfronteerd met iets dat misschien wel nooit gaat gebeuren en voel ik niets. Ik weet ook niet wat ik moet zeggen en aan dit papier kan ik ook geen woorden meer toevertrouwen. Ik weet het niet. Ik wacht maar af tot ik weet met wat voor nieuws ik te maken heb.