Tevreden

De Kunstroute Tholen is weer voorbij. De dagen zijn omgevlogen en onze expositie “drieluik in perspectief” is goed ontvangen. Veel bezoekers hebben genoten van de gedichten, de foto’s en de schilderijen.
De gedichten (mijn bijdrage aan dit drieluik) zorgden voor verschillende reacties. Een greep:
– ik word er emotioneel van, zo prachtig en beeldend verwoord;
– het grijpt me aan;
– deze (verstikking) komt heel hard bij me binnen;
– wat mooi;
– kon dit gedicht maar opgestuurd worden naar de president van Amerika dan kon hij misschien zorgen voor verbinding aan de hand van deze tekst.

Ik vind het altijd spannend om mijn gedichten te delen. Het voelt toch heel naakt en kwetsbaar. Toch is kwetsbaar niet het goede woord, want dat wekt de suggestie alsof de ander, in dit gevel de lezer of ontvanger van het gedicht, de maker kan kwetsen. Andersom is in ieder geval geen sprake van. Er waren mensen bij die diep geschokt waren en (letterlijke reactie) ‘te doen hadden met degene die deze gedichten had gemaakt.’ Dat raakt me, want dat betekent dat een of meerder gedichten emoties losmaken. Maar kwetst me niet, in tegendeel missie geslaagd. Gedichten zijn gemaakt vanuit emoties. Er zitten verschillende lagen in, diepte. Als dat gezien wordt, dan maakt me dat intens tevreden. Misschien klinkt dit als een cliché of wat zoetsappig, maar ik stel voorop dat meedoen met de Kunstroute (het dus open stellen van je ziel, in mijn geval) de bedoeling heeft om gezien te worden en liever nog begrepen. Als dat inderdaad plaats vindt, dan ben ik tevreden, voldaan.

Nu komt er een moment van rust. Rust om de afgelopen dagen, maar zeker qua voorbereiding ook maanden, te laten passeren. Rust om de woorden die gedeeld zijn los te laten, hun vrijheid te schenken. Rust om op zoek te gaan naar nieuwe woorden, wat roert zich nog meer in mijn ziel. Tijd voor een nieuwe ontdekkingstocht en wie weet vinden deze woorden hun weg tot een gedicht en misschien zelfs wel tot de Kunstroute van volgend jaar.

 

 

 

 

 

Verstikking

In mijn droom sta ik op een open veld,
op mijn blote voeten
in een hemd zonder mouwen

donkere wolken grijpen om zich heen
z
e dreigen
z
e komen steeds dichter bij

dreigend boven me, onder me, naast me
k
laar om toe te slaan
o
m me te grijpen

de wind blaast mijn haren omhoog
m
et een rotgang
m
aakt mijn gezicht ruw
l
aat striemen achter
a
ls oorlogswonden
b
loedend

de kou grijpt me
b
ij mijn strot
t
wee handen omklemmen haar
k
nijpen, dichter en dichter
a
lle lucht verlaat
m
ijn lichaam

mijn lijf komt in opstand
m
ijn hart beukt
s
chreeuwt om verlossing
m
ijn tenen schieten in een kramp
b
enen verlammen
i
k stort op de grond
b
loed druipt uit mijn oor
b
ewustzijn wordt helder

dit is het moment

nu ga ik
Ik wil niet
Ik ga

doodstil lig ik in het gras
i
k wil gillen,
vloeken
t
ieren

roepen om hulp,
m
aar mijn mond is er niet meer
s
tembanden zijn verdwenen
l
angzaam los ik op
v
erlaat mijn lijf
s
tijg uit mezelf

smak terug op de grond
e
n schrik van een schreeuw
e
en oerkreet
o
pen mijn ogen

luister
i
k herken die stem
s
chor roept die stem

stop, stop
p
ijn voel ik in mijn keel
i
k adem onrustig en snel

voel mijn benen
k
eer mijn rug toe en
v
erlaat het veld.

Kunstroute

Vanavond togen vriendin M en ik naar de opening van de Kunstroute. Morgen begint de tweedaagse waar we zo hard aan gewerkt hebben. Ik ben trots op mijn vriendinnen. Helaas kon de andere vriendin niet mee naar de opening.

We trokken onze feestjurken aan en stiften de lippen. Wat een kunstzinnig en minnend twee daagse beloofd te worden start op een ongelooflijk saaie en treurige wijze. Een geluidsinstallatie die niet functioneert, een voorzitter die telkens van alles vergeet en een burgermoeder die moedig aan haar speech begint, maar mij toch binnen enkele minuten doet wensen naar mijn bed.

Maar gelukkig is daar M. Ik ken haar al ruim 25 jaar en elk lachspiertje in haar gezicht is mij bekend. Zodra die spieren zich aanspannen is er geen houden aan. Tot ergernis van omstanders, met haar lach ik me letterlijk scheel. Ze fluistert op ongemakkelijke momenten, dat zijn dus die momenten waarop je aandachtig dient te luisteren en dito blik op je gezicht moet toveren, iets in en ik proest het uit van het lachen.

Het beloven twee mooie, kunstzinnige en vooral hilarische dagen te worden.

 

Tonio

Sinds ik vorig jaar na de zomer de stekker uit al mijn nevenactiviteiten heb getrokken, leef ik weer. Ik kan rustig ademen en lezen. Heel veel tijd om te lezen. Ik lees gemiddeld drie boeken per maand. Dat is een mooi aantal dat passend is in het leven dat ik nu leidt.

Twee jaar geleden ben ik begonnen aan Tonio. De requiemroman van een vader voor zijn zoon. Natuurlijk wist ik wat er ging gebeuren, maar het verlies en verdriet grepen me zo aan dat ik het boek moest wegleggen. De beschrijving van het overlijden van Tonio is zo liefdevol en gedetailleerd gedaan dat ik  niet anders dan bewondering voor de schrijver en vader heb. Toch lukte het me maanden, jaren niet om verder te lezen. Ook ik ken verlies. Zo als zovelen. Ook ik weet hoe het is als dromen niet waar gemaakt worden, als beloften niet ingelost worden en als het pad van verwachtingen een andere afslag neemt. Mijn zoon kreeg geen kans, leerde niet te leven en mocht niet proeven van de mogelijkheden. Maar dat staat in geen verhouding met het verlies van Tonio.

Ik lees over Tonio. Ik kijk naar zijn portret en inmiddels houd ook ik van hem. Ik droom over hem en,  zonder al te pathetisch te worden, ik treur om hem. Ik voel mee met de pijn van de ouders, hoe onvoorstelbaar ook. Door de woorden leef ik intens mee. Ik sta met ze op, rijd met ze mee naar het Bos en drink samen een glas in avond.

Dit is de kern van literatuur. De allesbevangende hitte van de woorden die onder je huid kruipen. Een synchroon leven binnen stappen en mee huilen. Onrustig slapen en wakker worden in een nachtmerrie van een ander. Ik voel diep respect voor de vader en zijn kunde om deze roman met ons te delen. Wat een schoonheid kan er ontstaan uit de zwartste drama. Lieve Tonio, ik mis je. Lees verder “Tonio”

Saffier

Over een paar dagen vieren we het 45-jarige huwelijk van vrienden. In de volksmond staat dit bekend als saffieren jubileum. Ik had er nooit van gehoord en moest even googelen wat de betekenis is. Volgens Wikipedia is de saffier een edelsteen. Er staat letterlijk: De saffier verleent zijn eigenaar kracht, eer en onsterfelijkheid. Hij was het symbool voor rijkdom en voorkwam tweespalt en smart.

Deze vrienden zijn bijzonder. Ze staan voor mij symbool voor liefde en kracht. Elk obstakel bieden zij het hoofd, fier opgeheven. Ze duiken niet weg voor angst of verdriet. Trotseren de wind met open ogen en een zachte glimlach. Zij eerbiedigen elkaar, troosten elkaar, voeren gesprekken en kunnen nog steeds de humor inzien van de geaccepteerde gebreken van de ander. Ook al gaat het hun financieel niet altijd voor de wind, zij kennen echte rijkdom. Ze zullen ook nooit uit elkaar gaan. Niemand kan dit team open breken. De cynische medemens onder ons zegt dan: ‘zeg nooit, nooit.’ Bij deze mensen weet ik het gewoon zeker. Zij zijn voorbestemd voor elkaar. Ook al zo een zwaar woord, maar door gebrek aan een beter woord gebruik ik deze toch. Voorbestemd.

Deze mensen zijn mijn inspiratie. In hun ogen reflecteert pure liefde. Of ze nu over hun kinderen praten of kleinkinderen of tegen deze jonge mensen of naar mij luisteren, het is altijd oprecht en uit liefde. Wauw, ik voel me gezegend om in hun buurt te vertoeven. Voel me vereerd dat ik een “kleding-issue” mag helpen oplossen en dankbaar dat we zondag het glas kunnen heffen op twee bijzondere mensen. Echte edelmoedige mensen, vertaald in een steen: saffier.

Prince

Prince is dood. Ik heb getwijfeld of ik een blog aan zijn dood zou wijden. Dat deed ik bij David Bowie ook, maar nu begin ik me een dweper te voelen. Maar ik kan er niet om heen. Hij is een belangrijk man geweest in mijn prille tienerjaren. Dat kan ik niet voorbij laten gaan. Muziek heeft me gevormd en gered.

Ik was 12 jaar toen ik van mijn buurjongen een kopie van het album Sign o’ the Times kreeg. Ik had net een cd/platenspeler gekregen en was aan het sparen om mijn muziekcollecties vorm te geven. Mijn buurjongen was zo lief kopieën te maken van te gekke albums uit die tijd. Prince kende ik al van Purple Rain en Let’s go grazy. Heerlijke funky muziek die ik, tot ergernis van mijn ouders, keihard opzette en meezong. Af en toe leek het plafond in te storten, zo hard danste ik op die muziek met borstel in mijn hand als microfoon.
Sign o’the Times was een ander verhaal. Daar stonden nummers op die onmiddellijk een diep gevoel bij me losmaakten, zoals bijvoorbeeld The Cross. Op het moment had ik geen idee dat het een religieus nummer was. En nu, nu maakt het helemaal niet uit. Wat de bedoeling van het nummer ook is. Art is in the eye of the beholder. Kunst is wat jij kunst vindt. Dit nummer is voor mij Kunst met een hoofdletter K.

Ook vandaag nog grijpt het ritme me bij de strot en de teksten ook. Het nummer is zwaar en heeft iets depressiefs. “Black day, stormy night. No love, no hope in sight.” Yes. Daar zet je een nummer weg. De dag is zwart, de nacht nog zwarter. Het stormt. Er is geen liefde en al helemaal geen hoop in zicht. Mooi man. Dat was mijn leven. Zo voelde ik me dag in dag uit. Op mijn kamer, met mijn ouders die me niet begrepen. Een vader die weg was en met een nieuwe vrouw een nieuw leven begon. Een moeder die alleen maar aandacht voor zichzelf had en haar nieuwe man. De wereld draaide om iedereen behalve om mij. Mijn tante was dood. De liefde was een teleurstelling en er was niemand die mij begreep. Niemand.

Het begin van het nummer is langzaam en daarna bouwt het op en wordt het steeds intenser. Precies wat bij me paste. Hoe intenser hoe beter, want in mijn leven werd alles uitvergroot, vooral de drama’s.

Ik vond Prince een hele mooie en aantrekkelijke man. Hij was bruin, enorm sexy, zijn bruine ogen waren waanzinnig en met dat alles gecombineerd maakte hij alle hormonen in me los. Als hij me door de televisie of op een poster aankeek, draaide ik soms mijn blik van hem af. Zo bloody smoking hot vond ik hem. Niet veel later kreeg ik een vriendje met eenzelfde oogopslag. Wat vond ik hem woest aantrekkelijk.

En nu is Prince dood en dat doet toch pijn. Dweperig of niet, ik voel het. “It is a black day, with no hope in sight.”

 

Trots

Rika zit al een tijdje op zwemles. Elke keer als ze een onderdeel onder de knie heeft, krijgt ze een sticker. Als het vel, waar de stickers op moeten, vol is dan is haar diploma in the pocket. De eerste lessen ging ze zonder angst het water in en leerde elk onderdeel in een mum van tijd. Ze ging als een razende roelie van bad een naar bad twee en drie, maar in drie stopte de snelheid. Nu komt het er namelijk op aan. Echt leren zwemmen, met dus een goede techniek. Les na les geen sticker, wel een high five van de juf, waar ze ook zichtbaar tevreden mee was, maar ik voelde haar teleurstelling toenemen. Thuis gingen we oefenen op haar potloodbenen. Ze heeft het onder de knie op het droge, maar in het water is het gewoon een ander verhaal. Ik bewonder haar doorzettingsvermogen. Ook vandaag weer. Met opgeheven hoofd betreedt ze het zwembad, groet netjes de juf en springt in het water. Ze zwemt met plezier en houd haar rug fier recht in het water, buik omhoog en hup kikker, schaar, potlood. De les vliegt voorbij en dan komt het moment. Alle kinderen moeten een voor een bij de juf komen. De een krijgt een sticker, de ander een schoudklopje of een high five. Dan is Rika aan de beurt. De juf scheurt een sticker, ze overhandigt deze aan een nat en verkleumd meisje. Het meisje kijkt op en glimt en ik, ik open de sluizen. Zo trots.

Zon

Warme stralen verlammen mijn benen
ik kijk naar beneden
het zicht is te fel
het leven te confronterend om aan te kijken
recht in haar smoel

De warmte maakt me apathisch
ik vertrek, maar blijf ook hier
ik hoor, maar luister niet
ik zweef zo een beetje boven mezelf
overschatting van het moment

Nu de kou zijn intrek weer neemt
keer ik terug en zet mijn voeten
aan de grond, geaard
hoor, zie en luister ik
de avond brengt me terug

Mag ik morgen
misschien weer zijn
helemaal, zonder hindernissen
ook al is het warm, dan wel koud
mag het niet uitmaken?

Pijnlijk

Ik heb inmiddels een flink aantal pijnlijke en gênante momenten op mijn naam staan. Echt van die “kon-ik-maar-door-de-grond-zakken”-momenten. Ik deel er een paar. Vraag me niet waarom.

Tegen mijn favoriete meester op de basisschool wilde ik zeggen dat hij zo lollig was en in plaats daarvan zei ik tegen hem dat hij een lul was. Oeps.

Of deze: na een slopende dag oersaaie colleges volgen viel ik in de trein in slaap. Niet zo erg toch? Wel als je in slaap valt op een schouder van een vreemde oudere man en dat er een klein beetje speeksel uit je mond hangt.

Op mijn werk was er een nieuwe burgermoeder aangetrokken. Ze zou binnenkort beginnen en haar foto had al in alle kranten, die ik dus overduidelijk niet had gelezen, gestaan. Op een dag moest ik naar toilet. Terwijl ik rustig mijn ochtendboodschap deponeerde in de pot hoorde ik uit het buurtoilet iemand naar buiten gaan en haar handen wassen. Ik dacht bij mezelf: “laat ik maar even blijven zitten want ontmoetingen op het toilet met de daarbij behorende geurtjes kunnen soms best ongemakkelijk zijn”, maar na een tijdje wilde ik er toch ook van af en kwam de gedachte op: “als ik nu nog langer blijf zitten dan zal mijn collega toiletgebruiker wel denken dat…” Ja wat eigenlijk? Geen idee. Ik besloot toch de stap te wagen, deed de deur open en voordat ik mijn handen kon wassen gaf de vrouw mij een hand. Dat was al ongemakkelijk genoeg. Ze vroeg: “Jij bent toch Bianca, de jurist?” Ik keek de vrouw aan. Geen spoortje van herkenning en bevestigde mijn identiteit. En toen vroeg ik: “En u? U bent?” “De burgemeester,”zei de vrouw. Ai, waar is dat luik waar ik onder kon vertrekken? Nergens te bekennen.

Kunnen we er nog eentje aan? Ooit wilde ik indruk maken op een jongen. Ik was een jaartje of dertien. Echt lekker aan het puberen en vooral zo onzeker als maar zijn kon. Ik probeerde cool te zijn en fietste heel stoer over de Markt, de hangplek van stoere en coole puberjongens die roken, beetje blowen en stiekem whisky nipten. Ik woonde schuin achter de Markt en wilde laten zien welke godin ik was op de fiets. Ik scheurde, kwam in een brede spleet van tegels terecht en reed zo keihard, maar dan ook echt kneiterd hard, tegen een lantarenpaal op. Niet grappig bedoeld, maar iedereen op het plein inclusief mijn heimelijke lief lach dubbel van de lach.

Een recente blunder was in een speeltuin. Ik ben niet zo heldhaftig en al helemaal niet sportief. Dus dat ik me af en toe waag aan een ritje op een zweefmolen is al best een prestatie. Onder het motto “alles voor het jong” ging ik met man en 1 kind naar een grote buiten speeltuin. Er was van alles te doen en manlief was in zijn nopjes. Hij drong voor bij de glijbaan, zat op een enorme wip en ging helemaal los op een tokkelbaan (of zoiets: geen idee hoe dat heet, maar je zwiert aan een stalen kabel van de ene  naar de andere kant). Ik keek rustig toe en zag de zweefmolen. Die zag er onschuldig uit. Je moest hem zelf aanzwengelen, dus ik riep man en kind. “Gaan jullie maar lekker zitten. Ik slinger dat ding wel aan.” Fout natuurlijk. Ik rennen als een gek. Onmiddellijk schoot mijn hoofd van stand blank in stand vuurrood. Maakt niet uit. Zweet gutste over mijn rug en opeens voel ik dat ik dat touw niet meer kan houden en smak onelegant en met veel kabaal zo met mijn neus in het zand. Gelukkig zag iedereen het en werd er smakelijk om gelachen. Gratis entertainment zullen we maar zeggen.

De laatste die ik wil delen is echt beschamend. We hadden het plan opgevat om naar Kwadendamme te gaan. Daar is een tropische dierentuin met een expositie over dino’s en een vlindertuin. Ook zit er een binnenspeeltuin met water. Leuk voor de kinderen en vooral ook zeer leerzaam. De kinderen hadden uiteraard weinig oog voor de fossielen en andere educatieve elementen van de dierentuin en wilden gelijk naar de speeltuin. In het water lag een boot waar je in kon spelen. Er lag zand. Er waren nog meer waterspeel-elementen en er was een oversteek van de ene kant naar de andere via wiebelige plateau’s. Ik besluit daar over heen te gaan. De eerste horde ging goed, maar dan opeens bevriezen mijn knieën en blijf ik op een plateau staan. Midden in dat water. Het lukt me niet om er van af te stappen. Ik begin te bibberen en wiebelen als een volleerd parkinsonpatiënt. Ik krijg het benauwd en zie mezelf al in dat water vallen. Het enige wat ik kan doen is me laten vallen op mijn billen. Daar zit ik dan, met rugzak op midden in het water te roepen naar een kind dat ze pappa moet gaan halen. Gelukkig kwam mijn redder in nood, die met een oud klasgenoot stond te praten, te hulp. Mijn broek was nat en de wangen van mijn lief ook, van het lachen. Daarna stelde hij me vol trots voor aan die oud klasgenoot: en die waaghals, dat is mijn vrouw.

Nu ik dit heb gedeeld weet ik niet of ik me opgelucht voel of nog meer beschaamd. In ieder geval weet ik wel dat hoe oud je ook bent, je bent nooit te oud of te jong om gênante momenten mee te maken.

 

 

Gebonden

Gedicht voor iemand.

Zoekend naar het licht.
tastend in het donker.
Een gezicht, een blik in de ogen,
een gebaar,
troostend en soms
slopend.

Goedbedoeld,
maar vaak verwarrend.
Twijfels bij die ander.
Doe ik het goed?
Begrijp ik je goed?
Kan ik je helpen?

Boosheid uit pure frustratie,
onbegrip
zoekend naar antwoorden
op vragen,
te veel vragen.

Terugkijkend op het leven,
respect voor dit kostbare geschenk,
volgemaakt op je eigen manier,
maar niet met veel overtuiging of geluk,
wars van kritiek.

Rest niets anders dan bewondering,
Voor jouw gevecht in het donker.
Graag zou ik je verlichting geven,
Mijn handen gebonden
Rustend in de schaduw.