Roos (11)

Ze lag in dat grote bed met die witte lakens en ik werd ontroerd. Het kijken naar haar deed me fysiek pijn. Ik voelde het ergens bij mijn hartstreek, een soort steek. Ze lag er vredig bij. Het leek alsof ze glimlachte, een flauwe glimlach. Dat wel, maar toch. Geen spoor van pijn of verdriet. Wat was ze bleek en wat zaten haar haren netjes voor haar doen. Op een bepaalde manier leek ze niet op zichzelf. Ze leek op een gestileerde en geëtaleerde versie van de vrouw die Anna heette. Voorzichtig kwam ik dichterbij. Ze hadden me alleen met haar gelaten. Een vrouw die zich voorstelde als brigadier Maurits stond op de gang te praten met dokter De Graaf. Ik kende dokter De Graaf al mijn hele leven. Ze was een jaargenoot van pa geweest. Zij had wel doorgezet op de universiteit en was uiteindelijk letterlijk onze huisarts geworden. Nooit hoefde ik naar haar praktijk om in de wachtruimte met posters over tekenbeten en uitstrijkjes voor de detectie van baarmoederhalskanker op plastic stoeltjes naar rustgevende klassieke muziek te luisteren en te wachten. Zij werd altijd ontboden en kwam dan thuis. Dat woord kon ik ook wel schrappen, want een thuis had ik niet meer.

Het was dokter De Graaf die me belde en vertelde dat er wat met Anna was gebeurd. Ze klonk geëmotioneerd en daar had ik de dokter nog nooit op betrapt. Ze was altijd zakelijk en koel tegen me en de meeste adviezen van haar waren in de trant van “stel je niet zo aan, eet gezond en sport.” Ze vroeg of ik naar het ziekenhuis kon komen. Dokter De Graaf wist dat Anna bij ons werkte en had in de telefoon van Anna gezien dat ze mij het laatste had gebeld, om die reden had ze contact gezocht, zeker ook omdat Anna verder geen familie meer had.

In het ziekenhuis werd ik eerst begroet door brigadier Maurits. Ze vroeg of ik koffie wilde. Door het bezoek aan mijn moeder was ik vergeten te lunchen en had al sinds 09.00 uur niets meer gedronken. Een kop koffie zou er wel ingaan. De brigadier kwam terug met twee plastic bekertjes lauwwarme koffie en vroeg me mee te komen naar een wachtkamer. Het was een kamer zoals zoveel kamers in een ziekenhuis, troosteloos. Er hing een poster van een zeegezicht op. De poster hing scheef en was vergeeld. Verder stond er een witte tafel met twee witte klapstoeltjes. In de hoek lagen vuilniszakken wat het geheel een luguber aanblik gaf. Het was overduidelijk niet de bedoeling dat degene die gebruik zou maken van deze kamer enig comfort kreeg. Ik nam een slok van mijn koffie en keek de brigadier aan. Ze schraapte haar keel en keek me met een schuin hoofd aan, haar blik verried dat er slecht nieuws aankwam. ‘Het is nooit eenvoudig dit bericht over te brengen. Uw vriendin Anna is overleden. We hebben haar in de badkamer van haar verblijf gevonden. Het is overduidelijk dat Anna haar dood zelf heeft gekozen. Het spijt me dit mee te moeten delen.’ Ik liet de koffie vallen en staarde naar de grond. Anna dood. Anna dood. De woorden bleven zich in mijn hoofd herhalen, steeds sneller en steeds luider. Anna dood, Anna dood, ANNA DOOD, ANNA DOOD. Ik pakte mijn sjaal en kneep er in totdat mijn vingers verkrampten. Ik voelde mijn nek stijf worden, al mijn spieren spanden zich samen. Mijn benen voelden zwaar, mijn hoofd begon te bonken. Anna dood. Zelf gekozen dood. Brigadier Maurits bleef me aankijken en vroeg of het wel ging. Ik wilde heel hard schreeuwen ‘Nee godverdomme, het gaat niet.’ Woorden stokten achter in mijn keel, mijn tong sloeg dubbel. Ik kreeg geen adem. Die sjaal moest uit, mijn jas ook. Wat is het hier godsgruwelijk heet. Anna dood. Brigadier Maurits liep weg. Ze zei iets, maar ik hoorde niets, alleen het bonzen van mijn hart of was dat het bonzen in mijn hoofd. Dokter De Graaf kwam binnen en hurkte voor me. Ze pakte mijn hoofd in haar handen en keek in mijn ogen. ‘Roos, haal adem,’ beval ze. Opeens voelde ik een kleine tik op mijn wang. Ik schrok en proestte het uit, alsof ik minuten onder water had gelegen. Ik ademde snel. ‘Roos, adem in en rust en adem uit,’ weer die stem. Ik liet me meevoeren en voelde langzaam mijn spieren ontspannen. Mijn hoofdpijn was gepromoveerd tot migraine en toen ik me rustiger voelde, rende ik naar de gang en gaf over.

Nu stond ik bij haar. Ik voelde spijt. Spijt van al die keren dat ik haar als oud vuil had behandeld. Spijt dat ik haar niet had kunnen vertellen wat ik had ontdekt. Dat ik voor een dag had geloofd dat we zussen waren en dat ik direct een verbinding met haar had gevoeld en dat toen ik erachter kwam dat we toch geen zussen waren die band voelbaar bleef. Dat ik met haar opnieuw wilde beginnen, maar het was te laat. Ze had me gebeld en ik had haar op dat moment weggedrukt. Ik kon haar niet spreken, zeker niet net na alle ontdekkingen die ik had gedaan. Ik moest eerst tot mezelf komen, maar zo was het altijd. Het ging altijd om mij. Nooit om haar en nu was ze er niet meer. Ze had geen bericht achtergelaten. Misschien had ik haar kunnen redden. Misschien had zij mij kunnen redden. Anna is dood, zelf gekozen en ik zal er nu voor kiezen haar liefdevol naar haar graf te begeleiden.

Theater

Vanavond ga ik met een vriendin naar het theater. We gaan een voorstelling zien en vooral beluisteren van the African mama’s. Dat zijn mooie donkere vrouwen met stemmen die rechtstreeks mijn ziel inschieten. Ik heb ze een keer eerder gezien, met diezelfde vriendin trouwens. Nu gaan we ter ere van mijn verjaardag, maar ik ga liever ter ere van onze vriendschap.

Een vriendschap met een vrouw heb ik altijd lastig gevonden. Ik begrijp vrouwen gewoon niet zo goed. Dat ik er zelf een ben doet daar niets aan af. Ik begrijp mezelf ook heel vaak niet.

Nu gaan we dus naar een voorstelling met alleen maar vrouwen in de hoofdrol. Mooie en krachtige vrouwen. Deze dames komen uit andere werelden. Toch voel ik een diepe connectie. Hun luide stem, hun ritme, al dat gevoel, dat raakt me en ik voel me ermee verbonden. Ooit was ik in Gambia op een feest en danste met de broer van een vriend van me. Een echte Gambiaanse man met heel veel gevoel voor muziek en ritme, levensritme. Wij dansten de hele avond. Dansen was voor hem een levensbehoefte, net zoals eten en schoon water. Hij had niet veel en in de muziek had hij alles. Zo mooi. We raakten in vervoering, alleen wij bestonden op dat moment en de muziek. Het ritme van de nacht. Toen de muziek even stopte keek hij me aan met zijn zwarte ogen, pakte mijn arm vast en zei: ‘Oh Bianca, you dance like a black woman.’ Een mooier compliment heb ik nooit meer gekregen. Kijken of ik er vanavond wat moves uit kan gooien.

Veertig

Mijn veertigste levensjaar stormt op me af. Eerst was ik een dertiger, daarna nog maar net negenendertig, toen was het dat ik pas over een half jaar veertig zou worden en nu, nu gaat het echt hard, nog zes nachtjes slapen, zoals mijn kinderen nauwgezet voor me bijhouden. Dan is het zo ver. Wat dan eigenlijk?

Uiteraard verandert er helemaal niets als ik zondag wakker word en ik veertig ben geworden. Maar toch, nu het zo dichtbij komt voelt het wel als iets groots. Het veertig zijn staat voor mij toch gelijk met volwassen zijn, met verantwoord bezig zijn, met “nu heb ik het leven wel door”- gevoel en met “de eerste helft is voorbij”-gedachte. Ongemerkt schieten die gedachten steeds vaker door mijn hoofd. Ik hecht er meer belang aan. Vaak denk ik aan mijn vader. Hij werd 35 jaar en dat vond ik toen ik 13 jaar was toch stiekem best wel oud. Inmiddels weet ik wel beter. 35 jaar is nog helemaal niet oud en veertig evenmin. Maar zeg dan zelf, is er ooit een mooie leeftijd om dood te gaan? Ik weet het niet. Zou iemand van 86 die nog vol in het leven staat klaar zijn om te sterven. De buitenwereld zegt dan ‘een mooie leeftijd om te gaan.’ Dat bepaalt toch iedereen voor zichzelf, wat een mooie leeftijd is?

Veertig kaarsjes zullen niet op mijn taart staan, maar ongemerkt laat ik deze dag ook niet voorbij gaan. Ik voel me dankbaar dat ik gezond ben en dat ik dit prachtige leven mag leiden. Ik schrijf dit op een moment dat ik moe ben, mijn hoofd vol aan het raken is met pijnscheuten en mijn nek vast zit. Maar ik zie het wel. Het geluk omringt me als een deken van dons. Ik kan er niet om heen en wil dit ook niet. Het is goed.
Ik ben dankbaar voor mijn man en kinderen en mijn familie en vrienden. Veertig zorgt voor stabiliteit, zekerheid, verantwoordelijkheid, maar zeker ook met geluk. Ik weet wie ik ben. Ik weet inmiddels een beetje hoe het leven in elkaar zit en ik weet waar het om draait. Aandacht en liefde, voor jezelf en voor de mensen om je heen. Dus, kom maar op met die taart. Ik zet er zelf wel een kaarsje op.

Anna (11)

Door mijn wimpers heen zag ik dokter De Graaf. Ze stond met een andere vrouw te praten. Mijn mond was droog en mijn keel deed pijn. Ik voelde me zo zwaar. Het leek wel alsof ik verlamd was. Mijn ledematen kwamen moeizaam in beweging. Dokter De Graaf kwam naar me toegelopen en legde een hand op mijn hoofd. Even leek het alsof mijn moeder weer naast me zat. Even die warmte van een hand, de veiligheid van een hand en de liefde van een hand. Wat één onderdeel van een lichaam al niet voor effect kan hebben. Maar het was niet mijn moeder. Met een ruk ging ik rechtop zitten. Ik voelde me helemaal niet veilig en dat in mijn eigen huis. Wat deden die mensen toch allemaal hier? Waarom gingen ze niet weg?

Ik herkende brigadier Maurits, maar er stonden nog meer mensen in mijn kleine appartement. Ik zag een man met een donkere volle baard en een groene jas aan. Hij stond tegen de muur geleund en schreef iets met een potlood in een boekje. Zijn telefoon ging en hij sprak te zacht zodat ik zijn stem niet kon horen. Hij zag er vriendelijk uit van een afstand. Hij was groot en grof gebouwd en voor zover ik kon zien had hij bruine ogen. Onder zijn jas droeg hij een bruine broek met bruine schoenen. Hij leek me geen politie-agent.
Op een keukenstoel zag ik nog een blonde vrouw met een fel geel met turquoise blauwe jas aan. Die jas herkende ik gelijk. Iemand met zo een jas had mijn moeder eens meegenomen naar het ziekenhuis. Wat moesten ze nu bij mij? Zou er een ambulance gebeld zijn en voor wie dan?
De laatste persoon die ik zag, stond met haar rug naar me toe. Een kleine vrouw met kort grijs haar en in een roze mantelpak. Die vrouw zorgde ervoor dat het voelde alsof ik wederom in een slecht toneelstuk was beland, eerst in het ziekenhuis en nu thuis. Het kwam allemaal steeds dichter bij.

‘Anna, ik wil dat je naar me kijkt en goed naar me luistert,’ zei dokter De Graaf. Ik keek haar aan. Ze begon te vertellen dat ze was gebeld door de politie en dat ze van brigadier Maurits mijn verhaal had aangehoord. Ze was geschokt en vond het allemaal heel erg voor me. Het was overduidelijk dat ik een traumatisch ervaring had gehad en daarom niet kon slapen en ook niet goed functioneerde. Zij ging me helpen. Het was beter als ik even naar een speciaal huis ging om een tijdje uit te rusten. Alle woorden vlogen langs me heen, maar alleen het stukje over uitrusten sprak tot mijn verbeelding. Mijn tas was al ingepakt en medicijnen zou ik in het “uitrusthuis” krijgen. Of er nog iemand gebeld moest worden, vroeg brigadier Maurits. Ik had Roos nog steeds niet gesproken en zij moest mij nog iets vertellen. Wilde ik dat wel weten eigenlijk?

De man met de baard kwam erbij staan en vroeg aan brigadier Maurits of ze al meer wist over de brand. Ik hoorde ze zachtjes iets tegen hem zeggen. Ik ving flarden op. “Dit is nu niet het moment. Ik weet het niet. Misschien moeten we die Arthur opzoeken. Duidelijk in de war. Lijkt me niet dat zij het heeft gedaan.” Brigadier Maurits merkte dat ik probeerde mee te luisteren en liep van me weg. De man liep mee. Hij keek me nog een keer aan en vertrok toen uit mijn appartement. Dokter De Graaf pakte mijn schoenen en jas. ‘Kom Anna, we vertrekken nu. Wil je nog dat we iemand voor je bellen? Je mag er ook nog over nadenken. Zeg het maar.’ Wat moest ik zeggen. Dat ze Arthur moesten bellen, de man die mijn hart had gebroken en de man die ik lief had gehad, maar die in de tussentijd een monster bleek te zijn. Natuurlijk was ook ik jong geweest toen hij me had verleid, maar dat was liefde. Neuken met je eigen kind was, hoe heette dat ook al weer? Ik kon er niet opkomen. Het leek wel of mijn hoofd gevuld zat met watten.
Of zouden ze Roos moeten bellen? De vrouw die ik altijd had bewonderd, om haar schoonheid, haar intelligentie en haar kracht. De vrouw die gekooid werd door haar vader, die geterroriseerd werd, die van buiten stoer was maar van binnen kapot ging. Was ik nog boos op haar? Wat wist ik nu eenmaal? Het enige dat ik wist was dat mijn leven beter had kunnen eindigen door het ongeluk. Dat ik beter voor dood achter was gelaten. Mijn hoofd deed pijn. Het was te veel om allemaal te bevatten. Hoe zou dit eindigen?

 

Roos (10)

Precies 37 minuten duurde de monoloog van moeder. Die 37 minuten waren om gevlogen. Ik had met aandacht geluisterd. Mijn tranen liepen over mijn wangen, maar moeder bleef onbewogen zitten in haar fauteuil. Ze wilde onder geen beding onderbroken worden. Vragen stellen moest ik uit mijn hoofd laten.

Ze had verteld over pa. Hoe zij door beider families aan elkaar gekoppeld waren. Moeder was opgegroeid in een vooraanstaand, welvarend en traditioneel gezin. Haar vader eiste dat zij ging trouwen met een man uit een goede familie en die huwelijkskandidaat zou verantwoordelijk worden voor het voortzetten van de goede naam en vermogen van de familie. Pa kwam uit een familie met ondernemers die hun fortuin in de levensmiddelen sector hadden vergaard. In het begin van het huwelijk leek het stel goed bij elkaar te passen. Pa verheerlijkte de grond waar moeder op liep en behandelde haar met respect en toonde haar zijn genegenheid. Van moeder werd verwacht dat zij snel een kind zou baren. Nu bleek dat zij in hun vijfde huwelijksjaar hem nog geen kind had geschonken, begon hij moeder steeds meer te negeren. Hij kwam soms dagen niet thuis en vertelde haar niet waar hij was geweest. Ze deelden alleen nog het bed op momenten dat werd ingeschat dat moeder ovuleerde. Dat kind moest er komen. Moeder ontdekte het van de minnaressen, maar zei daar niets over. Ze mocht de goede naam van de familie niet onteren. Ze werd depressief en probeerde met pillen en alcohol door de dag te komen. Alleen Gerard was een steun. Bij haar man kon ze niet terecht. Haar vader wilde niets weten van problemen en vriendinnen kwamen al lang niet meer over de vloer. Gerard luisterde, troostte en aanbad haar. Op een dag ontdekte moeder dat de vrouwen die pa lief had steeds jonger werden. Er kwamen zelfs meisjes van 16 jaar over de vloer, die hij meenam naar zijn kamer. Hij liep er niet voor weg en confronteerde moeder met zijn bedrog wetende dat ze hem nooit zou verlaten. Die pijn werd steeds erger en ze sloot zich steeds meer af van haar gevoel. Dagenlang lag ze op bed. Niets raakte haar meer. Gerard zag dat moeder er aan kapot ging, dat ze zichzelf verloor. Ze verloor haar glans. Aan de buitenkant zag ze er nog steeds mooi uit, maar dat was allemaal gefabriceerd. De binnenkant leed voortdurend en Gerard kon dat niet langer aanzien. Hij klopte op haar deur. Vaak deed ze de deur niet open of kwam er geen reactie. Hij zette dan haar lunch voor de deur die hij onaangeroerd twee uur later weer meenam. Maar na een aantal weken van eenzame opsluiting, liet ze hem binnen. Hij kuste haar direct. Het was een kus zoals ze al in geen jaar had gehad. Hij vertelde haar hoe mooi ze was en dat ze alles voor hem betekende. Hij wilde haar niet verliezen. Ze belandden in haar bed en bedreven de hele nacht de liefde. Het gebeurde één keer. Negen maanden kwam ik krijsend ter wereld.

Het geheim werd begraven. De baby zorgde voor een tijdelijke nabijheid tussen de partners. Na verloop van tijd verloor pa zichzelf weer in romances. Nu buiten de deur. Dat was een gunst die hij moeder verleende. Ik groeide op en bloeide uit tot een aantrekkelijke tiener. Een bos volle bruine krullen stonden uitdagend op mijn hoofd en mijn blik verraadde dat ik nergens angst voor had. Die onbezorgdheid en puberale stoerheid werd in de kiem gesmoord nadat pa de dag na mijn veertiende verjaardag mijn kamer binnen kwam toen ik lag te slapen. Hij kwam naast me liggen en legde zijn hand op mijn prille nog onaangetast borsten. Vele nachten bezocht hij mijn kamer en de aanrakingen werden steeds intiemer tot hij zelfs mijn maagdelijkheid van me afnam.

Moeder wist het en deed niets. Ze koos ervoor niets te doen. Ze verafschuwde wat er gebeurde, maar draaide haar rug naar me toe. Het was ieder voor zich en ik moest mijzelf zien te redden. Het was haar niet gelukt zichzelf te redden, laat staan dat ze mij kon behoeden voor het kwaad en ongeluk.

‘Je wilde de waarheid. Nu heb je de waarheid,’ zei ze en ze keek me met haar koele ogen aan. Seconden lang staarden we naar elkaar. ‘Het verhaal over Anna is waar, maar dat jullie zussen zijn is dus niet waar. Vertrek nu en laat me met rust.’

Ik vertrok en besloot nooit meer een voet binnen dit huis te zetten. Bij de deur zag ik Gerard de keuken in lopen. Hij had al die tijd in een hoek in de kamer gestaan. Ik had hem zien staan, maar nu liep hij weg. Iedereen vertrok op zijn eigen manier het einde tegemoet.

 

Strand

Ga je mee naar het strand?
schelpen zoeken, korrels rapen, golven breken,
luisteren naar het ruisen van de ruige wind.

Ga je mee naar het strand?
tenen onderdompelen in de zompige blubber, kwallen
oppotten, zand tussen je tanden laten knarsen.

Ga je mee naar het strand?
de zonnestralen laten branden op je neus, je plas laten gaan in de zee, ijsjes eten met gekleurde spikkels in hoorntjes.

Ga je mee naar het strand?
gooien met een gevonden deksel, jutten van flessen, takken en andere bruikbare materialen die toch ongebruikt blijven.

Ga je mee naar het strand
of blijf je liever zappen op de bank
of staren naar je nepleven op Facebook?

Ga toch mee!