Roos: Einde

Hij kwam binnen en pakte me vast. Zo stonden we zeker tien minuten. Ik liet het gebeuren. Het voelde goed. Al die jaren dat we naast elkaar hadden geleefd kwamen in dit moment samen en ik voelde me verbonden. Ik stelde hem geen vragen. Natuurlijk vroeg ik me wel af hoe hij wist dat ik hier was en waarom hij mij had gezocht, maar ik voelde aan dat alles op zijn plaats zou vallen als ik hem zijn gang zou laten gaan. Hij pakte mijn hand en we gingen op het slaapbankje van Anna zitten. Op de vloer lagen alle brieven en foto’s en schriftjes. Buiten begon het keihard te regenen en bliksemschichten vuurden vervaarlijk door het raam naar binnen. Hij begon te vertellen.

‘Ik heb je heel wat uit te leggen, lieve Roos. Ik weet al langer dat Arthur de vader van Anna is en dat die smeerlap misbruik van haar maakte. De moeder van Anna was zijn secretaresse en langzamerhand werd ze zijn maîtresse. Ze kregen Anna en het leek er in eerste instantie op dat Arthur kalmeerde. Hij had nu twee dochters en dat leek een gunstig effect te hebben op hem. Dat was niet van lange duur. De jaren gingen voorbij, de vrouwen kwamen en gingen. Je moeder berustte in de situatie, maar ik zag dat ze er aan kapot ging. Ze vermagerde, ging amper naar buiten en wilde alleen maar bij haar bloemen en planten zitten. Arthur nam Anna wel eens mee naar het huis en dat maakte haar kapot. Ik haatte hem op die momenten. Hij was vaak weg en jij dartelde zo puur mogelijk door het leven en dat grote huis heen. Tot op die ene dag. Jij was veranderd. Ik begreep niet wat er was gebeurd, maar later plakte ik alle gruwelijke puzzelstukjes aan elkaar en werd het me duidelijk. Nog veel later werd ook duidelijk dat Arthur een relatie was begonnen met Anna. Ik probeerde haar te waarschuwen, maar kon haar niet bereiken. Ze sloot zich af voor de buitenwereld en leefde alleen voor Arthur.
Twee weken geleden zag ik Anna in de stad. Ik was boodschappen gaan doen en besloot een broodje te eten in de boekwinkel. Jij was niet aanwezig, althans dat dacht ik. Anna had de tafels schoon gemaakt en liep naar achteren. Ik zag dat ze door de deur met het bordje “privé” uit mijn zicht verdween. Nog geen vijf minuten later rende ze door diezelfde deur naar de toiletten. Ze zag bleek en in haar ogen zag ik angst. Ik besloot ook naar toilet te gaan om te kijken wat er met haar aan de hand was. Ik hoorde haar braken en schreeuwen. Het leek alsof ze verscheurd werd door wilde honden. Hartverscheurend huilde ze. De deur met het bordje “privé” erop stond op een kier en ik liep naar achteren. Daar was het kantoor van Arthur. De deur naar zijn kantoor stond een klein beetje open en ik keek door een spleet. Daar zag ik Arthur met een vrouw. Haar bovenlichaam was naakt en ze lag voorovergebogen op zijn bureau. Zijn broek hing op zijn knieën en ik zag dat de rok van de vrouw omhoog op haar billen lag. Hij stootte zijn geslacht hard in haar. Hij kreunde en de vrouw tilde licht haar hoofd op. Hij trok aan haar haren en toen leek het alsof mijn wereld instortte. Die vrouw die hij bruut en wild bereed, was jij Roos.
Ik rekende mijn broodje af en reed naar het huis. Legde de boodschappen weg en besloot dat ik nu de dagboeken van je moeder moest lezen. De drang was te groot. Ik ging niet eens voorzichtig te werk. Ik pakte de doos met oude dagboeken en zocht naar de juiste datum en daar stond wat ik al die jaren al had vermoed, maar niet durfde onder ogen te zien. Daar stond het geschreven en ik wist gelijk dat dit de waarheid was en dat dit grote gevolgen zou hebben en dat ik nu niet langer in de schaduw zou blijven staan. Je moeder betrapte me in haar kamer en liet me zweren dat ik het je nooit zou vertellen. Ze verbrandde die dagboeken zodat jij ze niet meer kon vinden, één exemplaar liet ze over: een gecensureerde versie met halve waarheden. Ik wist niet wat ik moest doen. Ze dwong me, ze dreigde met ontslag, met schande, met me kapot maken. Ik wist het niet meer.
Op een avond besloot ik dat ik iets moest doen en reed naar de boekenwinkel. Ik had Arthur gebeld en gevraagd of hij naar de winkel wilde komen voor een belangrijke bestelling. Hij was binnen. Dat moest wel, want ik had zijn auto zien staan om de hoek. Ik liep naar achteren en opende de achterdeur. Ik besprenkelde de keuken met benzine,  liep voorzichtig door naar de winkel. In het café gedeelte gooide ik nog meer benzine, maar ook schoonmaakmiddelen. Ik stak een lap in brand en gooide die in de ruimte, rende vervolgens weg en bleef op een afstand staan kijken hoe de winkel in de hens vloog. Niet veel later, toen de brandweer inmiddels was gearriveerd, zag ik jou met Arthur voor het brandende pand staan. Alles was mislukt. Ik wilde hem doden, Roos. Hij moest bloeden voor wat hij allemaal heeft gedaan.’

Ik keek naar de grond en wist niet wat ik moest zeggen. Gerard staarde naar het plafond. Het verhaal was er in één ademteug uit gekomen.  En nu zaten we hier naast elkaar. Gerard was dus mijn vader en wilde mij redden. Hij wilde iedereen redden. Hij had een poging gewaagd mijn moeder te redden. Hij wilde Anna redden en nu mij. Al die jaren had ik een bijzondere band met hem gevoeld en al die jaren klopte dat dus. Ik had in een korte tijd een vader verloren, een zus gekregen en verloren, een moeder verloren en een vader erbij gekregen. Het verhaal voelde niet als een einde, maar als een begin. Het begin van een nieuw leven, voor mij, voor Gerard en voor Anna. Zij was vrij en ik bevrijd. Vanaf dit moment kon Arthur mij niet meer raken. Hij was niet kapot gemaakt door Gerard, hij was niet dood gegaan bij de brand, maar hij zou mij nooit meer raken. Hij zou geen enkel kind ooit meer kunnen raken.

EINDE

 

 

Roos (12)

Vanuit het ziekenhuis vertrok ik naar het huis van Anna. Dokter De Graaf had me haar sleutel gegeven en toen ik voor de deur stond moest ik even op adem komen voordat ik naar binnen kon. Ik had beloofd kleren voor Anna op te halen zodat ze mooi in haar kist zou liggen. Ik wist niet wat ik kon verwachten in het appartement. Ooit was ik er binnen geweest en onpasselijk geworden van de lucht die er hing en de kleine ruimte. Wat een naar mens ben ik toch. Ik had Anna altijd minderwaardig behandeld. Hoe kon ik dat toch doen?

Het appartement was uiteraard nog even klein en het rook er muf. Ik zette eerst een raam open en liep wat rond. Bekeek de boeken in haar kastje en zat even in haar leesstoel. Ik nam de tijd om de ruimte op me in te laten werken. Het was kleurrijk en creatief, eigenlijk zag het er best mooi uit. Alles paste op een gekke manier bij elkaar. Naast haar slaapbank, die nog uitgetrokken was, stond een klein kastje. Ik voelde een sterke behoefte daar in te kijken. Het lag er vol met schriftjes, brieven en papieren. Mijn ogen vlogen heen en weer over de pagina’s. Mijn handen begonnen te trillen en nadat ik een half uur had gelezen rende ik naar de badkamer om voor de tweede keer die dag mijn maag te legen. De brieven waren liefdesbrieven van Anna aan Arthur, allemaal retour gezonden. De inhoud werd hoe langer hoe meer wanhopiger. Ik kon niet geloven wat ik las. Anna had een relatie gehad met Arthur, de man die haar vader was. Ik vond ook nog een dagboek waarin ik las over hun ontmoetingen, over het vuurwerk waar Anna het over had en over haar ontdekking. Ze had ontdekt dat Arthur er meerdere vrouwen op na hield. Dat hij relaties had met jonge vrouwen en dat ze mij met hem in zijn kantoor had betrapt. Ze schreef over haar verdriet en angst.
Onderin het kastje stond een klein doosje. Ik opende het doosje en zag letterlijk het bewijs voor de woorden die ik net tot me had genomen. Foto’s van een naakte Anna en een naakte Arthur. Dat naakt dat ik vaker had gezien dan me lief was. Het werd me teveel.

Een paar uur later schrok ik wakker. Ik was blijkbaar in slaap gevallen op de slaapbank. Mijn haar klitte rond mijn mond en ik proefde het slijm dat uit mijn mond was gedropen en aan mijn kin zat geplakt. Het leek alsof de wereld er anders uitzag. Alle gebeurtenissen van de afgelopen dagen kwamen langs als ongenode gasten. Gasten die hun plek aan tafel opeisten en niet meer weg gingen. Ik moest de informatie in mijn hoofd ordenen. Ik moest nadenken. Ik wilde een glas water pakken toen de zoemer van de entreedeur ging. Het glas viel uit mijn handen. Wie wist er dat ik hier was? Misschien kwam Arthur Anna opzoeken. Wat moest ik doen? De zoemer bleef aanhouden en leek steeds luider te worden. Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn angst en ik opende de deur. Nooit had ik kunnen vermoeden dat hij naar boven zou komen. 

 

Anna (12)

Het speciale rusthuis bleek niets anders dan een ziekenhuis te zijn. De rit ernaar toe duurde een paar minuten en toen ik aankwam werd ik over gebracht naar een afgesloten gedeelte waar boven op de deur “psychiatrie” stond. Ik begreep onmiddellijk wat dat betekende. Ze geloofden me niet. Ze dachten dat ik gek was. Ik moest hier weg.

Dokter De Graaf was de hele tijd bij me gebleven in de ambulance. Ze toetste van alles in haar telefoon en keek af en toe zorgelijk naar mij. In het ziekenhuis werd ik verwelkomd door een jonge vrouw. Ze had de donkerste huid die ik ooit had gezien en hele kleine krulletjes die stijf tegen haar hoofd geplakt zaten. Ze nam mijn tas aan en begeleidde me naar een kamer. Ik installeerde me in bed en werd aan een infuus gelegd. Al snel was de kamer leeg en staarde ik naar het plafond. Ik was leeg en het leek wel of alle gedachten mijn lichaam hadden verlaten. Ook was ik ontdaan van ieder gevoel. Leeg was ik, een leeg omhulsel.

De deur werd met kracht opengegooid. Arthur kwam binnen gerend met een rood aangelopen hoofd en een dikke ader die wel leek te leven. ‘Wat heb jij allemaal gezegd? Stomme kleine koe.’ Hij trok aan mijn arm en het infuus schoot los. Hij schudde me heen en weer en het bed begon te bewegen. ‘Je moet je grote bek houden. Je weet niet waar je het over hebt en zeker niet met wie je te maken hebt,’ riep hij. Speeksel kwam uit zijn mond en belandde op mijn wang. ‘Ik heb helemaal niets gezegd. Alleen dat we van elkaar houden en dat wij vuurwerk samen hebben,’ jammerde ik zacht. Hij proestte het uit en riep: ‘van elkaar houden. Je bent niet goed wijs. Ik voel alleen maar minachting voor je. Het enige waar jij godverdomme goed voor bent is voor het openstellen van je benen. Ik wilde alleen je kut, niet het mens dat er aan vast hangt. Ik wil altijd alleen maar kut, welke dan ook. Die van je moeder, die van Roos of die van jou. Wat maakt mij dat uit. Je bent nog dommer dan je eruit ziet. Je hebt het ook nooit doorgehad van mij en je moeder. Ik was geen vriend van je moeder. Ik neukte haar, gewoon wanneer het mij uitkwam en zo ben jij ook ontstaan. Een foutje natuurlijk, maar toen ik zag hoe je opgroeide en hoe strak je in je vel zat, kon ik het niet weerstaan. Het bleek allemaal makkelijk te gaan, want jij was zo gewillig, zo naïef. Maar nu ben je te ver gegaan door de dokter te betrekken hierin. Ik heb altijd gezegd dat je onze relatie stil moest houden, nou ja, onze eenzijdige relatie dan. Maar je hebt je mond voorbij gepraat. Dat heb je al eerder geprobeerd en toen heb ik maatregelen getroffen. Ik moest jou stoppen. Helaas raakte ik je fiets onhandig waardoor de schade beperkt is gebleven.’ Ik trilde over mijn hele lichaam en voelde mijn bed nat worden. Ik liep leeg van angst en verdriet. Hij pakte mijn keel beet met beide handen en kneep mijn strot dicht. Hij zette meer kracht en ik voelde mijn eigen kracht, dat kleine beetje dat ik nog had, wegglijden. Ik sloot mijn ogen en verwelkomde de dood. Ik was er klaar voor. Dit leven was een aaneenschakeling van teleurstellingen en pijn geweest. Het was goed zo. Ik berustte in mijn lot. Opeens kreeg ik weer lucht en boog de donker getinte dokter zich boven me en vroeg waarom ik het bed had verschoven en het infuus er uit had getrokken.

In mijn tas zaten de nieuwe slaappillen die ik van dokter De Graaf had gekregen. Ze had een grote hoeveelheid gegeven, want dan kon ik vooruit, had ze gezegd. Daarbij had ik ook antidepressiva gekregen. Ik haalde alle pillen uit de verpakking. Ik vond ook nog wat paracetamol en diclofenac en ibuprofen. In mijn toilettas stopte ik altijd een paar doosjes van iedere soort, voor het geval dat. Nu was dat geval. Ik propte alles in mijn mond en nam een grote slok water om het weg te spoelen. Nog een hand met pillen en nog een slok water. Nog een strip leegmaken en doorslikken met water. Er was nog over. Ik nam alles en belde Roos. Ik wilde haar als laatste persoon spreken. Ik zou haar vertellen over Arthur. Dat hij gevaarlijk was, dat hij boos was, dat ze moest oppassen. De toetsen werden wazig. De telefoon ging over en over en over en sprong op voicemail. De telefoon viel uit mijn hand en ik viel mee, op reis naar de duisternis of misschien wel het licht.

 

Roos (11)

Ze lag in dat grote bed met die witte lakens en ik werd ontroerd. Het kijken naar haar deed me fysiek pijn. Ik voelde het ergens bij mijn hartstreek, een soort steek. Ze lag er vredig bij. Het leek alsof ze glimlachte, een flauwe glimlach. Dat wel, maar toch. Geen spoor van pijn of verdriet. Wat was ze bleek en wat zaten haar haren netjes voor haar doen. Op een bepaalde manier leek ze niet op zichzelf. Ze leek op een gestileerde en geëtaleerde versie van de vrouw die Anna heette. Voorzichtig kwam ik dichterbij. Ze hadden me alleen met haar gelaten. Een vrouw die zich voorstelde als brigadier Maurits stond op de gang te praten met dokter De Graaf. Ik kende dokter De Graaf al mijn hele leven. Ze was een jaargenoot van pa geweest. Zij had wel doorgezet op de universiteit en was uiteindelijk letterlijk onze huisarts geworden. Nooit hoefde ik naar haar praktijk om in de wachtruimte met posters over tekenbeten en uitstrijkjes voor de detectie van baarmoederhalskanker op plastic stoeltjes naar rustgevende klassieke muziek te luisteren en te wachten. Zij werd altijd ontboden en kwam dan thuis. Dat woord kon ik ook wel schrappen, want een thuis had ik niet meer.

Het was dokter De Graaf die me belde en vertelde dat er wat met Anna was gebeurd. Ze klonk geëmotioneerd en daar had ik de dokter nog nooit op betrapt. Ze was altijd zakelijk en koel tegen me en de meeste adviezen van haar waren in de trant van “stel je niet zo aan, eet gezond en sport.” Ze vroeg of ik naar het ziekenhuis kon komen. Dokter De Graaf wist dat Anna bij ons werkte en had in de telefoon van Anna gezien dat ze mij het laatste had gebeld, om die reden had ze contact gezocht, zeker ook omdat Anna verder geen familie meer had.

In het ziekenhuis werd ik eerst begroet door brigadier Maurits. Ze vroeg of ik koffie wilde. Door het bezoek aan mijn moeder was ik vergeten te lunchen en had al sinds 09.00 uur niets meer gedronken. Een kop koffie zou er wel ingaan. De brigadier kwam terug met twee plastic bekertjes lauwwarme koffie en vroeg me mee te komen naar een wachtkamer. Het was een kamer zoals zoveel kamers in een ziekenhuis, troosteloos. Er hing een poster van een zeegezicht op. De poster hing scheef en was vergeeld. Verder stond er een witte tafel met twee witte klapstoeltjes. In de hoek lagen vuilniszakken wat het geheel een luguber aanblik gaf. Het was overduidelijk niet de bedoeling dat degene die gebruik zou maken van deze kamer enig comfort kreeg. Ik nam een slok van mijn koffie en keek de brigadier aan. Ze schraapte haar keel en keek me met een schuin hoofd aan, haar blik verried dat er slecht nieuws aankwam. ‘Het is nooit eenvoudig dit bericht over te brengen. Uw vriendin Anna is overleden. We hebben haar in de badkamer van haar verblijf gevonden. Het is overduidelijk dat Anna haar dood zelf heeft gekozen. Het spijt me dit mee te moeten delen.’ Ik liet de koffie vallen en staarde naar de grond. Anna dood. Anna dood. De woorden bleven zich in mijn hoofd herhalen, steeds sneller en steeds luider. Anna dood, Anna dood, ANNA DOOD, ANNA DOOD. Ik pakte mijn sjaal en kneep er in totdat mijn vingers verkrampten. Ik voelde mijn nek stijf worden, al mijn spieren spanden zich samen. Mijn benen voelden zwaar, mijn hoofd begon te bonken. Anna dood. Zelf gekozen dood. Brigadier Maurits bleef me aankijken en vroeg of het wel ging. Ik wilde heel hard schreeuwen ‘Nee godverdomme, het gaat niet.’ Woorden stokten achter in mijn keel, mijn tong sloeg dubbel. Ik kreeg geen adem. Die sjaal moest uit, mijn jas ook. Wat is het hier godsgruwelijk heet. Anna dood. Brigadier Maurits liep weg. Ze zei iets, maar ik hoorde niets, alleen het bonzen van mijn hart of was dat het bonzen in mijn hoofd. Dokter De Graaf kwam binnen en hurkte voor me. Ze pakte mijn hoofd in haar handen en keek in mijn ogen. ‘Roos, haal adem,’ beval ze. Opeens voelde ik een kleine tik op mijn wang. Ik schrok en proestte het uit, alsof ik minuten onder water had gelegen. Ik ademde snel. ‘Roos, adem in en rust en adem uit,’ weer die stem. Ik liet me meevoeren en voelde langzaam mijn spieren ontspannen. Mijn hoofdpijn was gepromoveerd tot migraine en toen ik me rustiger voelde, rende ik naar de gang en gaf over.

Nu stond ik bij haar. Ik voelde spijt. Spijt van al die keren dat ik haar als oud vuil had behandeld. Spijt dat ik haar niet had kunnen vertellen wat ik had ontdekt. Dat ik voor een dag had geloofd dat we zussen waren en dat ik direct een verbinding met haar had gevoeld en dat toen ik erachter kwam dat we toch geen zussen waren die band voelbaar bleef. Dat ik met haar opnieuw wilde beginnen, maar het was te laat. Ze had me gebeld en ik had haar op dat moment weggedrukt. Ik kon haar niet spreken, zeker niet net na alle ontdekkingen die ik had gedaan. Ik moest eerst tot mezelf komen, maar zo was het altijd. Het ging altijd om mij. Nooit om haar en nu was ze er niet meer. Ze had geen bericht achtergelaten. Misschien had ik haar kunnen redden. Misschien had zij mij kunnen redden. Anna is dood, zelf gekozen en ik zal er nu voor kiezen haar liefdevol naar haar graf te begeleiden.

Anna (11)

Door mijn wimpers heen zag ik dokter De Graaf. Ze stond met een andere vrouw te praten. Mijn mond was droog en mijn keel deed pijn. Ik voelde me zo zwaar. Het leek wel alsof ik verlamd was. Mijn ledematen kwamen moeizaam in beweging. Dokter De Graaf kwam naar me toegelopen en legde een hand op mijn hoofd. Even leek het alsof mijn moeder weer naast me zat. Even die warmte van een hand, de veiligheid van een hand en de liefde van een hand. Wat één onderdeel van een lichaam al niet voor effect kan hebben. Maar het was niet mijn moeder. Met een ruk ging ik rechtop zitten. Ik voelde me helemaal niet veilig en dat in mijn eigen huis. Wat deden die mensen toch allemaal hier? Waarom gingen ze niet weg?

Ik herkende brigadier Maurits, maar er stonden nog meer mensen in mijn kleine appartement. Ik zag een man met een donkere volle baard en een groene jas aan. Hij stond tegen de muur geleund en schreef iets met een potlood in een boekje. Zijn telefoon ging en hij sprak te zacht zodat ik zijn stem niet kon horen. Hij zag er vriendelijk uit van een afstand. Hij was groot en grof gebouwd en voor zover ik kon zien had hij bruine ogen. Onder zijn jas droeg hij een bruine broek met bruine schoenen. Hij leek me geen politie-agent.
Op een keukenstoel zag ik nog een blonde vrouw met een fel geel met turquoise blauwe jas aan. Die jas herkende ik gelijk. Iemand met zo een jas had mijn moeder eens meegenomen naar het ziekenhuis. Wat moesten ze nu bij mij? Zou er een ambulance gebeld zijn en voor wie dan?
De laatste persoon die ik zag, stond met haar rug naar me toe. Een kleine vrouw met kort grijs haar en in een roze mantelpak. Die vrouw zorgde ervoor dat het voelde alsof ik wederom in een slecht toneelstuk was beland, eerst in het ziekenhuis en nu thuis. Het kwam allemaal steeds dichter bij.

‘Anna, ik wil dat je naar me kijkt en goed naar me luistert,’ zei dokter De Graaf. Ik keek haar aan. Ze begon te vertellen dat ze was gebeld door de politie en dat ze van brigadier Maurits mijn verhaal had aangehoord. Ze was geschokt en vond het allemaal heel erg voor me. Het was overduidelijk dat ik een traumatisch ervaring had gehad en daarom niet kon slapen en ook niet goed functioneerde. Zij ging me helpen. Het was beter als ik even naar een speciaal huis ging om een tijdje uit te rusten. Alle woorden vlogen langs me heen, maar alleen het stukje over uitrusten sprak tot mijn verbeelding. Mijn tas was al ingepakt en medicijnen zou ik in het “uitrusthuis” krijgen. Of er nog iemand gebeld moest worden, vroeg brigadier Maurits. Ik had Roos nog steeds niet gesproken en zij moest mij nog iets vertellen. Wilde ik dat wel weten eigenlijk?

De man met de baard kwam erbij staan en vroeg aan brigadier Maurits of ze al meer wist over de brand. Ik hoorde ze zachtjes iets tegen hem zeggen. Ik ving flarden op. “Dit is nu niet het moment. Ik weet het niet. Misschien moeten we die Arthur opzoeken. Duidelijk in de war. Lijkt me niet dat zij het heeft gedaan.” Brigadier Maurits merkte dat ik probeerde mee te luisteren en liep van me weg. De man liep mee. Hij keek me nog een keer aan en vertrok toen uit mijn appartement. Dokter De Graaf pakte mijn schoenen en jas. ‘Kom Anna, we vertrekken nu. Wil je nog dat we iemand voor je bellen? Je mag er ook nog over nadenken. Zeg het maar.’ Wat moest ik zeggen. Dat ze Arthur moesten bellen, de man die mijn hart had gebroken en de man die ik lief had gehad, maar die in de tussentijd een monster bleek te zijn. Natuurlijk was ook ik jong geweest toen hij me had verleid, maar dat was liefde. Neuken met je eigen kind was, hoe heette dat ook al weer? Ik kon er niet opkomen. Het leek wel of mijn hoofd gevuld zat met watten.
Of zouden ze Roos moeten bellen? De vrouw die ik altijd had bewonderd, om haar schoonheid, haar intelligentie en haar kracht. De vrouw die gekooid werd door haar vader, die geterroriseerd werd, die van buiten stoer was maar van binnen kapot ging. Was ik nog boos op haar? Wat wist ik nu eenmaal? Het enige dat ik wist was dat mijn leven beter had kunnen eindigen door het ongeluk. Dat ik beter voor dood achter was gelaten. Mijn hoofd deed pijn. Het was te veel om allemaal te bevatten. Hoe zou dit eindigen?

 

Roos (10)

Precies 37 minuten duurde de monoloog van moeder. Die 37 minuten waren om gevlogen. Ik had met aandacht geluisterd. Mijn tranen liepen over mijn wangen, maar moeder bleef onbewogen zitten in haar fauteuil. Ze wilde onder geen beding onderbroken worden. Vragen stellen moest ik uit mijn hoofd laten.

Ze had verteld over pa. Hoe zij door beider families aan elkaar gekoppeld waren. Moeder was opgegroeid in een vooraanstaand, welvarend en traditioneel gezin. Haar vader eiste dat zij ging trouwen met een man uit een goede familie en die huwelijkskandidaat zou verantwoordelijk worden voor het voortzetten van de goede naam en vermogen van de familie. Pa kwam uit een familie met ondernemers die hun fortuin in de levensmiddelen sector hadden vergaard. In het begin van het huwelijk leek het stel goed bij elkaar te passen. Pa verheerlijkte de grond waar moeder op liep en behandelde haar met respect en toonde haar zijn genegenheid. Van moeder werd verwacht dat zij snel een kind zou baren. Nu bleek dat zij in hun vijfde huwelijksjaar hem nog geen kind had geschonken, begon hij moeder steeds meer te negeren. Hij kwam soms dagen niet thuis en vertelde haar niet waar hij was geweest. Ze deelden alleen nog het bed op momenten dat werd ingeschat dat moeder ovuleerde. Dat kind moest er komen. Moeder ontdekte het van de minnaressen, maar zei daar niets over. Ze mocht de goede naam van de familie niet onteren. Ze werd depressief en probeerde met pillen en alcohol door de dag te komen. Alleen Gerard was een steun. Bij haar man kon ze niet terecht. Haar vader wilde niets weten van problemen en vriendinnen kwamen al lang niet meer over de vloer. Gerard luisterde, troostte en aanbad haar. Op een dag ontdekte moeder dat de vrouwen die pa lief had steeds jonger werden. Er kwamen zelfs meisjes van 16 jaar over de vloer, die hij meenam naar zijn kamer. Hij liep er niet voor weg en confronteerde moeder met zijn bedrog wetende dat ze hem nooit zou verlaten. Die pijn werd steeds erger en ze sloot zich steeds meer af van haar gevoel. Dagenlang lag ze op bed. Niets raakte haar meer. Gerard zag dat moeder er aan kapot ging, dat ze zichzelf verloor. Ze verloor haar glans. Aan de buitenkant zag ze er nog steeds mooi uit, maar dat was allemaal gefabriceerd. De binnenkant leed voortdurend en Gerard kon dat niet langer aanzien. Hij klopte op haar deur. Vaak deed ze de deur niet open of kwam er geen reactie. Hij zette dan haar lunch voor de deur die hij onaangeroerd twee uur later weer meenam. Maar na een aantal weken van eenzame opsluiting, liet ze hem binnen. Hij kuste haar direct. Het was een kus zoals ze al in geen jaar had gehad. Hij vertelde haar hoe mooi ze was en dat ze alles voor hem betekende. Hij wilde haar niet verliezen. Ze belandden in haar bed en bedreven de hele nacht de liefde. Het gebeurde één keer. Negen maanden kwam ik krijsend ter wereld.

Het geheim werd begraven. De baby zorgde voor een tijdelijke nabijheid tussen de partners. Na verloop van tijd verloor pa zichzelf weer in romances. Nu buiten de deur. Dat was een gunst die hij moeder verleende. Ik groeide op en bloeide uit tot een aantrekkelijke tiener. Een bos volle bruine krullen stonden uitdagend op mijn hoofd en mijn blik verraadde dat ik nergens angst voor had. Die onbezorgdheid en puberale stoerheid werd in de kiem gesmoord nadat pa de dag na mijn veertiende verjaardag mijn kamer binnen kwam toen ik lag te slapen. Hij kwam naast me liggen en legde zijn hand op mijn prille nog onaangetast borsten. Vele nachten bezocht hij mijn kamer en de aanrakingen werden steeds intiemer tot hij zelfs mijn maagdelijkheid van me afnam.

Moeder wist het en deed niets. Ze koos ervoor niets te doen. Ze verafschuwde wat er gebeurde, maar draaide haar rug naar me toe. Het was ieder voor zich en ik moest mijzelf zien te redden. Het was haar niet gelukt zichzelf te redden, laat staan dat ze mij kon behoeden voor het kwaad en ongeluk.

‘Je wilde de waarheid. Nu heb je de waarheid,’ zei ze en ze keek me met haar koele ogen aan. Seconden lang staarden we naar elkaar. ‘Het verhaal over Anna is waar, maar dat jullie zussen zijn is dus niet waar. Vertrek nu en laat me met rust.’

Ik vertrok en besloot nooit meer een voet binnen dit huis te zetten. Bij de deur zag ik Gerard de keuken in lopen. Hij had al die tijd in een hoek in de kamer gestaan. Ik had hem zien staan, maar nu liep hij weg. Iedereen vertrok op zijn eigen manier het einde tegemoet.

 

Anna (10)

De politievrouw die tegenover me stond vroeg of ze binnen mocht komen. Ze wilde met me praten. Ik schuifelde naar achteren en liet haar binnen. Onhandig stonden we tegenover elkaar in het kleine halletje. ‘Zullen we even gaan zitten? Dat praat wat makkelijker.’ Ik wist niet wat ik moest doen. Ze was nu al binnen en ik kon geen kant op. Alles in mijn lichaam verzette zich. Ik wilde niet praten. Het liefste zette ik het nu op een rennen. Weg van hier. Wat kwam deze vrouw in uniform met haar korte blonde haren en helder blauwe ogen doen? Waarover moesten we praten? Ik had geen idee.

‘Hoe gaat het met je?’ vroeg ze. ‘We zijn nog steeds bezig met het onderzoek naar het ongeluk. Kun je me al meer vertellen? Herinner je nog dat we elkaar in het ziekenhuis hadden gesproken?’ Ze keek me aan en haar stem voerde me terug naar die witte kamer en dat koude bed. Ik was binnen gebracht en de volgende dag, nadat ik volledig bij bewustzijn was en het nieuws over de baby had gekregen, kwam een vrouw bij me op bezoek. Eerst dacht ik dat het weer een dokter was, maar aan haar uniform te zien was ze van de brandweer of de politie. Dat wist ik zo snel niet. Ze stelde zich voor als brigadier Maurits. Ik weet nog dat ik toen dacht: ‘Maurits is wel een vreemde naam voor een vrouw,’ maar dat bleek haar achternaam te zijn. Ze pakte een stoel en ging naast me zitten. Ze stelde toen ook al veel vragen. Over hoe het met me ging, of ik wist wat er was gebeurd en dat ze onderzocht wie me had aangereden. Kon ik me misschien iets herinneren, iets over de dader? Wat dan ook. Alles zou kunnen helpen. Ik vertelde haar niets. Staarde naar buiten en hield mijn kaken op elkaar. Natuurlijk wist ik wie het had gedaan. Ik had hem geroken en gevoeld. Het kon niemand anders zijn dan diegene die ik lang lief had gehad. Diegene waarvan ik dacht dat hij ook van mij hield en alleen van mij. Dat bleek niet zo te zijn. Ik had ze samen gezien op kantoor. Hij zat aan haar haar, streek de wilde krullen glad, liet zijn vinger langs haar hals glijden en maakte haar blouse los. Meer had ik niet gezien. Met mijn hand voor mijn mond rende ik naar de wc en gaf drie maal over. Ik zakte neer op de wc vloer en huilde. Alles deed pijn, maar de shock was nog groter. Ik kon niet geloven wat ik zag. Mijn ogen hadden me verraden. Hij had niet alleen een ander lief, maar die ander was zijn eigen bloed. Ik wist niet veel van liefde, maar het lief hebben van je eigen bloed was walgelijk, misdadig, duivels. Deze man, die lang mijn kompaan was, aan wie ik mijn ziel had gegeven en die mij vuurwerk had bezorgd, neukte zijn dochter. Roos had er bang uitgezien, dus ik vermoedde dat het niet vrijwillig was. Het duizelde en ik rende weg.

‘Kun je me dan niets vertellen?’ vroeg brigadier Maurits. Ze was gaan zitten in mijn leesstoel en ik stond nog steeds met mijn rug tegen de muur. Zo voelde het ook. ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik wil niet praten. Ik weet niets,’ stamelde ik onhandig. Eigenlijk wilde ik andere woorden gebruiken. Woorden waaruit zou blijken dat ik niet stom was, maar ze kwamen niet. Ik staarde naar mijn voeten en zag dat ik twee verschillende sokken aan had, een blauwe en een grijze.
‘Vertel me dan wat je nog wel herinnert van die avond. Waar kwam je vandaan? Waar ging je naar toe? Dat soort dingen.’ Ze bleef volhouden. Ze zat op haar gemak in mijn stoel en ik wilde dat ze weg ging. Ga toch weg en laat me met rust. De stem in mijn hoofd werd steeds sterker en voordat ik het wist riep ik naar haar: ‘Ga weg, stom mens. Ik vertel jou niets. Ik vertel het tegen niemand. Niemand weet van de baby. Ook niet dat Arthur de vader is en dat hij zijn dochter neukt en dat hij zei dat hij van mij hield en dat hij weg moet en mij heeft aanreden met die stomme auto van hem. Weg. Allemaal moeten ze weg. Ik weet alles over hem en haar en ik heb tegen hem gezegd dat het moet stoppen. Hij moest bij mij blijven en mij vuurwerk geven. Ik wilde weer kleurtjes zien, maar nu was hij met haar in dat stomme kantoor. Mijn moeder is ook al dood en de baby ook en misschien ga ik nu ook dood. Dood is misschien ook maar beter. Mijn slaappillen zijn al weer op en ik wil gewoon weer slapen. Ga dus nu weg en kom nooit meer terug.’

Brigadier Maurits ging allerminst weg. Ze belde een collega en nog iemand en ging thee voor me zetten. Voorlopig ging ze niet weg zei ze tegen me, maar ik mocht wel in bed gaan liggen. Als ik dan te moe werd dan zou zij me instoppen en kon ik gaan slapen. Ze trok mijn slaapbank uit. Ik ging liggen en dacht aan Roos en aan mijn moeder en aan de baby. Zou Roos nog komen of mijn moeder?

Roos (9)

Voordat ik naar Anna reed ging ik terug naar mijn ouderlijk huis. Het grote huis met de vleugels en de enorme tuin. Als kind vond ik het heerlijk om door de gangen te rennen en me te verstoppen op allerlei vreemde plekjes. Gerard deed altijd mee en had een eindeloos geduld. Ik koesterde veel fijne herinneringen aan hem. Hij zorgde dat het huis een thuis voor me werd, dat er chocolademelk in de winter voor me klaar stond als ik uit school kwam, dat er altijd voldoende tijd was voor spelletjes en later hoorde hij al mijn puber klaagzangen aan. Hij was meer dan een butler. Hij was een huisvriend, in ieder geval was hij mijn vriend. Het was niet aardig van me om zo bot tegen hem te zijn de laatste keer dat ik hem zag. Dat verdiende hij niet.

Moeder sprak nooit over Gerard. Ze sprak uiteraard wel tegen hem en ik wist dat hij haar regelmatig gezelschap hield, maar ze behield altijd een bepaalde mate van afstand tot hem. Ik wilde moeder confronteren met wat ik had gelezen, maar hoe kon ik dat doen zonder te laten merken dat ik haar dagboek had gestolen? Misschien moest ik voor het eerst moedig zijn en de confrontatie volledig aangaan en toegeven wat ik had gedaan. Dat stond toch immers in geen verhouding tot wat zij en pa mij hadden aangedaan? Al die jaren. Al die jaren dat ik met Anna samen werkte. Nou ja, dat zij voor ons werkte. Al die jaren dat we in elkaars gezelschap verkeerden. Anna leek totaal niet op mij. Het verschil kon niet groter, alsof ik de stralende zon was en zij de droeve mist. Zij zag altijd bleek, haar haren plakten aan haar hoofd in slierten waardoor het nog dunner leek dan het was en ze was stevig gebouwd. Maar die ogen. Dat me dat nooit was opgevallen. Ze had twee verschillende kleuren ogen, een groene en een bruine. Nu ik haar in gedachten goed bekeek zag ik het overduidelijk. Hoe vaak komt het voor dat mensen twee verschillende kleuren ogen hebben? En, hoe vaak komt het voor dat deze mensen in dezelfde winkel werken? Ik had me nooit zo met haar bezig gehouden; eigenlijk boeide ze me niet, net zoals de rest van het personeel, maar nu zag ik de overeenkomst overduidelijk. Pa werkte formeel niet in de winkel, maar hij hing er zo vaak rond dat alle klanten hem bijna elke dag tegen het lijf konden lopen. Hij zat veel in zijn kantoor, maar besteedde ook veel tijd aan de uitstraling van de winkel. Alle boeken moesten netjes in de kasten staan, de posters voor optredens moesten op strategisch zichtbare plaatsen hangen en de keuken moest er spik en span uitzien. Eigenlijk bemoeide pa zich met alles en ook veel met Anna. De dochter met dezelfde ogen.

Bij moeder zou ik beginnen met die ogen. Ik voelde de zenuwen in mijn lijf gieren, mijn handpalmen nat en mijn mond droog. Ik dronk voordat ik naar binnen ging wat water. Moeder vond het niet goed dat ik een huissleutel had, ze was gesteld op haar privacy, dus ik moest aanbellen. Gerard deed open en keek me met een bezorgde blik aan. ‘Je had niet terug moeten komen. Mevrouw is woedend. Ik weet wat je hebt gedaan. Laat het rusten en ga terug naar huis.’ Hij hield de deur half gesloten. Dit was de eerste keer dat hij zo fel tegen me sprak. ‘Ik zeg dit voor je eigen veiligheid. Mevrouw vreest publiciteit als jij die beerput opent en jij weet half niet welke geheimen nog meer verstopt zitten in deze put. Geloof me, ga!’ Ik was verbijsterd. De spanning vertrok van mijn onderbuik naar mijn gezicht en deed het gloeien. ‘Wees moedig,’ zei ik in mezelf. ‘Gerard, je kunt me niet beletten mijn eigen moeder op te zoeken en mijn ouderlijk huis te betreden. Laat me er door. Ik dank je voor je bezorgdheid en je hulp, maar ik kan het aan.’ Hij hield nog steeds de deur half gesloten. ‘Je weet gewoon niet waar je aan begint. Doe het niet!’ Zijn ogen werden glazig en mijn adem stokte. ‘Ik weet alles al Gerard. Ik heb het dagboek gelezen en ik weet het van Anna en pa. Hoe kun je dit al die jaren voor me verborgen hebben gehouden? Ik dacht dat wij een band hadden.’ Ik duwde de deur open en daarmee raakte Gerard uit balans. ‘Waar is ze?’ schreeuwde ik. ‘Moeder, wij moeten praten.’

Moeder liep de lange trap naar beneden. Ze keurde me geen blik waardig, liep naar de bibliotheek en ging op een stoel zitten. Ik liep achter haar aan en voelde een rilling langs mijn nek naar beneden glijden. Ik kreeg het koud. Mijn handen werden klam, mijn tenen en voeten voelden aan als ijs en mijn maag keerde zich een paar keer om. Dit was het moment. Ik was er klaar voor. Klaar om de waarheid in mijn gehoor te verwelkomen, maar wat ik kreeg te horen was iets waardoor mijn wereld opnieuw op zijn kop zou komen te staan voor de tweede keer vandaag.

Anna (9)

Wat moest ik nu doen? Ik was altijd al een teleurstelling voor Roos, maar nu zou ze ook nog een reden hebben om me te minachten. Wat gebeurde er toch allemaal? De brand, het ongeluk, de baby? Het was te veel om te bevatten.

Ik werkte al lang voor Arthur. Hij was bevriend geweest met mijn moeder, kwam vaak bij ons over de vloer en hielp ons gezin op alle mogelijke manieren. Mijn moeder sprak niet veel over hem, alleen dat hij een vriend van de familie was geweest. Nu had ik niet veel familie, mijn vader was al gestorven voor mijn geboorte en ook kwamen er verder niet veel vrienden van mijn moeder over de vloer, dus ik had Arthur altijd gemogen. Hij was een vriendelijke grappige man die altijd boodschappen mee bracht. Ook keek hij mij altijd aan alsof ik bijzonder was. Hij gaf mij aandacht en wilde altijd dicht bij me zijn. Ik kon me nog goed herinneren dat hij soms met ons op vakantie ging. We gingen zelden weg, want mijn moeder had een hekel aan reizen, maar als we gingen dan verbleven we op een afgelegen eiland met een eigen huis en zwembad. Arthur bezocht ons dan regelmatig en soms bleef hij een hele week. Hij zwom dan met me, smeerde me in en stopte me altijd in bed. Later toen ik in de pubertijd kwam, haalde hij me spontaan op en nam een dagje mee. We winkelden; hij kocht jurken voor me en vertelde hoe prachtig ik in zijn ogen was. Niemand had ooit gezegd dat ik prachtig was. Mijn moeder gaf me wel complimenten en verder was ze ook heel lief voor me; ik herinner me een gelukkige jeugd, maar ze vertelde me nooit dat ik prachtig was. Na verloop van tijd kreeg ik, als hij me weer eens meenam, een bepaald gevoel in mijn onderbuik van hem. Hij keek me altijd doordringend aan en kamde mijn haar met zijn vingers achter mijn flaporen. Hij zei dan dat ik zo ontzettend mooi was dat het hem soms pijn deed mij aan te kijken. We liepen dan hand in hand. Veel mensen keken ons dan na. Ik was 15 jaar en hij had vele lentes meer op de jaarteller staan. Het kon mij niets schelen. Ik hield van hem. Mijn moeder vond het goed dat we elkaar vaak zagen en zag niet dat er meer groeide. Arthur vond het niet goed dat ik mijn gevoelens deelde met mijn moeder. Dat was niet nodig zij hij. Het was ons geheim. Op een dag nam hij me mee uit eten naar een mooi restaurant waar ook een hotel bij hoorde. Voordat we gingen eten liet hij de kamer zien die hij had gereserveerd. Hij zei dat we ook in de kamer konden eten en trok me naar zich toe. Ik voelde de spanning in de kamer. Op school had ik wel eens iets gehoord over zoenen en jongens en zelfs een klein beetje over seks, maar ik had geen enkele ervaring. Ik had mijn blauwe jurk aan die ik van hem had gehad en een zwarte panty. Hij ging voor me zitten en trok mijn schoenen uit. Heel langzaam. Ik wilde iets zeggen, maar hij keek me aan met een blik dat ik stil moest zijn. Na mijn schoenen trok hij mijn panty naar beneden. Ik kreeg het warm en voelde van alles branden op plaatsen waar ik normaal nooit iets had gevoeld. Hij gleed met zijn vingers langs mijn benen, steeds verder naar beneden. De panty gooide hij op de grond. Hij stond op en trok nu mijn jurk uit en kuste mijn nek. Hij zei dat ik mijn ogen dicht moest doen en voelen. Dat deed ik. Ik voelde dingen waar ik zelfs geen woorden voor had. Hij kleedde zich ook uit en we gingen op bed liggen. Ik voelde me steeds warmer worden en tussen mijn benen werd het nat. Hij gleed met zijn vingers langs mijn borsten naar beneden en raakte mijn vagina aan. Hij friemelde en stak zijn vinger naar binnen. Ik wist niet eens dat dat kon, maar kon op dat moment niet meer denken. Mijn hoofd tolde, vloedgolven kwamen op en vertrokken weer. Steeds sneller, op het ritme van zijn vinger. Hij stopte en kwam op me liggen. Opeens stak er iets anders in me, dat deed even pijn. Ik raakte bijna in paniek, maar hij kuste me en fluisterde dat het goed was. ‘Ontspan je maar en laat je helemaal gaan’, zei hij. Hij bewoog net zoals zijn vinger op en neer, eerst rustig en daarna sneller. Hij hijgde ook steeds sneller en harder. Ik hoorde mezelf opeens kreunen. Ik wist niet waar het vandaan kwam, maar het gevoel werd steeds heftiger. Het leek alsof er vuurwerk in me ontstoken was. Pijlen schoten in de lucht. De explosies werden steeds groter en groter. Ik slaakte een gil en was even opgestegen uit mijn lichaam en zweefde naar een groot paars licht. Paar was mijn lievelingskleur. Al die tijd had ik mijn ogen gesloten. Ik opende ze toen ik voelde dat ik was neergedaald.

Al die jaren was hij de enige die mij lief had en mij vuurwerk bezorgde. Vaak zag ik paars, maar ook andere kleuren kwamen voorbij. We spraken er met niemand over. Het was dan ook overduidelijk dat hij de vader van de baby was. Ik zou het hem nooit vertellen, want anders zou hij nooit meer langskomen. Het vuurwerk was het enige dat kleur aan mijn leven gaf. Ik had geen vrienden, mijn hele familie was sinds het overlijden van mijn moeder dood en ik zou nooit verkering krijgen. Roos kon het niet weten. Onmogelijk. Of toch niet? Er zat niets anders op dan met haar te praten. Ze wist van het ongeluk, maar dat was het niet. Zij wilde iets vertellen. Dan moest het over de brand gaan. Ik zat nog in gedachten toen de voordeurbel ging.

Roos (8)

We hadden toch een duidelijke afspraak en nu is Anna niet op komen dagen. Ongelooflijk. Ik wilde haar vertellen dat ik het wist. Ze moest toch de waarheid ook kennen? Of zou ze het al weten en was ze daarom niet komen opdagen? Ik kon haar wel wat aandoen, maar ook weer niet. Nu ik de waarheid wist, alle puzzelstukjes op hun plaats waren gevallen, nu kon ik toch niet doorgaan met haar zo te behandelen zoals ik altijd deed, als voetveeg? Wat een rotzooi toch allemaal. Ik dacht dat ik wist wie ik was, dat ik wist waar ik vandaan kwam, maar na vandaag is alles op zijn kop gezet. Alle waarheden zijn weggespoeld als het sop in de gootsteen. Ik had het nooit gemerkt. Hoe blind was ik al die jaren. Al die tijd dat Anna in de buurt was, had ik niets in de gaten. Dat verdomde dagboek. Ik ging antwoorden zoeken en vond een waarheid die ik liever in de schaduw had gelaten.

Het dagboek lag op mijn keukentafel. Toen ik het had gevonden, het lag te pronken in een van de lades van de secretaire van moeder, had ik onmiddellijk geweten dat dit het dagboek was. Het had een dikke zware zwarte kaft, het papier was dun en hier en daar gekreukeld en vergeeld. Het handschrift van moeder was duidelijk. Ze schreef met vulpen. Het dagboek was dik en ging al vele jaren mee. Ik bladerde er door heen en zag soms een korte notitie over een dag en soms een langere verhandeling van wel drie pagina’s. Ik voelde dat ik een schat in handen had. Met deze schat kon ik ook mijn moeder beter leren kennen. Ik hoorde voetstappen op de trap, ik stopte het dagboek in mijn tas en glipte de kamer uit. Ik liep Gerard tegen het lijf. ‘Dag mevrouw Roos. Ik wist niet dat u er was. Blijft u dineren? Dan zorg ik dat de keuken op de hoogte is van uw verblijf.’ De beste man liep gebogen. De jaren begonnen hem zwaar te vallen. Hij was al mijn hele leven en nog langer in dienst van het huis. Hij regelde alles en stond altijd fier rechtop. Nu zag ik een gebroken man, een man met pijn en een vermoeide blik in zijn ogen. ‘Nee Gerard, ik blijf niet. Ik kwam alleen iets ophalen, maar moet nu rennen. Dag.’ Ik glipte zo snel als ik kon langs hem heen en rende de trap af. Hij mocht niet weten dat ik het dagboek had meegenomen. Moeder zal vanavond ontdekken dat het weg is en furieus zijn. Gerard zou de schuld krijgen. Dat speet me, maar het kon nu niet anders.

Ik reed naar het bos en parkeerde mijn auto. Ik kon niet wachten met lezen en pakte het dagboek. De geur van moeder drong zich binnen in mijn neus. Ik kreeg het er warm van. Trok mijn sjaal los en begon met lezen. De eerste jaren met pa kwamen aan bod. Ze schreef over haar huwelijk, over de problemen daarbinnen en over het gedrag van pa dat, na de pagina’s vorderden, steeds grilliger werd. Alle geheimen werden toevertrouwd aan deze pagina’s. Ik stelde de me voor dat ze uren achter elkaar schreef. Dat er soms een traan het papier raakte en daardoor de inkt wat vlekkerig was op de pagina, maar alle zinnen waren even zorgvuldig neergelegd op de lijntjes van het papier. Zelfs in de diepste emotie zag ik beheersing. Opeens voelde ik een immens respect voor mijn moeder. Ze had nooit iets laten blijken. Nooit deelde ze haar emoties en nooit sprak ze over haar echtgenoot. Die echtgenoot die aan een huwelijk met haar overduidelijk niet genoeg had. Hij had affaires met de kindermeisjes, met de schoonmaaksters, met vriendinnen van moeder en met vele anderen. Wat opviel was dat de partners van pa steeds jonger werden. Ik moest stoppen. Zou moeder het altijd hebben geweten van pa? Wat hij mij had aangedaan en nog steeds aandoet? Wist ze dat?

Ik las met moeite verder en daar stond het geschreven. Iets wat ik nooit had geweten, nooit had vermoed en waar ik niet naar op zoek was geweest. Ruim twintig jaar geleden had pa een affaire met een vrouw, genaamd Ingeborg. Zij was zijn secretaresse toen hij nog in de levensmiddelen zat. Ze hadden blijkbaar een langdurige relatie. Ingeborg was een jaar geleden onverwachts overleden. Met Ingeborg had pa een dochter gekregen en hij heeft al die jaren ook voor haar gezorgd. Hij had een dubbel leven waar niemand achter mocht komen. Die dochter was Anna.

In een reflex belde ik Anna en vertelde haar dat ze naar me toe moest komen. Ze klonk suf en verward aan de telefoon. Natuurlijk zou ze komen, want Anna gehoorzaamde altijd. Maar niet vandaag. Ik zat al uren te wachten. Ik moest haar opzoeken. Dan zou ik zelf naar dat afstotelijke appartement van haar gaan en de waarheid vertellen. Voordat ik ging werd ik gebeld. Het was pa. Ik drukte hem weg en gooide de telefoon in de hoek. Tranen begonnen over mijn wangen te stromen. Ik had al jaren niet gehuild. Ik verloor alle controle. Ik moest Anna zien. Alleen zij kon mij helpen.