Anna (8)

Bij de bakker kocht ik een stokbrood, een halfje zuurdesem en een krentenbol. In de supermarkt kocht ik een salade, een reep pure chocolade en een pak dik maandverband. Ik verloor nog steeds bloed en dat kon volgens de arts ook nog wel even duren. Op het moment dat ik uit het ziekenhuis werd ontslagen, werd me verteld dat ik recht had op kraamzorg. Daar had ik totaal geen behoefte aan. Ik wilde niemand om me heen en besloot alleen naar huis te gaan en in bed te gaan liggen. Wat er fysiek allemaal met me aan de hand was wist ik niet. De arts had me uitgelegd dat ik nabloedingen kon hebben en dat ik hulp moest zoeken op het emotionele vlak, maar ik luisterde amper. Laat staan dat ik zou overgaan tot uitvoering van het advies.

Nu stond ik hier met in mijn ene hand een salade en een reep chocolade en in de andere hand een pak extra dik maandverband. In de rij met de pakken maandverband zag ik opeens babyvoeding staan en zuigflesjes en plaatjes van baby’s. Ik kneep het pak maandverband dubbel en hapte naar adem. Uitbannen die beelden. Niet meer naar kijken. Ik begon alweer te tollen op mijn benen en sprak mezelf bemoedigende woorden toe. Snel liep ik naar de kassa, gooide geld neer en wachtte niet op het wisselgeld. Weg moest ik. Terug naar huis, terug in bed. Ik rende naar huis.

De boodschappen gooide ik samen met de voornemens op de grond. Ik nam twee pillen en ging op mijn leesstoel zitten. Ik had geen puf meer om mijn slaapbank uit te klappen. Snel viel ik in slaap, maar dat duurde niet lang. Mijn telefoon wekte me uit een wirwar van vreemde beelden. Suf en verbaasd nam ik zonder te kijken wie er belde de telefoon aan. ‘Waarom neem jij nou nooit eens de telefoon aan?’ werd aan de andere kant geschreeuwd. Ik schrok en moest mijn gehoor focussen op de stem. ‘Ik heb je gisteren vijf keer gebeld en nu ook al drie keer. Wat ben je toch aan het doen?’ Het was Roos. ‘We moeten praten. Jij komt over een half uur naar mijn appartement. Heb je dat begrepen? Ik heb belangrijk nieuws. Wees voorbereid.’ Roos wilde nooit bij mij afspreken omdat ze mijn appartement te klein vond, de kleuren hysterisch en de meubels smerig. Ze voelde zich net een zwerver zei ze als ze bij mij binnen was. Dat had ze 1 keer gedaan en daarna nooit meer. Ik was te moe om weerstand te bieden en vertelde dat ik er aan kwam. In mijn hoofd galmden de woorden: “ik heb belangrijk nieuws. Wees voorbereid.” Wat was dat nieuws? En, waar moest ik me op voorbereiden? Ze had me niets verteld. Zou ze het weten? Ik zou gaan, maar eerst nog even mijn ogen sluiten. Ik was opeens zo moe. Na een kwartiertje rust zou ik me vast beter voelen. Vijf uur later schrok ik wakker.

Roos (7)

Moeder zat in de oranjerie. Ze zat met een wollen jas aan en een dikke plaid om haar benen, terwijl binnen de temperatuur tropisch was. Ik zag haar rug en het leek of ze sliep. Ze zat wat voorovergebogen en ik bekeek haar een paar seconden. Ze zag er kwetsbaar, broos en oud uit. Dat zou ik haar nooit zeggen, want ze was een trotse vrouw die nooit haar emoties liet zien. Emoties tonen was vulgair. Dat deden alleen de arme zielen onder ons. Wij niet. Wij houden onze rug recht en kijken onze emoties recht in de bek. De blik werd nooit afgewend en gebogen evenmin.

Ik naderde haar en kuchte zacht zodat ze niet schrok. ‘Ah, daar ben je eindelijk. Had je niet eerder kunnen komen? Je laat je gezicht nooit zien. Je vader vertelde over je afstotelijke bank en de rotzooi in je huis. Rommel is niet goed voor je. Regel het en zorg dat je je zaken op orde hebt. Je hebt in al die jaren toch wel iets geleerd.’ Ik slikte voordat ik antwoordde. Ik koos mijn woorden zorgvuldig, want ik had op dit moment geen behoefte aan een tirade. ‘Wat ziet u er goed uit moeder. Hoe verloopt uw dag? Nog boeiende lezingen die u gaat bijwonen vandaag of binnenkort?’

De blik in de ogen van mijn moeder werd ijzig. Ze had felblauwe ogen die recht door je heen konden kijken. Als kind durfde ik nooit iets stiekem te doen, want moeder doorzag alles. Ook had ze een messcherp gehoor. Ze hoorde niet alleen alle geluiden in huis en geroezemoes, ze nam ook elke hapering in mijn stem waar. Ze betrapte me altijd op een leugen of als ik iets verzweeg. ‘Hoezo, zie ik er goed uit. Vertel me eens iets wat ik nog niet weet en geef antwoord op mijn vragen.’ De kou trok door mijn lijf. ‘Het spijt me dat ik niet eerder ben gekomen. Ik had het druk met de brand en zo. Het gaat uitstekend met me. De bank is een vergissing. Die breng ik terug en de schoonmaakster komt binnenkort drie keer per week. Ik heb het onder controle. U hoeft zich geen zorgen te maken moeder. Heeft pa verder nog iets gezegd?’

Ze wendde haar blik van me af. Zou ze iets weten? Hadden ze meer contact gehad? ‘Hoe vaak moet ik nog zeggen dat je geen pa moet zeggen, maar vader. Stop toch eens met dat populaire taalgebruik. Je leert het nooit. Wat een teleurstelling. Ik bepaal trouwens zelf of ik me zorgen maak. Je vader is twee dagen geleden een paar boeken komen halen die hier nog lagen. We hebben een gesprek gehad. Ik weet dat de brand een grote verwoesting met zich mee heeft gebracht, maar je vader heeft in zijn leven grotere tegenslagen gekend. Hij gaf aan dat jij hem onvoldoende steunt. Dat had ik niet van je verwacht. Je moet je vader dankbaar zijn voor alles wat hij voor je heeft gedaan en nog doet.’ Ze draaide zich nu helemaal om. Dat was het teken. Dit gesprek was nu ten einde en mijn aanwezigheid was niet langer gewenst. Ik draaide me om en liep naar het huis. Nu ik hier was ging ik niet eerder weg voordat ik meer informatie had verzameld. Er moest toch meer te vinden zijn? Ik liep naar boven en voordat ik het wist stond ik in de kamer van moeder en doorzocht haar secretaire. Moeder hield een dagboek bij. Die had ik ooit eens zien liggen toen ik onverwachts haar kamer binnen kwam. Ze schreeuwde toen tegen me dat ik nooit meer haar kamer mocht betreden. Maar nu was ik hier en voelde ik het hier allemaal begon. Het begin van antwoorden lag hier.

Anna (7)

Ik stond op het punt naar buiten te gaan om mijn voornemens daadwerkelijk uit te gaan voeren toen mijn mobiel in mijn kontzak van mijn spijkerbroek begon te trillen. Het was Arthur. Ik wilde hem niet spreken, maar nam toch op. Hij vroeg hoe het met me ging en of het ziekenhuis nog had gebeld? Als iemand wist hoe ik er aan toe was dan moest hij dat zijn. Hij had een groot aandeel gehad in mijn ongeluk en was de veroorzaker van al het leed en het geheim dat ik al die tijd al met me meedroeg. Hij wist het niet van de baby. Nadat hij me voor het ziekenhuis had achtergelaten was hij vertrokken. Ik wist dat hij het was, ook al had ik zijn gezicht nooit gezien. Ik had het gevoeld, geroken. Ik kende hem van dichtbij, wist hoe hij ademde en vooral was ik bekend met zijn lichaamsgeur. Een mengeling van dure aftershave en vers zweet. Toen ik werd opgetild en half bewusteloos achter in de auto werd gelegd, had ik hem geroken en zijn spieren gevoeld. Toch was ik niet helemaal zeker. Bij het ziekenhuis werd ik uit de auto gehaald en voor de deur weggelegd. Sommige beelden zag ik voor me, maar grote gedeelten waren ook zwart. Ik wist het niet. Ik wist niet precies wat er was gebeurd en ik wist ook niet zeker wie mij had aangereden. Was het dezelfde persoon die mij naar het ziekenhuis had gebracht? Ik dacht het wel, maar niets was zeker.

Hij had na het ongeluk niet gebeld. We hadden helemaal geen contact meer gehad. Hij kon het dan ook niet weten van de baby. Niemand wist het. Volgens de artsen in het ziekenhuis was het een wonder dat ik geen breuken, kneuzingen of ander letsel had opgelopen. Ik had wel een blauwe plek op mijn heup, aan de kant waar ik op was gevallen en mijn elleboog deed wat zeer. Maar als een wonder was ik verder ongedeerd. Toch hadden de artsen een bezorgde blik in hun ogen. Een vrouw kwam naast me zitten en pakte mijn hand. Zo bleef ze een tijdje zitten. Ze bleef me met haar kleine helder blauwe ogen aankijken en begon te praten. ‘Ik vind het heel erg voor je, maar door het ongeluk -toen je buiten bewustzijn was- zijn vroegtijdig weeën opgekomen en je kindje is geboren. Hij heeft het niet overleefd. Hij had geen kans. Volgens onze meting was hij nog maar twintig weken oud en dan zijn de longen nog niet volgroeid. Hij kon dus niet zelfstandig ademen.’ Ik keek de vrouw vol ongeloof aan en begon daarna heel hard te lachen. De tranen liepen over mijn wangen. Ik bulderde het uit. Het leek wel of ik in een heel slecht toneelstuk zat en dat deze vrouw de slechtste actrice was die ooit had bestaan. Geen Oscar voor haar.

De vrouw was van haar stuk en ik zag dat er kleine tranen in haar ogen sprongen. De mannen rondom mijn bed begonnen wat zenuwachtig heen en weer te bewegen. ‘Anna, begrijp je wat ik je net heb verteld?’ vroeg de vrouw naast me. Natuurlijk begreep ik wat ze had verteld. Ze had alleen het slechte nieuws tegen de verkeerde patiënt verteld. Ik was helemaal niet zwanger. Hoe kwamen ze daar nu bij. In mijn ooghoek ter hoogte van mijn bed zag ik opeens een kleine doorzichtige bak op wieltjes. Daar lag een klein popje in, helemaal aangekleed en al. Men nam dit toneelstuk wel erg serieus, dacht ik nog. Ik keek naar het popje en de vrouw kneep zachtjes in mijn hand. Al die tijd had ze deze vastgehouden. Het zweet brak me uit. Alsof de bliksem insloeg voelde ik dat het waar was. Een blik van herkenning, hoe absurd ook. Daar lag mijn kind, mijn zoon. Een mini-mens. Alles zat er op en aan. Hij had hele kleine vingers, tenen en een paars gezichtje. De vrouw naast me zag dat ik schrok. ‘Die kleur komt doordat het kindje via zijn benen is geboren en dat al het bloed naar zijn hoofdje is gegaan. Dat verkleurt dan. Wil je hem even vasthouden?’

Arthur riep iets in mijn oor. Ik kwam weer terug. ‘Nee, ik ben niet thuis. Ik logeer bij een tante. Het gaat verder helemaal goed. Tot later.’ Ik hing op. Dat had ik nog nooit gedaan. Bij niemand, maar zeker niet bij hem. De beelden veegde ik van mijn netvlies en pakte mijn jas. Ik had voornemens en het werd tijd dat die werden uitgevoerd. Met mijn boodschappentas in de hand vertrok ik. Boodschappen doen moest gaan lukken.

Roos (6)

Toen ik mijn ogen opendeed zocht ik naar mijn telefoon. Het was zes uur, zoals gewoonlijk. Ik spoelde de nacht en de herinnering aan de vorige dag van me af en besloot een stuk te gaan rennen. De zon kwam op en het was nog rustig in de stad. Dit vond ik het fijnste moment van de dag. Geen mensen om me heen, geen drukte, geen lawaai, geen pa en  al helemaal geen zorgen. Tijdens het lopen fantaseerde ik over hoe mijn leven zou kunnen zijn. Ik zou een man hebben en één of twee kinderen, misschien zelfs drie. Samen ontbijten, veel lachen en dansen in de keuken. Mijn man had mij lief zoals een man lief moest hebben. De kinderen waren gelukkig en maakten tekeningen van het gezin. Pappa met lange armen, harken als handen en benen zonder voeten. Ik met gekke haren, schele ogen en een grote glimlach. Het geluk straalde er van af. We aten op zaterdag friet met knakworsten en speelden kwartet. Dit was het leven dat ik wilde, maar de droom leek mooier dan de werkelijkheid ooit zou kunnen zijn.

Na het lopen at ik wat yoghurt met muesli en honing en besloot ik mijn moeder op te gaan zoeken. Nu nog niet, want moeder ontving pas na elf uur bezoek. Eerst las ik het rapport van de brandweer. De brandweer had nadat het sein brandmeester was gegeven een onderzoek verricht naar de oorzaak van de brand. In het rapport werd gesproken over een tweede onderzoek door het NFI. Mijn hart begon sneller te kloppen. Het NFI wordt alleen maar bij een onderzoek betrokken als er sprake is van een vermoeden van een misdrijf. De brand in de winkel was toch een ongeluk? Ik sloeg hele stukken uit het rapport over. Er was een reconstructie gemaakt van die avond en wat er was gebeurd. De brand was rond 23.15 uur begonnen. Het eerste vermoeden was dat de brand in de keuken was begonnen, omdat er een gaslek was: een klein gaatje in de gasleiding. De keuken grensde aan de achterkant van de winkel. De winkel bestond uit twee gedeelten. De rechterkant was geheel ingericht als boekwinkel en telde twee verdiepingen. Beneden stonden de secties: literatuur, trillers en kunstboeken, aangevuld met tijdschriften, kranten, kaarten en verschillende soorten notitieboekjes. In de hoek schuin achter de kassa’s was een muur gezet met een kleine doorgang. Daarachter zat het kinderparadijs. Een hele wand met kinderboeken en een muur vol met schoolbordverf. Daar konden kinderen de mooiste tekeningen op maken. Elke derde woensdag van de maand kwam de voorleesfee. Alle kinderen zaten dan op kussentjes in die kleine ruimte ingespannen te luisteren naar de mooiste verhalen.
Op de bovenste verdieping was plaats ingeruimd voor kookboeken, buitenlandse literatuur (Engels, Duits en Frans), wetenschappelijke boeken, spirituele boeken, poëzie en allerlei boeken gericht op verschillende hobby’s, zoals tuinieren, schilderen, breien, haken en modelvliegtuigbouw. Het pand had beneden een doorgang naar het andere pand. Daar waren ook twee verdiepingen. Beneden was het café en het podium. Schrijvers, dichters en muzikanten gaven lezingen en optredens. Elke derde zondag van de maand was er ook een bijeenkomst van de boekenclub. Ruim veertig leden namen deel aan soms hevige en emotionele discussies over het boek dat ze hadden gelezen. Deze bijeenkomsten werden altijd afgesloten met een borrel en een hapje. Op andere dagen was het café open van 10.00 uur tot 16.00 uur voor koffie, thee, gebak, sapjes en lunchgerechten. Achter het café was de keuken en via de hal kon men de toiletten bereiken en een deur met het woord “privé” er op. Achter die deur was de trap naar boven. Boven was ons kantoor en een kleine relaxruimte met een bed, een bankje en een wastafel.

In het rapport stond dat de keuken en het café helemaal waren vernietigd en dat een gedeelte van het andere pand ook schade had opgelopen. Bijna alle Nederlandstalige literatuur was verdwenen. Ook de kunstboeken en trillers waren vergaan, maar de hoek met de kinderboeken was gespaard gebleven. De onderzoekers hadden in de ruimte bij de literatuur vezels gevonden. Die waren onderzocht en bleken besprenkeld te zijn met spiritus. Mijn maag speelde op. Wat stond daar? Er waren vezels gevonden besprenkeld met spiritus in de winkel. Voor de schoonmaak hadden we spiritus in de keuken, maar niet in de winkel. Hoe kwam dat daar? Wie had dat gedaan? Was er dan opzettelijk brand gesticht? Door wie? Waarom? De vragen tuimelden door en over elkaar in mijn hoofd. Het zweet brak me uit en voor dat ik het wist leegde ik mijn maag over de keukenvloer. Ik braakte de muesli in brokjes uit. Nog meer vragen kwamen op. Zou pa dit al hebben gelezen? Zou hij achter de brand zitten? En Anna? Ik raakte in paniek. Ik voelde het opkomen. Mijn ademhaling ging sneller en hoger. Ik moest een zakje pakken anders ging het fout. Al sinds mijn kindertijd had ik hyperventilatie, maar de laatste jaren had ik het onder controle, zelfs na de bezoeken van pa kwam er geen aanval meer. Rustig ademen nu, in en uit, in en uit. Na een kwartier voelde ik dat ik mezelf weer onder controle had. Eerst die kots opruimen, nog een keer douchen en dan moeder bellen. Ik moest haar zien en haar vragen of ze pa laatst nog had gezien. na de scheiding zagen ze elkaar nog regelmatig. Wie weet wist ze iets over de brand. Had hij er met haar over gesproken. Tegen al mijn ervaringen in verwachtte ik haar steun. Dat bleek weer een vergissing te zijn.

Anna (6)

Ik werd wakker van een geluid buiten. Mijn ogen zaten nog dicht geplakt. Ik voelde korstjes aan de randen. ‘Niet wrijven,’ hoorde ik mijn moeder in mijn hoofd zeggen. ‘Dan krijg je strontjes.’ De eerste keer dat ik strontjes in mijn oog had, het was de rechter volgens mij, was ik verbaasd over de naam van deze aandoening. Op die leeftijd had ik het woord “stront” wel eens gehoord, maar dan meer in combinatie met een bezoek aan de wc en had ik het niet geassocieerd met een ontsteking op het ooglid. De medische term hordeolum, maakte het niet veel mooier. Het was best pijnlijk. Op een dag werd ik wakker met een dik en rood ooglid dat plakte aan de bovenkant. Ik zag er wazig door. Dokter De Graaf adviseerde moeder dat ze warme kompressen moest maken en deze op mijn oog moest leggen. Verder zei ze dat ik mijn handen vaker moest wassen en niet zo in mijn ogen moest wrijven. Ik was al niet knap en op deze manier zou het er niet beter op worden. Ik was zes jaar en besloot vanaf dat moment dat ik nooit meer buiten zou gaan spelen, want dan werd ik misschien ook mooi.

Na het ongeluk zag ik moeder opeens zomaar in mijn kamer. Ze glimlachte altijd, maar zei nooit iets. Wel wees ze naar een foto. Die foto hing aan de muur in mijn kleine woonkamer. Ik had geprobeerd de woonkamer gezellig te maken met foto’s en andere persoonlijke spullen. Ik bezocht elke kringloopwinkel in de buurt om mijn appartement mooi aan te kleden. Het resulteerde in een ratjetoe: een explosie van kleuren en vormen. Ik had een mooi klein boekenkastje gevonden in okergeel. De vorige eigenaar had het met liefde beschilderd en aan de binnenkant bekleed met behang met groene bladeren. Mijn mooiste boeken vonden daar een onderkomen. Ik had twee stoelen en een slaapbank. De woonkamer was ook gelijk mijn slaapkamer en eetkamer. Heel functioneel. De ene stoel was van riet en als je daar in ging zitten zakte je een beetje weg. Dit zou men vast bedoelen met loungen. De andere stoel was een rode stoffen fauteuil, een fijne stoel om boeken in te lezen. Ik had een klein vierkant blauw tafeltje gevonden op straat. Ik at daar altijd aan. Hij was laag, dus ik zat veel op de grond. Verder had het appartement een piepklein keukentje en een badkamer met douche, wastafel en wc. Niets bijzonders. Het deed het allemaal. Aan de muur hingen allerlei schilderijen en foto’s. Dat was mijn mijmermuur. Ik keek vaak naar de ingelijste posters van Modigliani, Monet en Klimt: mijn lievelingsschilders.  Dan droomde ik over schilderen. Hoe ik zelf een maagdelijk doek zou omtoveren tot een kunstwerk. En ik dacht aan schoonheid. Dat schoonheid een voorwaarde is voor een goed leven. Voor het ongeluk zag ik veel schoonheid, nu konden de schilderijen me geen vreugde meer schenken. Grijs was de kleur van mijn leven geworden. Ik had met punaises kaarten met gedichten opgehangen en foto’s. Nu was er een lege plek op de muur. De foto had ik na het ongeluk weggehaald. Het aanzicht maakte me misselijk. Naar die plek wees mijn moeder, alsof ze wilde zeggen dat ik iets moest doen. Alsof ze duidelijk wilde maken dat ze achter me stond, wat ik ook zou doen. ‘Maar mamma, wat kan ik doen?’ riep ik uit.

Ik nam me voor vandaag naar buiten te gaan, boodschappen te doen, eten voor mezelf te maken, het ook op te eten en misschien zou ik Roos terugbellen. De foto gooide ik in de papierbak en ik voelde een bepaalde rust over me die ik al in geen maanden had gevoeld. Misschien werkte die slaapmedicatie nu toch. Vanaf nu moest ik sterk zijn. De eerste stap zetten en een plan maken hoe ik mijn demonen te lijf zou gaan.

Roos (5)

‘Ik had wel verwacht dat je hier zou zijn,’ zei hij. Hij hield zijn hand nog steeds op mijn schouder en bleef achter me staan. Ik voelde zijn warme adem in mijn nek. Hij kwam te dicht bij. Ik probeerde weg te stappen, maar zijn greep werd sterker. Zo bleven we een tijdje staan. Het waren seconden, maar het voelde als lange minuten. ‘Zullen we wat gaan drinken? Dan kunnen we de lopende zaken even doornemen en een plan maken hoe het nu verder moet met de zaak.’ Hij formuleerde een vraag, maar de vraag gaf maar ruimte voor één antwoord. Ik stemde in en stelde een café in de buurt voor. Dat wilde hij niet. ‘Laten we maar naar jouw huis gaan. Dat praat makkelijker. Je hebt vast alle papieren bij de hand. Het is al weer een tijdje geleden dat ik bij je ben geweest. Ik ben benieuwd naar je nieuwe bank.’

Hij was met de auto en reed stapvoets achter me. Hij had een andere auto. Hij draaide zijn raam open en kwam naast me rijden. ‘En? Wat vind je ervan? Een paar dagen geleden heb ik de Benz verkocht. Het werd tijd voor een elektrische. Ik wil met mijn tijd meegaan en kon deze snel krijgen. Mooi ding hé? Het is het nieuwste sportmodel, hij heeft een bereik van 480 kilometer en koste slechts een halve ton. Nou ja, met alle extra’s iets meer, maar dan heb je ook wat.’ Het boeide me geen moment. Ik liet hem in de waan zodat hij misschien rustig bleef en echt alleen maar over de zaak wilde praten.

Hij bekeek mijn appartement met een kritische blik. ‘Het is een zootje bij je. Komt die Poolse hulp niet meer? Je bank is smerig. Hoe komt dat? En, waarom heb je voor wit gekozen? Dat past toch niet bij jou. Hoe zit tie eigenlijk?’ Hij plofte neer op de bank en deed zijn schoenen uit. Ik wilde niet dat hij languit ging liggen en het zich gemakkelijk zou maken. Ik zei: ‘wil je wat drinken? We kunnen aan tafel zitten. Dan kunnen we gelijk de afspraken met de leveranciers doornemen en wat we doen met de openstaande facturen.’ Hij bleef liggen. ‘Nee, ik lig hier goed en jij komt bij me liggen. De brand heeft me van mijn stuk gebracht. Nu wil ik niet praten over zaken. Je weet wat ik wil en dat kom ik nu halen. Kom naast me liggen!’ Zijn stem was dwingend. Ik wist wat er ging gebeuren, deed wat hij vroeg en probeerde af te reizen naar een andere wereld.

Na een uur vertrok hij, sprong ik onder de douche en schrobde me schoon. Het water moest heet zijn en de zeep kroop in mijn huid. Ik schrobde net zo lang totdat mijn huid er rood van zag. Ik droogde me af en ging in bed liggen. Ik voelde een enorme drang om Anna te bellen. Ik wist niet wat ik tegen haar zou zeggen. Waarschijnlijk zou ik haar belachelijk maken of gaan afzeiken. Als ik haar stem maar even kon horen. Ze nam niet op. Ik belde nog vier keer. Geen contact, zoals altijd tussen ons. 

Anna (5)

Ik schrok wakker, hevig zwetend en zwaar ademend. Ik sloeg met mijn armen om me heen en de lamp die op mijn nachtkastje stond, viel met een klap op de grond. Daar schrok ik nog meer van. Op de tast zocht ik het lichtknopje van de andere lamp. Het was inmiddels donker. Mijn telefoon vertelde me dat het 23.00 uur was geweest. Had ik dan al die tijd geslapen? Ik trok mijn kleren uit en deed een raam open. Ik had frisse lucht nodig.

Zittend op de rand van het bed zag ik de beelden van mijn droom op mijn netvlies voorbij schieten. Ik zag mijn fiets en de koplampen van die auto. Die klap, de pijn en dat gezicht dat over me heen boog. Ik werd opgetild en voelde dat ik werd meegenomen, maar ik kon me niet bewegen. Mijn armen lagen langs mijn lijf, mijn benen waren slap en mijn hoofd bonkte. Ik wilde roepen en schreeuwen, maar mijn longen vulden zich niet met lucht, mijn stembanden waren verlamd en mijn tong lag als een lap in mijn mond. Het volgende moment lag ik in een kamer met witte muren. Witte mensen met witte mondkapjes bogen zich over me heen. Ze riepen heel hard mijn naam. Ze duwden aan mijn schouders. Laat me met rust, doe toch zachtjes en blijf van me af, dacht ik. Opeens lag ik in een andere kamer met allemaal baby’s om me heen en bloed. De baby’s waren buiten proporties. Ze hadden grote paars gekleurde hoofden en mini beentjes. Ze huilden onhoorbaar en het bloed droop langs hun kin. Het werden er steeds meer en ze kwamen steeds dichter bij en op het moment dat eentje me wilde aanraken schrok ik wakker.

Nu zat ik hier op de rand van mijn bed met mijn telefoon in de hand. Ik wilde iemand bellen. Ik kon niemand bellen. Niemand mocht ooit te weten komen wat er was gebeurd, zeker Roos niet. Ik zag dat ze me had gebeld, vijf keer zelfs. Ze had geen bericht achter gelaten. Ze wilde natuurlijk weten wanneer ik weer kon gaan werken. Maar hoe moest dat dan, nu de keuken was afgebrand? Ik moest vast alles opruimen. Misschien moest ik mijn geheim met haar delen, want ik wist het ook van haar én hem. Als ik daar aan dacht moest ik kokhalzen. Misschien zouden we elkaar kunnen helpen. Misschien konden we er samen iets tegen doen. Het was allemaal mijn schuld of niet? Ik wilde haar nu niet terugbellen. Niet nu. Ik besloot nog een pil te nemen. Nee, ik nam er twee. Dat zou de pijn vast beter verdoven.

Roos (4)

Het eindigde met Tom zoals het altijd eindigt met Tom. We kwamen klaar, veegden onszelf schoon en kleedden ons aan. Meestal werd er geen woord gesproken. Vandaag was dat anders. Ik merkte aan Tom dat hij afgeleid was. Hij voelde zich niet op zijn gemak. ‘Je moet nu echt gaan. Moniek kan elk moment langskomen en het lijkt me niet verstandig als je er dan nog bent’, zei hij. Ik draaide me om en trok mijn bh aan. Als ik had gekregen waarvoor ik kwam, wilde ik niet dat hij me nog naakt zag. Ik kon er niet tegen als hij me met zijn ogen opnam, alsof ik een object was.

‘Wat komt ze doen? Hebben jullie weer iets dan?’ Het kwam er hard uit. Ik wilde niet dat Tom weer met Moniek omging. Ik hoefde hem ook niet, maar wilde al helemaal niet dat zij weer een plek kreeg in zijn leven. Het was alweer een jaar geleden dat ze, na een middag inkopen doen, terug kwam in het restaurant. Ze bracht de bloemen naar de keuken om ze daar in emmers met water te zetten zodat ze vers bleven voor de avond. Ze liep wat rond en zong een vrolijk liedje. Wat het precies was kan ik me niet herinneren. Toen ze haar jas had opgehangen kwam ze het kantoor van Tom binnen. Eerst vond ze een paar kledingstukken en later de personen die erbij hoorden. Ze zag ons liggen op zijn bureau. Het enige wat ik kon doen was naar haar lachen. ‘Tja meid, zo een mooie man kon ik niet weerstaan,’ dacht ik. Tom probeerde de situatie te redden met clichés zoals: ‘het lijkt niet wat het is. Ik voel niets voor haar. Jij bent de enige.’ Een redelijke gênante vertoning werd het. Dat was het moment hij daalde in aantrekkelijkheid en achting.

‘Ze wil met me praten en ik wil heel graag onze relatie een nieuwe kans geven,’ stamelde hij. Ik trok de rest van mijn kleren aan, keek hem aan en vertrok zonder een woord te zeggen. Het werd tijd dat ik een kijkje ging nemen in de winkel. Het rapport van de brandweer moest ik ook nog lezen en uiteindelijk zou ik Anna moeten bellen. Ik stapte op mijn fiets en reed naar de winkel. De winkel zag er slecht uit. Uit het eerste onderzoek van de brandweer bleek dat er sprake was van een gaslek. Door het aanslaan van de koelkast moest er een vonk zijn ontstaan die ervoor zorgde dat er een ontploffing kwam met als gevolg een grote brand. Een ongeluk dat waarschijnlijk niet voorkomen had kunnen worden. De brandweercommandant gebruikte de woorden “pure pech mevrouw.” De verzekering zou de schade wel dekken. Dat was geen probleem. Pa regelde die zaken altijd. Ik had hem al een paar dagen niet gezien en dat beangstigde me. Dat betekende dat hij binnenkort wel weer langs zou komen. Niet aan denken. Niet aan denken.

Ik moest me concentreren op de winkel. Alles wat we aan boeken konden redden moesten we ergens opslaan, dan moesten de panden gereinigd worden en hersteld. Hopelijk konden we binnen een paar weken weer open zijn. Ik was zo in gedachten verzonken dat ik pa niet hoorde aankomen, maar toen ik die hand op mijn schouder voelde wist ik gelijk dat hij het was.

Anna (4)

Dokter De Graaf was een vriendelijk ogende dokter. Ik kende haar al mijn hele leven. Zij betekende veel voor ons na de dood van mijn moeder. Dokter De Graaf was een kleine vrouw met een pezig gestel. Ze zag eruit alsof ze marathons liep. Ze had een klein rond brilletje op haar neus en keek me aandachtig aan. Ze nam altijd voldoende tijd voor me, want ze wist dat ik niet zo makkelijk uit mijn woorden kon komen.

‘Hoe gaat het met je Anna? Wat kan ik voor je doen?’ Twee eenvoudige vragen, maar voor mij was antwoord geven net zo ingewikkeld als de Sudoku puzzels van Arthur. Hij boog zich soms uren over de meest moeilijke puzzels. Soms smeet hij ze vanuit frustratie in de hoek, om dan na een half uur weer een poging te wagen. Hij moest en zou de moeilijkste denkopgaven oplossen. Ik dwaalde af. Arthur was de reden dat ik hier zat, maar dat kon ik dokter De Graaf nooit vertellen. Ik kon niemand vertellen wat ik had gezien en wat ik had gehoord. Het geschreeuw en gegrom zat nog steeds in mijn oren. Ik probeerde met mijn vinger het geluid uit mijn oren te peuteren. ‘Heb je soms last van je oren,’ vroeg de dokter. Ik wilde het uitschreeuwen: Nee, ik heb geen last van mijn oren! Ik heb last van mijn netvlies, van het beeld dat daar op vastgeplakt ligt!

‘Ik slaap slecht. Ik ben moe. Ik moet slapen,’ zei ik. ‘Begrijpt u?’ Dokter De Graaf keek me begripvol aan en zei: ‘ik begrijp dat het allemaal heel veel voor je is. Je moeder is nu bijna een jaar geleden gestorven. Zo plotseling. Dat is heel aangrijpend. Natuurlijk begrijp ik dat. Toch moet je proberen verder te gaan Anna. Het is tijd om de dood van je moeder te accepteren en het een plekje te geven. Je moet goed voor jezelf zorgen.’

Ik frunnikte wat aan mijn kleren en beet op mijn lip. Goed voor mezelf zorgen. Hoe dan? Niemand begreep me. Ik had niemand. Zou ik dokter De Graaf kunnen vertrouwen. Zou zij me kunnen helpen? Toen zei ze opeens: ‘zal ik Arthur anders eens bellen om te kijken of je daar een tijdje kunt blijven? Ik weet dat je het zelf lastig vindt om te vragen. Misschien helpt het als jullie een tijdje samen zijn?’
Dat was onmogelijk. Ik zou nooit onder één dak met Arthur kunnen leven. Nooit! ‘Nee, dat is niet nodig hoor,’ zei ik. ‘We hebben heel veel contact en hij weet dat ik hier ben en wat  moe ben. Hij stelde voor dat u misschien een nieuw slaapmiddel kon geven zodat ik ’s nachts wat rust kon krijgen.’ Ik klonk buitengewoon helder en verstandig. Het floepte er in één keer uit. Ik leek Roos wel. Ze keek me nog eens goed aan en begon op haar computer het een en ander in te tikken. ‘Goed. Ik geef je tien stuks temazepam. Dat zijn betere slaappillen dan die je eerst had. Niet meer dan tien krijg je, want deze pillen kunnen bij langdurig gebruik verslavend werken. De medicatie geeft je rust. Kom na tien dagen bij me terug en dan kijken we hoe het dan met je gaat. Mocht je eerder willen komen dan kan dat natuurlijk, maar ga ook eens verder met je zelf aan de slag. Je kunt zo echt niet door gaan. Sluit het verleden af en zoek een leuke vriend of zo. Dan heb je wat afleiding.’

Ik ritste het recept uit haar handen, bedankte haar en liep naar de apotheek. Na een uitgebreide uitleg van de apotheker over de werking en verslavende aspecten van de medicatie, die ik zonder interesse aanhoorde, liep ik naar huis. Er was me op het hart gedrukt ’s avonds 1 pil in te nemen en niet overdag. Het was nu bijna half twee en ik nam mijn eerste pil. Ging op bed liggen, nam niet de moeite mijn kleren uit te trekken en verwelkomde met open armen de slaap.

Roos (3)

Tom stond achter de bar verzonken in zijn papierwerk. Op een afstand bekeek ik hem. Hij had een wit overhemd aan, het bovenste knoopje los en de mouwen opgestroopt zodat zijn gebruinde armen en spieren zichtbaar werden. Zijn blonde haar zat warrig, alsof hij net uit bed kwam, maar dat maakte dat hij er zo verdomd aantrekkelijk uitzag.

Vijf jaar geleden opende hij dit restaurant. Hij was toen nog getrouwd met Moniek. Het was een droomkoppel. Zo een stel waar iedereen met bewondering naar keek en over roddelde. Ze waren niet alleen knap en succesvol, maar ook nog eens ontzettend vriendelijk. Moniek was gastvrouw en Tom regelde de zaken achter de schermen. De bediening was altijd uiterst vriendelijk en bekwaam. De bedoeling was dat de gasten zich thuis voelden. De menu’s en inrichting wisselden regelmatig. Met oog voor detail zorgde Moniek ervoor dat elke dag verse bloemen in het restaurant aanwezig waren, dat het tafellinnen schoon en gestreken was en dat alle schilderijen recht hingen. Elke avond zat het restaurant vol. Het eten was van top klasse en al een aantal jaren was er de belofte van een Michelinster.

Ik leerde het stel kennen via pa. Hij wilde de winkel uitbreiden met een café en ging op zijn eigen wijze een marktonderzoek doen in de stad. Dat betekende dat hij alle restaurants, lunchrooms en café bezocht om ideeën op te doen. Op een dag kwam hij naar me toe en vertelde dat hij de avond tevoren had gedineerd bij Tom en Moniek. Hij was lyrisch over het eten en de gastvrouw. Toen hij als laatste gast wilde vertrekken, kwam Tom naar hem toegelopen om nog een cognac met hem te drinken. Pa was overweldigd door het charmante stel en deelde zijn plannen. Tom bood gelijk aan een kijkje te komen nemen en te adviseren of helpen waar hij kon. Pa was nog midden in zijn enthousiaste gesprek toen Tom de winkel binnen kwam. Hij keek me aan en ik wist gelijk dat ik meer van hem wilde dan advies of hulp.

Ik liep het restaurant binnen en ging voor hem staan aan de andere kant van de bar. Hij schrok. ‘Roos, ik had je niet binnen horen komen. Wat kom je hier doen? We hadden toch afgesproken dat je hier niet meer naar toe zou komen?’ Hij keek schichtig om zich heen en tikte nerveus met zijn pen op zijn papieren. ‘Wat is er aan de hand? Waarom doe je zo raar?’ zei ik. Ik wist dat het stellen van tegenvragen een man uit zijn evenwicht kon brengen. Als ik hem wilde zien dan had ik daar geen reden voor nodig en kwam ik naar het restaurant zodra mij dat uitkwam. ‘Ik wil gewoon niet dat je hier komt. Dat heb ik je vorige keer ook al duidelijk gemaakt. Straks ziet René je of Freddie’, zei Tom. ‘Wat kan mij het nou schelen dat die stomme kok van jou en zijn knecht mij hier zien. Als ik jou wil zien, jou wil voelen of jou gewoon wil, dan kom ik hier naar toe. Jij belt me niet meer en dat is prima, maar als ik behoefte heb aan jou dan verwacht ik dat je er voor me bent. Je weet toch wel wat er is gebeurd?, vroeg ik hem. Nog steeds tikkend op zijn papier keek hij me een paar seconden recht in mijn ogen aan. Ik voelde de warmte in mijn lijf omhoog komen en liep naar hem toe. Rukte zijn pen uit zijn hand en gooide die door het restaurant. Met mijn handen pakte ik zijn gezicht en kuste zijn volle lippen. Mijn tong gleed ruw naar binnen. Ik had geen zin in gedoe. Ik had zin in Tom. Hij beantwoordde mijn kus en trok me naar achteren, de deur door naar zijn kantoor. Daar trokken we elkaars kleren uit en gooide ik alles van zijn bureau. Hij vloekte, maar dat deed me niets. Hij deed me niets. Ik trok hem naar me toe, ging op zijn bureau liggen en zorgde ervoor dat hij mijn leegte vulde, al was het maar voor een paar minuten.