Anna (5)

Ik schrok wakker, hevig zwetend en zwaar ademend. Ik sloeg met mijn armen om me heen en de lamp die op mijn nachtkastje stond, viel met een klap op de grond. Daar schrok ik nog meer van. Op de tast zocht ik het lichtknopje van de andere lamp. Het was inmiddels donker. Mijn telefoon vertelde me dat het 23.00 uur was geweest. Had ik dan al die tijd geslapen? Ik trok mijn kleren uit en deed een raam open. Ik had frisse lucht nodig.

Zittend op de rand van het bed zag ik de beelden van mijn droom op mijn netvlies voorbij schieten. Ik zag mijn fiets en de koplampen van die auto. Die klap, de pijn en dat gezicht dat over me heen boog. Ik werd opgetild en voelde dat ik werd meegenomen, maar ik kon me niet bewegen. Mijn armen lagen langs mijn lijf, mijn benen waren slap en mijn hoofd bonkte. Ik wilde roepen en schreeuwen, maar mijn longen vulden zich niet met lucht, mijn stembanden waren verlamd en mijn tong lag als een lap in mijn mond. Het volgende moment lag ik in een kamer met witte muren. Witte mensen met witte mondkapjes bogen zich over me heen. Ze riepen heel hard mijn naam. Ze duwden aan mijn schouders. Laat me met rust, doe toch zachtjes en blijf van me af, dacht ik. Opeens lag ik in een andere kamer met allemaal baby’s om me heen en bloed. De baby’s waren buiten proporties. Ze hadden grote paars gekleurde hoofden en mini beentjes. Ze huilden onhoorbaar en het bloed droop langs hun kin. Het werden er steeds meer en ze kwamen steeds dichter bij en op het moment dat eentje me wilde aanraken schrok ik wakker.

Nu zat ik hier op de rand van mijn bed met mijn telefoon in de hand. Ik wilde iemand bellen. Ik kon niemand bellen. Niemand mocht ooit te weten komen wat er was gebeurd, zeker Roos niet. Ik zag dat ze me had gebeld, vijf keer zelfs. Ze had geen bericht achter gelaten. Ze wilde natuurlijk weten wanneer ik weer kon gaan werken. Maar hoe moest dat dan, nu de keuken was afgebrand? Ik moest vast alles opruimen. Misschien moest ik mijn geheim met haar delen, want ik wist het ook van haar én hem. Als ik daar aan dacht moest ik kokhalzen. Misschien zouden we elkaar kunnen helpen. Misschien konden we er samen iets tegen doen. Het was allemaal mijn schuld of niet? Ik wilde haar nu niet terugbellen. Niet nu. Ik besloot nog een pil te nemen. Nee, ik nam er twee. Dat zou de pijn vast beter verdoven.

Auteur: schrijfbianca

Ik schrijf, dus ik ben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s