Levensverhaal (9)

Een overtocht in die tijd was niet zonder gevaren. Met nog een aantal andere Nederlanders ging hij aan boord van de Kilcanny, een schip van de Grimsbylijn met bestemming Fulham. Wegens het oorlogsgevaar op zee, The Great War (de Grote Oorlog, zoals de Engelsen de eerste wereldoorlog noemden), was  nog niet geëindigd, voer de Kilcanny met andere schepen in konvooi uit. De passagiers moesten zich na het instappen onmiddellijk naar hun hutten begeven en mochten deze niet weer verlaten. Dit werd gedaan om paniek te voorkomen, indien zich gevaar voordeed. Zo merkte op de Kilcanny dan ook niemand dat tijdens de overtocht ’s nachts een ander schip uit het convooi, de Kirkham Abbey, op een mijn liep en verging tezamen met alle opvarenden. Door een misverstand werden de reizigers voor Fulham onder de vermisten genoemd. De passagierslijsten waren verwisseld en thuis in Nederland werd het bericht van het vergaan van de Kilcanny overgebracht aan de familie. Onmiddellijk verkeerden zij in diepe rouw. De verloofde werd op de hoogte gesteld en plannen voor een herdenkingsceremonie werden gemaakt. Gedurende vijf dagen leefden allen in Nederland in de treurige veronderstelling dat vader was omgekomen. Op de zesde dag van zijn dood ontving de familie een telegram met het bericht dat hij aan boord van het andere schip was gestapt en goed in Londen was aangekomen.

De opluchting die het bericht teweegbracht zorgde ervoor dat zijn verloofde niet langer wilde wachten om zich bij hem te voegen. De wederzijdse families gaven hun toestemming en hij is “met de handschoen”  met zijn verloofde gehuwd. Geen sprookjeshuwelijksdag, zoals in de huidige tijd wordt nagestreefd, maar een noodzakelijke formaliteit.

Na het sluiten van het huwelijk werd alles gereed gemaakt om zijn echtgenote zo snel mogelijk over te brengen. Vier weken duurde het nog voordat de oversteek gemaakt kon worden. Vanaf dezelfde plaats als haar echtgenoot twee maanden eerder was vertrokken voer de boot met daarop zijn grote liefde naar Londen.

Advertentie

Levensverhaal (8)

In 1917 werd hij gedemobiliseerd en stond  voor een keuze. Hij werd geselecteerd voor een opleiding voor uitzending naar een margarinefabriek van de firma Van den Bergh & Jurgens in Fulham, Engeland. Wat zou hij doen? In Nederland blijven en vast houden aan het bestaan dat hij had of de overtocht maken en eens wat zien van de wereld. Hij was nog nooit buiten de landsgrenzen geweest. Hij groeide op in een eenvoudig gezin. Zijn ouders waren zeer vrome mensen. Ze leefden volgens de letterlijke regels van het Vaticaan en vonden het voor een man van zijn leeftijd ongehoord ongetrouwd een bestaan in een buitenland op te bouwen. Toch zagen zij ook in dat hij met zijn vertrek een hogere status zou krijgen en de sociale ladder met meerdere treden tegelijk zou bestijgen. Daar kon volgens zijn vader, die een groot zakelijk hart had, niet veel mis mee zijn.

Een extra complicatie om te kiezen voor een vertrek, was dat hij net een jonge dame had ontmoet. Ze waren nog maar kort verloofd en die verloving kon de goedkeuring van zijn ouders niet dragen. Van alle vrome dames in de familiekringen was dat meisje van Bos geen geschikte keuze. Niet dat ze niet vroom was of uit een onbehoorlijke onbemiddelde familie kwam, maar door haar gezondheidstoestand. Zijn moeder kon het niet verkroppen dat hij de voorkeur gaf aan een ziekelijke vrouw die natuurlijk vroeg of laat te veel van zijn aandacht zou opeisen waardoor hij zich niet langer kon richten op zijn statusverhogende bezigheden. Ook zou een dergelijk meisje natuurlijk geen gezonde kinderen voort kunnen brengen waardoor ook nog eens de familienaam op het spel stond. Hij nam een beslissing en als hij een beslissing nam dan bleef hij daar bij. Vastbesloten koos hij voor de liefde en verloofde zich met de liefde van zijn leven. De familie verzoende zich met deze beslissing en besloten werd dat een huwelijk plaats zou gaan vinden. Het was in die tijd absoluut tegen het gezag van God om met elkaar ongehuwd samen te wonen. Een datum werd geprikt. In augustus zou het huwelijk plaatsvinden. De familie vond dat een zomers huwelijk automatisch op de zegen van God zou kunnen rekenen. De tijd van de overvloed zou doorstromen in dit huwelijk.

Het liep anders. Het bedrijf had hem op stel en sprong nodig en hij moest eerder vertrekken.  Met beide handen greep hij de kans aan. Niet in de minste plaats voor de promotie en het daarbij behorende salaris, maar voornamelijk ook voor het avontuur. Naar Engeland gaan en daar zijn kennis overdragen aan anderen en een leven opbouwen in een vreemd land, zag hij met grote vreugde tegemoet.

Op 25 juli 1918 vertrok hij naar de overkant. Zijn verloofde bleef achter in Nederland. De familie had thuis afscheid van hem genomen. De hele dag werd weinig gesproken. Zijn moeder wende haar gezicht af naar hem en depte voortdurend haar ogen. Hij pakte zijn koffer in met een paar schone overhemden, ondergoed, een nieuw bruin pak, drie paar sokken en de bijbel. Het boek werd zorgvuldig tussen de kleding gestopt zodat het netjes de overkant zou bereiken. Toen het moment van afscheid kwam kon zijn moeder het niet verdragen hem te zien vertrekken en trok zich terug in haar slaapkamer. Zijn vader gaf hem een ferme handdruk en keek hem een paar seconden indringen aan. Hij wenste hem een behouden vaart en keek hoe hij de deur uit stapte, niet wetende dat dit misschien de laatste keer was dat hij hem levend zou zien.

Levensverhaal (7)

Het begin dat startte in 1923 of is het beter om te beginnen voor het begin?

Battersea, London, 1917-1935

Op 1 oktober 1912 trad haar vader in dienst als kuiper in de expeditieafdeling van het bedrijf dat thans onder de naam Unilever bekend staat, maar toen in handen was van de heren Van de Bergh en Jurgens. Hij dichtte tot augustus 1914 vaten margarine. Haar vader was een trots man en een harde werker. Niet bijzonder aantrekkelijk om te zien, maar zijn lange gestalte en precies gevormde gelaatsstrekken gaven hem een gedistingeerd voorkomen. Hij was het bedrijf trouw en heeft nooit een dag in zijn leven verzuimd. Hard werken, eer behalen in wat je doet is goed voor een man, vond hij. Op 31 juli 1914 werd hij, zoals velen, gemobiliseerd. Als één van de 200.000 mannen werd hij opgeroepen om zich klaar te maken voor het geval oorlog zou uitbreken. Op het moment was alles nog onzeker, welke positie zou Nederland innemen en wat werd er van de mannen verwacht, maar vader vertrok zonder klagen. Hij was een man van principes. Als zijn land hem nodig had, zou hij alles doen wat in zijn macht lag om te helpen. Op 28 juni 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. De aanleiding, casus belli, van de oorlog was de moord op Aartshertog Frans Ferdinand, troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije, en zijn vrouw Sophie Chotek. Naast de moord op de aartshertog en zijn vrouw was het al langer onrustig in Europa en hing de geur van oorlog al jaren in de lucht.

Vader verbleef drie jaren in trainingskampen. Onder erbarmelijke omstandigheden leerde hij met een geweer in de hand naar de grens te fietsen, hoe hij zich onzichtbaar moest maken en hoe hij kon overleven met zo min mogelijk voedsel. Het was een zware tijd. Uiteraard vielen zijn belevenissen niet te vergelijken met die van de mannen in de loopgraven. Bij thuiskomst sprak vader amper over deze tijd. Hij enige wat hij mee terug bracht was een nieuwe instelling. Een instelling om iets van zijn leven te maken. Het kon niet zo zijn dat dit alles was voor hem. Er wachtte avonturen op hem en die zou hij gaan vinden.

Levensverhaal (6)

Ik probeerde me te herstellen en vroeg hoe ze zich voelde. Een vraag die de meeste mensen uit automatisme, nonchalant, stellen en verwachten dat het antwoord al te kennen. Het zal positief zijn. Een negatief antwoord brengt mensen uit balans. Die diepe emoties willen we niet van elkaar weten, niet dragen. Ze keek me aan met haar lichtblauwe ogen en zei dat ze moe was. ‘Lieverd i am tired. My time has come’. De laatste jaren sprak ze op onverwachtse momenten opeens Engels. Steeds meer moeite had ze met, op het oor, eenvoudige woorden. Maar in het Engels kwamen de woorden vloeiend over haar lippen. Als we gingen winkelen wilde ze altijd bij Vroom en Dreesman, niet V&D, want afkortingen vond ze ronduit verloedering van de taal, een kopje koffie drinken en in het Engels gesprekken voeren over het oude volk dat daar ook zat. Roddelen vond ze ordinair, maar het uitgebreid bespreken van generatiegenoten was voor haar een noodzakelijk gebeuren. Niet dat ze mensen van haar leeftijd als generatiegenoten zag, want zij was anders. Overduidelijk kon zij niet leven met haar leeftijd. Ze bleef jong van geest en tot in de puntjes verzorgd gekleed. Menig generatiegenoot kwam over de Britse tong en werd verweten niet meer verzorgd door het leven te gaan. Zolang de buitenkant er goed uitziet is alles ook goed, was een van haar motto’s. Hoe zwart het binnenste ook kan zijn, laat dat nooit aan de buitenwereld zien. En, die gesprekken voerde ze bij voorkeur in het Engels zodat de anderen niet mee konden luisteren.

Na een tijdje werden de gesprekken minder, de uitjes stopten en het gebruik van de Engelse taal nam toe. Langzaam begon ik te beseffen dat ze terugkeerde naar het begin.

Levensverhaal (5)

Nog een stukje van het Levensverhaal en dan ben ik tijdelijk afwezig. Ik heb besloten dat ik mijn belofte aan mezelf niet breek door tijdelijk niet te publiceren op deze blog, want schrijven doe ik toch wel elke dag. Ik ga nieuwe inspiratie opdoen en zien wat daar uit voortkomt.

Deel 5 Levensverhaal

Ik zat naast haar bed. Haar ogen waren gesloten. Het mondkapje gaf een surrealistisch beeld aan het geheel. Ze leek een beetje op een buitenaards wezen. De groeven in haar gezicht waren dieper geworden. Een onherbergzaam landschap dat barre tijden verried. Haar leven was een aaneenschakeling van drama’s geweest die ze altijd luchtig en vol humor bracht. Maar die groeven symboliseerden de pijn en het verdriet. Ik sloot mijn ogen en herinneringen flitsen met grote kracht door mijn hoofd. De een na de ander in een razend tempo. Ik zie haar in haar auto op me wachten als ze me kwam ophalen van thuis, eens in de twee of drie weken. Haar zoon stond voor de deur en daarachter stond ik met mijn weekendtas. Altijd was er die spanning. Altijd dat moment dat de deurbel ging en de overdracht zonder woorden, zonder aanraking plaatsvond. Ik liep dan met bonzend hart naar de auto waar zij zat. Ik ruik nu haar geur. Die vertrouwde parfum die ze altijd droeg, hing in de auto als een warme deken. Ik ging op de achterbank zitten en sloeg de deken om me heen. Pas na een aantal minuten kon ik mijn blijdschap uiten. Buiten het zicht van die ander, de gekwetste of beter gezegd, de gekwelde.

Dan springen mijn gedachten met een rotgang naar jaren verder. Ik zit op een stoel bij het raam. Voor me staat een beuken ovalen salontafel, eentje die met de nodige boenwas glimmend en trots in de kamer staat. Die tafel was mooi, maar daar keek ik niet naar. Er stond een handgeblazen glazen schaaltje op tafel dat mijn aandacht trok. In dat schaaltje lagen de mooiste schatten die ik ooit zag. Edelstenen van verschillend formaat en kleur. Mooie lapis lazuli, rozenkwarts, amethist en de zwarte mysterieuze onyx. Gefascineerd was ik door die stenen. Ze hadden magische krachten, kwamen uit Zuid-Afrika en mochten nooit aangeraakt worden, waardoor ze telkens aan magie wonnen. Ik vond haar net een tovenaar, een heks misschien. Wat deed ze toch met die stenen?

Ze opende opeens haar ogen, kwam overeind en keek me indringend aan. Ze moest geschrokken zijn van mijn blik want het eerste dat ze zei was: ‘ik ben nog niet dood’. De eeuwige ijsbreker. Ze was zo charmant en kon, hoe moeilijk en ongemakkelijk een situatie ook was, altijd het ijs breken. Soms subtiel, soms geforceerd, maar daarna voelde iedereen zich altijd beter. Haar humor was onovertroffen en met die, van nature aanwezige, charme veroverde ze elk mens. Ze was ook een flirt. Zelfs op de eerste hulp kreeg ze het nog voor elkaar om een dokters assistent van circa vijftig jaar jonger aan het blozen te krijgen. Ik moest lachen: ‘natuurlijk ben je niet dood en dat moet je ook nog maar een tijdje uitstellen. Je laat me toch niet alleen?’ Zodra ik de vraag stelde besefte ik hoe egoïstisch deze klonk. Ik bepaalde toch niet haar moment van sterven. Het was haar moment, haar lijf en haar leven. Het was egoïstisch om me aan haar vast te klampen, maar ik voelde dat ik nog zo veel van haar kon leren en dat ik haar nodig had. Zeker nu. De tijd dat we samen zijn geweest was zoveel korter dan de tijd dat we uit elkaar waren. Uit elkaar door boosheid, verwijten, onbegrip. De schuldvraag was niet relevant, maar de pijn bleef. En nu, nu we elkaar weer gevonden hadden ging ze me verlaten. Dit verlaten zou definitief zijn. Hierna kon ik haar niet meer zoeken, vinden, bevragen en bewonderen. Dan was het voorbij.

Levensverhaal (4)

Vrijdagochtend

Vanochtend bezocht ik haar, niet wetende dat het dus de laatste keer zou zijn. Ze lag in een privé kamer van het Gasthuis. Die misleidende naam. Bij een Gasthuis denk ik toch eerst aan gezelligheid, gastvrijheid en roept de associatie vakantie bij me op. Dit was gewoon een ziekenhuis waar je dus ook dood kan gaan, mooi verpakt in de naam Gasthuis. De weg er naar toe was niet bijzonder te noemen. Zoals altijd reden we met de zon in onze rug weg en kwamen we in de grauwe grijze stad aan. Echt typisch weer om een ziek iemand te bezoeken. Ik had haar kamernummer gekregen van mijn zus, maar kon de kamer na een tijdje zoeken niet vinden. De dienstdoende verpleegkundige wees me naar de juiste kamer, ik keek naar binnen en raakte gefrustreerd. Ik had toch duidelijk gezegd dat ik voor mevrouw Van Weely kwam en de persoon die in dat bed lag was dat dus niet. Maar toen keek ik nog eens en schrok. Ze was het wel. Ze had een zuurstofmasker op en ademde  zwaar. De ogen waren gesloten en de haren waren vet en plakten om haar gezicht. Alle kracht was uit haar lijf verdwenen. Geen spoor meer te bekennen van die sjieke oudere dame die nooit zonder lippenstift, parfum en een goed gekapt kapsel de deur uit ging. De kamer waar ze in verbleef zag er net zo troosteloos uit als haar aanblik. Witte muren, een piepklein raam dat niet open kon en overal apparaten die op haar lichaam aangesloten waren en een kakafonie aan geluid produceerden. Aan de muur aan haar voeteneinde hing een poster van een tropisch eiland. Een verkleurde poster met een palmboom, een strand en wat ooit een azuurblauwe zee moest zijn geweest. Niet een plaats waar je in dit stadium in je leven naar toe wilt. Of misschien toch wel. Misschien probeerde het Gasthuis op deze wijze de mensen een aanblik op de hemel te geven, althans hun interpretatie van de hemel dan. Zij is gelovig en gekluisterd aan dit bed fantaseert zij vast over het hiernamaals. We hadden niet vaak gesprekken over het geloof. Ik vond het lastig. Vooral omdat ik, als hij/zij/het bestaat, boos ben op die God. Zij was nooit boos op God. Ook niet nadat hij van haar een stuk van haar lichaam afnam en nog erger, toen hij haar zoon bruut wegrukte. Maar die poster daar weet ik zeker van dat dit niet haar verbeelding van het hiernamaals was. Mijn cynische ik, die vaak langs komt, riep keihard in mijn hoofd dat het Gasthuis deze troosteloze aanblik gebruikt om te zorgen dat mensen gewoonweg snel willen vertrekken. Alles beter dan deze omgeving.

Levensverhaal (3)

Vrijdagavond

Zij gaat sterven en ik ben er niet bij. Ze ligt daar in haar bed met de witte lakens om haar lijf gedrapeerd. Om haar bed staan haar kinderen, kleinkinderen en ontvangt ze de laatste sacramenten en ik ben er niet bij. Haar dochter huilt zonder te stoppen en voor de buitenstaander hartverscheurend. Haar oudste zoon staat met de hem bekende grimas aan het voeteneinde te kijken naar haar en probeert met een of andere slechte grap, waar vaak veel alcohol in voorkomt, de ijzige koelte in de ruimte te breken. De jongste zoon, de meest verantwoordelijke van het stel, is druk bezig met alles te regelen en iedereen in de gaten te houden zodat hij hier een zakdoek kan toeschuiven en daar een arm kan bieden. De kleinkinderen staan er tussen of hangen in het raamkozijn. De een diep onder de indruk van het hele gebeuren, de ander bezig met het liken van allerlei onzin op Facebook. En ik, ik ben er niet bij.

Met gesloten ogen luistert ze naar de woorden van afscheid. Ze worden gefluisterd alsof met harde stem praten een stilte, een sereniteit, wordt doorbroken. Naar dit moment heeft ze al een tijd toegeleefd. De reacties zijn voorzien, maar toch doet het haar goed dat er gerouwd wordt. Ze was toch immers hun moeder die altijd voor hun klaar stond. Die altijd naar alle verhalen, soms met geveinsde interesse, maar toch, heeft geluisterd. Die hun monden gevoed heeft, die hun kleren gewassen heeft, die hun zorgen gedeeld heeft. Een lang leven van wegcijferen en klaar staan voor iedereen. Vaak uit liefde, maar soms ook uit plichtsbesef.

Ik lig in bed en krijg via de telefoon een verslag van mijn zus. De bijeenkomst is mooi en er zijn woorden gesproken. Ik wil het niet horen. Ik kan er niet tegen en huil. Het enige dat ik kan doen is mijn buik vastpakken en onbedaarlijk snikken. Mijn man moet thuis komen om me te bedaren. Mijn ogen zijn rood, prikken en het snot zit op mijn slaapshirt. Uiteindelijk val ik rusteloos in slaap.

Levensverhaal (2)

Zaterdagochtend

De telefoon gaat. Ik neem op en hoor de stem van mijn zus. Ik hoor de woorden die uit haar mond komen, maar luister niet. Ik kan het niet en wil het niet. Nee, het gaat niet gebeuren. Ze praat door en ik luister niet. Ik weiger. Ze kan zeggen wat ze wil maar zolang ik het niet accepteer gebeurt het niet. Dan opeens krijg ik een schop in mijn buik. Alsof van binnen uit mee geluisterd wordt en ik vermanend wordt toegesproken. Ik voel dat ik de hele tijd mijn adem heb ingehouden en blaas uit. Mijn zus herhaalt alles wat ze daarvoor tegen me heeft gezegd. Mijn man kijkt me aan. Ik zeg tegen mijn zus dat ik het heb begrepen en dat ik er aankom.

Levensverhaal

Proloog

We sterven allemaal. Dat weet iedereen. Je komt schreeuwend tot leven, je longen gevuld met alle verwachtingen die nog waar gemaakt moeten worden. Je lijf in een kramp, maar toch zo flexibel dat je met je tenen je neus kan aanraken. Een verkreukelde kop met plooien die je doen lijken op een buldog, neus ingedeukt, dichte ogen en haren die kleverig van het bloed op je hoofd plakken. Daar lig je dan in een ruimte vol mensen. Een ruimte vol mensen die gelijk van alles van je vinden. De eerste testen die je moet doorstaan. De eerste scores op je levensrapport die ingevuld worden. Bij goedkeuring mag je door. Zo niet dan word je razendsnel weggehaald bij je vertrouwelingen en aan apparatuur gekoppeld die je terug naar start verwijzen. Je krijgt je eerste kleren aan, een zacht gevoerd babypakje met een afstotelijke muts op. Ook al is het 25 graden Celsius in de kamer, die muts moet op, want je bent nu wel geboren maar je lijf kan dat allemaal nog niet aan. De kachel functioneert nog niet goed. Je eerste luier gaat om je billen. Die luier die je later gaat haten want die zorgt voor uitslag die zo hard brand in je billen dat je longen pijn doen van het uitschreeuwen van de pijn. En dan, dan begint het aftellen.

Na een aantal jaren vertrek je weer met dezelfde vaart als toen het ooit begon. De aftocht is vaak stil, alle verwachtingen zijn waargemaakt of verandert in desillusies en je lijf is stijf, verkrampt en gekrompen. Ook nu staan er mensen om je heen die wat van je vinden, apparaten die voortdurend testen hoe het met je gaat, kun je er nog mee door of koppelen we je los? Ook nu heb je weer geen keuze. Die ander beslist over je bestaan. Je draagt je laatste kleren, vaak een kleurloos verwassen ziekenhuishemd die schreeuwt of het einde snel mag komen zodat dit verfoeilijke kledingstuk uit kan. Altijd heb je jezelf goed verzorgd, maar daar lig je dan in je sterfbed en sterfkledij. Geen zacht gevoerd pakje. Nee, een blauw grijs ziekenhuishemd waar de achterkant van open is zodat het personeel makkelijk je hemd kan uittrekken en je luier kan verwisselen. Die luier die je hebt gehaat, waar je zo je best voor hebt gedaan om die niet meer nodig te hebben. Die luier zit nu weer vast gesnoerd aan je middel. Je laatste stop.