Anna (6)

Ik werd wakker van een geluid buiten. Mijn ogen zaten nog dicht geplakt. Ik voelde korstjes aan de randen. ‘Niet wrijven,’ hoorde ik mijn moeder in mijn hoofd zeggen. ‘Dan krijg je strontjes.’ De eerste keer dat ik strontjes in mijn oog had, het was de rechter volgens mij, was ik verbaasd over de naam van deze aandoening. Op die leeftijd had ik het woord “stront” wel eens gehoord, maar dan meer in combinatie met een bezoek aan de wc en had ik het niet geassocieerd met een ontsteking op het ooglid. De medische term hordeolum, maakte het niet veel mooier. Het was best pijnlijk. Op een dag werd ik wakker met een dik en rood ooglid dat plakte aan de bovenkant. Ik zag er wazig door. Dokter De Graaf adviseerde moeder dat ze warme kompressen moest maken en deze op mijn oog moest leggen. Verder zei ze dat ik mijn handen vaker moest wassen en niet zo in mijn ogen moest wrijven. Ik was al niet knap en op deze manier zou het er niet beter op worden. Ik was zes jaar en besloot vanaf dat moment dat ik nooit meer buiten zou gaan spelen, want dan werd ik misschien ook mooi.

Na het ongeluk zag ik moeder opeens zomaar in mijn kamer. Ze glimlachte altijd, maar zei nooit iets. Wel wees ze naar een foto. Die foto hing aan de muur in mijn kleine woonkamer. Ik had geprobeerd de woonkamer gezellig te maken met foto’s en andere persoonlijke spullen. Ik bezocht elke kringloopwinkel in de buurt om mijn appartement mooi aan te kleden. Het resulteerde in een ratjetoe: een explosie van kleuren en vormen. Ik had een mooi klein boekenkastje gevonden in okergeel. De vorige eigenaar had het met liefde beschilderd en aan de binnenkant bekleed met behang met groene bladeren. Mijn mooiste boeken vonden daar een onderkomen. Ik had twee stoelen en een slaapbank. De woonkamer was ook gelijk mijn slaapkamer en eetkamer. Heel functioneel. De ene stoel was van riet en als je daar in ging zitten zakte je een beetje weg. Dit zou men vast bedoelen met loungen. De andere stoel was een rode stoffen fauteuil, een fijne stoel om boeken in te lezen. Ik had een klein vierkant blauw tafeltje gevonden op straat. Ik at daar altijd aan. Hij was laag, dus ik zat veel op de grond. Verder had het appartement een piepklein keukentje en een badkamer met douche, wastafel en wc. Niets bijzonders. Het deed het allemaal. Aan de muur hingen allerlei schilderijen en foto’s. Dat was mijn mijmermuur. Ik keek vaak naar de ingelijste posters van Modigliani, Monet en Klimt: mijn lievelingsschilders.  Dan droomde ik over schilderen. Hoe ik zelf een maagdelijk doek zou omtoveren tot een kunstwerk. En ik dacht aan schoonheid. Dat schoonheid een voorwaarde is voor een goed leven. Voor het ongeluk zag ik veel schoonheid, nu konden de schilderijen me geen vreugde meer schenken. Grijs was de kleur van mijn leven geworden. Ik had met punaises kaarten met gedichten opgehangen en foto’s. Nu was er een lege plek op de muur. De foto had ik na het ongeluk weggehaald. Het aanzicht maakte me misselijk. Naar die plek wees mijn moeder, alsof ze wilde zeggen dat ik iets moest doen. Alsof ze duidelijk wilde maken dat ze achter me stond, wat ik ook zou doen. ‘Maar mamma, wat kan ik doen?’ riep ik uit.

Ik nam me voor vandaag naar buiten te gaan, boodschappen te doen, eten voor mezelf te maken, het ook op te eten en misschien zou ik Roos terugbellen. De foto gooide ik in de papierbak en ik voelde een bepaalde rust over me die ik al in geen maanden had gevoeld. Misschien werkte die slaapmedicatie nu toch. Vanaf nu moest ik sterk zijn. De eerste stap zetten en een plan maken hoe ik mijn demonen te lijf zou gaan.

Auteur: schrijfbianca

Ik schrijf, dus ik ben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s