Anna (10)

De politievrouw die tegenover me stond vroeg of ze binnen mocht komen. Ze wilde met me praten. Ik schuifelde naar achteren en liet haar binnen. Onhandig stonden we tegenover elkaar in het kleine halletje. ‘Zullen we even gaan zitten? Dat praat wat makkelijker.’ Ik wist niet wat ik moest doen. Ze was nu al binnen en ik kon geen kant op. Alles in mijn lichaam verzette zich. Ik wilde niet praten. Het liefste zette ik het nu op een rennen. Weg van hier. Wat kwam deze vrouw in uniform met haar korte blonde haren en helder blauwe ogen doen? Waarover moesten we praten? Ik had geen idee.

‘Hoe gaat het met je?’ vroeg ze. ‘We zijn nog steeds bezig met het onderzoek naar het ongeluk. Kun je me al meer vertellen? Herinner je nog dat we elkaar in het ziekenhuis hadden gesproken?’ Ze keek me aan en haar stem voerde me terug naar die witte kamer en dat koude bed. Ik was binnen gebracht en de volgende dag, nadat ik volledig bij bewustzijn was en het nieuws over de baby had gekregen, kwam een vrouw bij me op bezoek. Eerst dacht ik dat het weer een dokter was, maar aan haar uniform te zien was ze van de brandweer of de politie. Dat wist ik zo snel niet. Ze stelde zich voor als brigadier Maurits. Ik weet nog dat ik toen dacht: ‘Maurits is wel een vreemde naam voor een vrouw,’ maar dat bleek haar achternaam te zijn. Ze pakte een stoel en ging naast me zitten. Ze stelde toen ook al veel vragen. Over hoe het met me ging, of ik wist wat er was gebeurd en dat ze onderzocht wie me had aangereden. Kon ik me misschien iets herinneren, iets over de dader? Wat dan ook. Alles zou kunnen helpen. Ik vertelde haar niets. Staarde naar buiten en hield mijn kaken op elkaar. Natuurlijk wist ik wie het had gedaan. Ik had hem geroken en gevoeld. Het kon niemand anders zijn dan diegene die ik lang lief had gehad. Diegene waarvan ik dacht dat hij ook van mij hield en alleen van mij. Dat bleek niet zo te zijn. Ik had ze samen gezien op kantoor. Hij zat aan haar haar, streek de wilde krullen glad, liet zijn vinger langs haar hals glijden en maakte haar blouse los. Meer had ik niet gezien. Met mijn hand voor mijn mond rende ik naar de wc en gaf drie maal over. Ik zakte neer op de wc vloer en huilde. Alles deed pijn, maar de shock was nog groter. Ik kon niet geloven wat ik zag. Mijn ogen hadden me verraden. Hij had niet alleen een ander lief, maar die ander was zijn eigen bloed. Ik wist niet veel van liefde, maar het lief hebben van je eigen bloed was walgelijk, misdadig, duivels. Deze man, die lang mijn kompaan was, aan wie ik mijn ziel had gegeven en die mij vuurwerk had bezorgd, neukte zijn dochter. Roos had er bang uitgezien, dus ik vermoedde dat het niet vrijwillig was. Het duizelde en ik rende weg.

‘Kun je me dan niets vertellen?’ vroeg brigadier Maurits. Ze was gaan zitten in mijn leesstoel en ik stond nog steeds met mijn rug tegen de muur. Zo voelde het ook. ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik wil niet praten. Ik weet niets,’ stamelde ik onhandig. Eigenlijk wilde ik andere woorden gebruiken. Woorden waaruit zou blijken dat ik niet stom was, maar ze kwamen niet. Ik staarde naar mijn voeten en zag dat ik twee verschillende sokken aan had, een blauwe en een grijze.
‘Vertel me dan wat je nog wel herinnert van die avond. Waar kwam je vandaan? Waar ging je naar toe? Dat soort dingen.’ Ze bleef volhouden. Ze zat op haar gemak in mijn stoel en ik wilde dat ze weg ging. Ga toch weg en laat me met rust. De stem in mijn hoofd werd steeds sterker en voordat ik het wist riep ik naar haar: ‘Ga weg, stom mens. Ik vertel jou niets. Ik vertel het tegen niemand. Niemand weet van de baby. Ook niet dat Arthur de vader is en dat hij zijn dochter neukt en dat hij zei dat hij van mij hield en dat hij weg moet en mij heeft aanreden met die stomme auto van hem. Weg. Allemaal moeten ze weg. Ik weet alles over hem en haar en ik heb tegen hem gezegd dat het moet stoppen. Hij moest bij mij blijven en mij vuurwerk geven. Ik wilde weer kleurtjes zien, maar nu was hij met haar in dat stomme kantoor. Mijn moeder is ook al dood en de baby ook en misschien ga ik nu ook dood. Dood is misschien ook maar beter. Mijn slaappillen zijn al weer op en ik wil gewoon weer slapen. Ga dus nu weg en kom nooit meer terug.’

Brigadier Maurits ging allerminst weg. Ze belde een collega en nog iemand en ging thee voor me zetten. Voorlopig ging ze niet weg zei ze tegen me, maar ik mocht wel in bed gaan liggen. Als ik dan te moe werd dan zou zij me instoppen en kon ik gaan slapen. Ze trok mijn slaapbank uit. Ik ging liggen en dacht aan Roos en aan mijn moeder en aan de baby. Zou Roos nog komen of mijn moeder?

Auteur: schrijfbianca

Ik schrijf, dus ik ben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s