Rotdag

Deze dag blinkt niet uit als een gezellige fijne vrije zaterdag. De dag gaat niet in de boeken als “topdag”. De dieptepunten waren op meer handen te tellen dan de hoogtepunten op 1 vinger. Maar goed, zoals manlief altijd zegt: ‘er is altijd een morgen.’ Daar hoop ik toch wel op en tot nu toe is het altijd waar gebleken. Dat er ooit eens geen morgen meer zal zijn, is geen onderwerp dat me veel bezig houd.

Ik kan een verhandeling geven over deze dag, maar dat bespaar ik iedereen. Te meer omdat, zodra ik het neer getikt heb, ik zelf al wel de absurditeit van mijn eigen ellende inzie. Het gaat uiteraard nergens over. Ik zit niet in de situatie dat ik vastgekluisterd aan een rolstoel in mijn broek zit te pissen en wacht op mijn dood. Vervolgens een cadeau, naast het geschenk van ALS, in ontvangst mag nemen dat uitgezaaide baarmoederhalskanker heet.
Ik waak niet over een doodziek kind dat elk moment in mijn armen kan sterven en nooit zal meemaken hoe het is om van de liefde te proeven. Hoe het is om dronken aan de bar te hangen en dan vol overtuigd te verkondigen dat je broodje nuchter ben. Hoe het is om te studeren, je eerste baan te hebben, je rijbewijs te halen, andere landen te ontdekken etc. etc.
Ik woon ook niet in één of ander door God vergeten oord waar ik moet bedelen voor een hapje rijst en alleen maar vervuild water kan drinken. Waar verkrachtingen en mishandelingen van vrouwen een goed recht is.
Ik hoef ook niet in een gammel bootje naar de andere kant van de wereld te varen om zo een stukje geluk te vinden die blijkbaar hier door verveling en gezeur in therapie weggewerkt wordt.

De cynische ik heeft gewoon een rotdag. Dat ligt volkomen aan mezelf. Mijn directe omgeving reageert er fijn op en de cirkel van ellende is rond. Maar wat is het vooruitzicht toch fijn. Manlief steekt de houtkachel aan, hummels liggen te ronken in hun bed, er heerst een volkomen stilte in huis. Straks een goede film kijken, glaasje prik erbij, chippie in de ene hand en een nootje in de andere. Ik hoef niet eens te wachten tot morgen. Mooi!

Communicatie

Hoe komt het toch dat veel dochters een moeizame relatie met hun moeder hebben. Het was een van de vragen en gespreksonderwerpen afgelopen donderdag tijdens de jaarlijkse verjaardaglunch met een collega die op dezelfde dag jarig is als ik.

Zij concludeerde dat veel moeders vooral met zichzelf bezig zijn en geen nevenactiviteiten/werk hebben zodat ze veel tijd hebben om zichzelf centraal te stellen. Dochters dienen zich te buigen en vormen en te plooien naar de wensen van de gezaghebbende ouder. Een moeder die volop in het leven staat, werkt, hobby’s heeft, vriendinnen ontmoet, met zichzelf op stap kan en zelfstandig is, is vrijer en minder gefocust op die dochter.

Er zit wat in. Vandaag zag ik weer een staaltje communicatie tussen moeder en dochter waar mijn maag van omkeerde. Korte situatieschets: vriendin, alleenstaande moeder van twee kinderen, heeft een ander huis. Noodgedwongen moeten ze verhuizen vanwege een psychisch gestoorde buurman. Vriendin heeft nog geen goudmijn gevonden dus kan elke financiële bijstand gebruiken. Daarnaast is het handig dat je moeder je kinderen opvangt terwijl jij het snot voor je ogen staat te verven om jezelf en je kinderen zo een mooi mogelijk en vooral veilig onderkomen te geven. De moeder in kwestie is dwingend, zij vraagt niets, zij stelt en vooral stellig: ‘heb je al behang gekocht, want je moet behangen. Je mag echt geen structuurverf op de muren smeren.’
Dochter: ‘ik heb daarover gebeld en zolang je geen gekke kleur op de muur doet, mag het wel.’
Moeder: ‘dat kan niet, geloof ik niet.’
Dochter: ‘ik heb gebeld en het mag wel.’
Moeder: ‘lijkt me sterk, kan het me niet voorstellen. Je moet gewoon behangen.’
Dit lieflijke stuk speelde zich af in het openbaar, waar mensen bij aanwezig waren. Ik dus ook. Dochter begint wat rood aan te lopen en haar stem te verheffen: ‘het mag dus wel en dat is wat ik ga doen.’
Moeder: ‘Ik vind het raar. En trouwens waarom haal je verf hier in de buurt en niet waar je korting kan krijgen? Ik heb toch niet voor niets folders bewaard? We gaan nu met de auto verf halen.’
Dochter: ‘dat is niet nodig, want ik heb al verf. Ik ga straks gelijk beginnen.’
Moeder: ‘we gaan nu naar het huis en dan maken we een plan. Want dat heb je vast nog niet.’
Dochter: ‘jawel, ik heb een plan. Begin vandaag met de plafonds te sausen.’
Moeder: ‘nou de kinderen kunnen niet komen want ik heb het te druk. Kijk maar wat je doet.’
Dochter blaast haar frustraties uit en loopt de klas binnen. Moeder vertrekt.

Ik krijg het benauwd van dergelijke conversaties. Zelf ben ik ook moeder en ook dochter. Ik herken veel in het bovengenoemde voorbeeld en telkens begrijp ik het niet. Ik begrijp niet waarom moeders niet onvoorwaardelijk kunnen houden van hun dochter, zonder oordelen, zonder verplichtingen, zonder manipulatie. Het is maar weinigen gegeven. Gelukkig heb ik in mijn omgeving ook een positief voorbeeld, maar ja dat is dan weer zo een moeder met een leven. Laat ik mijn leven dan maar goed vasthouden, als dat het antwoord is.

Veel succes lieve vriendin. Wij slepen je er wel door heen. XXX

 

 

Geluk

Vele lentes later zit ik hier
verlaten achter een raam
een raam dat uitkijkt over
alle mogelijkheden die onbenut blijven
een venster naar de toekomst
maar ook een spiegel naar het verleden
ik kijk er niet door heen
staar in de diepte en zie niets
niets van wat komen gaat
niets van voorbijgaande aard
maar wat is het nu
een blanco scherm
een onbeschreven blad
een niet opgetikt verhaal
een fantasieloos gedicht
het is eigenlijk niets anders dan
geluk
verlammend geluk
dat zorgt voor het stilleggen
van de creatieve stroom
want in het donker leeft er meer
want in de schaduw zwerven de emoties
slaan ze op hol en creëren het lot
maar wat is er nu
een onbestemde rust die woelig woest woedt
een bestendigheid die onbestemd is
een passiviteit die verlamd
altijd weer dat verdomde
geluk

 

Migraine

Migraine laat de tijd stil staan, maakt het licht feller en alle geurtjes dringen als ongenode gasten in mijn neus. Het geluid wordt verstrekt en mijn lichaam raakt in de weerstand. Warm, misselijk, dan weer koud, bonken in mijn hoofd, vastzittende schouders, nek, rug. Vreselijk. Maar de blog  must go on. Dus dan een blog over migraine, bij gebrek aan een positiever onderwerp.

Ik zit met mijn ogen geknepen achter het scherm. Het licht van het scherm brand recht in mijn ogen en schiet als een flits door naar mijn hoofd. Vooral de rechter kant en de voorkant worden te grazen genomen door de pijn. Ik eet niets, want uit ervaring weet ik inmiddels dat eten niet wordt gewaardeerd. Het enige wat ik kan doen is wachten in mijn bed. Dat ga ik dan straks ook doen.

Morgen heb ik een halve drukke ochtend op het werk in het vooruitschiet en daarna een gezellige lunch. Een college is ook op 10 april jarig en dat vieren we elk jaar met een lunch. We hebben naast onze geboortedag en sterrenbeeld veel gemeen met elkaar, vooral humor. De gedachte dat zij in de buurt is op het werk als ik weer eens met mijn kop keihard tegen een muur loop, maakt heel veel goed. Te weten dat ik oververhit een kamer binnen kan stormen en ongenuanceerd tekeer kan gaan, geeft glans aan het werk. Een gepassioneerde, intelligente vrouw met humor en pit, waar vind je die nog? Elke keer hebben we genoeg gespreksstof voor een lunch, zo veel dat we daarna (zo een half jaartje) een tweede plannen: aangezien we dan toch alweer 40 en een half zijn (in mijn geval dan). Dus nu schop ik mezelf weer in mijn bed, zip een klein beetje water weg en droom dat ik morgen weer top fit ben, want the lunch must go on.

Roos: Einde

Hij kwam binnen en pakte me vast. Zo stonden we zeker tien minuten. Ik liet het gebeuren. Het voelde goed. Al die jaren dat we naast elkaar hadden geleefd kwamen in dit moment samen en ik voelde me verbonden. Ik stelde hem geen vragen. Natuurlijk vroeg ik me wel af hoe hij wist dat ik hier was en waarom hij mij had gezocht, maar ik voelde aan dat alles op zijn plaats zou vallen als ik hem zijn gang zou laten gaan. Hij pakte mijn hand en we gingen op het slaapbankje van Anna zitten. Op de vloer lagen alle brieven en foto’s en schriftjes. Buiten begon het keihard te regenen en bliksemschichten vuurden vervaarlijk door het raam naar binnen. Hij begon te vertellen.

‘Ik heb je heel wat uit te leggen, lieve Roos. Ik weet al langer dat Arthur de vader van Anna is en dat die smeerlap misbruik van haar maakte. De moeder van Anna was zijn secretaresse en langzamerhand werd ze zijn maîtresse. Ze kregen Anna en het leek er in eerste instantie op dat Arthur kalmeerde. Hij had nu twee dochters en dat leek een gunstig effect te hebben op hem. Dat was niet van lange duur. De jaren gingen voorbij, de vrouwen kwamen en gingen. Je moeder berustte in de situatie, maar ik zag dat ze er aan kapot ging. Ze vermagerde, ging amper naar buiten en wilde alleen maar bij haar bloemen en planten zitten. Arthur nam Anna wel eens mee naar het huis en dat maakte haar kapot. Ik haatte hem op die momenten. Hij was vaak weg en jij dartelde zo puur mogelijk door het leven en dat grote huis heen. Tot op die ene dag. Jij was veranderd. Ik begreep niet wat er was gebeurd, maar later plakte ik alle gruwelijke puzzelstukjes aan elkaar en werd het me duidelijk. Nog veel later werd ook duidelijk dat Arthur een relatie was begonnen met Anna. Ik probeerde haar te waarschuwen, maar kon haar niet bereiken. Ze sloot zich af voor de buitenwereld en leefde alleen voor Arthur.
Twee weken geleden zag ik Anna in de stad. Ik was boodschappen gaan doen en besloot een broodje te eten in de boekwinkel. Jij was niet aanwezig, althans dat dacht ik. Anna had de tafels schoon gemaakt en liep naar achteren. Ik zag dat ze door de deur met het bordje “privé” uit mijn zicht verdween. Nog geen vijf minuten later rende ze door diezelfde deur naar de toiletten. Ze zag bleek en in haar ogen zag ik angst. Ik besloot ook naar toilet te gaan om te kijken wat er met haar aan de hand was. Ik hoorde haar braken en schreeuwen. Het leek alsof ze verscheurd werd door wilde honden. Hartverscheurend huilde ze. De deur met het bordje “privé” erop stond op een kier en ik liep naar achteren. Daar was het kantoor van Arthur. De deur naar zijn kantoor stond een klein beetje open en ik keek door een spleet. Daar zag ik Arthur met een vrouw. Haar bovenlichaam was naakt en ze lag voorovergebogen op zijn bureau. Zijn broek hing op zijn knieën en ik zag dat de rok van de vrouw omhoog op haar billen lag. Hij stootte zijn geslacht hard in haar. Hij kreunde en de vrouw tilde licht haar hoofd op. Hij trok aan haar haren en toen leek het alsof mijn wereld instortte. Die vrouw die hij bruut en wild bereed, was jij Roos.
Ik rekende mijn broodje af en reed naar het huis. Legde de boodschappen weg en besloot dat ik nu de dagboeken van je moeder moest lezen. De drang was te groot. Ik ging niet eens voorzichtig te werk. Ik pakte de doos met oude dagboeken en zocht naar de juiste datum en daar stond wat ik al die jaren al had vermoed, maar niet durfde onder ogen te zien. Daar stond het geschreven en ik wist gelijk dat dit de waarheid was en dat dit grote gevolgen zou hebben en dat ik nu niet langer in de schaduw zou blijven staan. Je moeder betrapte me in haar kamer en liet me zweren dat ik het je nooit zou vertellen. Ze verbrandde die dagboeken zodat jij ze niet meer kon vinden, één exemplaar liet ze over: een gecensureerde versie met halve waarheden. Ik wist niet wat ik moest doen. Ze dwong me, ze dreigde met ontslag, met schande, met me kapot maken. Ik wist het niet meer.
Op een avond besloot ik dat ik iets moest doen en reed naar de boekenwinkel. Ik had Arthur gebeld en gevraagd of hij naar de winkel wilde komen voor een belangrijke bestelling. Hij was binnen. Dat moest wel, want ik had zijn auto zien staan om de hoek. Ik liep naar achteren en opende de achterdeur. Ik besprenkelde de keuken met benzine,  liep voorzichtig door naar de winkel. In het café gedeelte gooide ik nog meer benzine, maar ook schoonmaakmiddelen. Ik stak een lap in brand en gooide die in de ruimte, rende vervolgens weg en bleef op een afstand staan kijken hoe de winkel in de hens vloog. Niet veel later, toen de brandweer inmiddels was gearriveerd, zag ik jou met Arthur voor het brandende pand staan. Alles was mislukt. Ik wilde hem doden, Roos. Hij moest bloeden voor wat hij allemaal heeft gedaan.’

Ik keek naar de grond en wist niet wat ik moest zeggen. Gerard staarde naar het plafond. Het verhaal was er in één ademteug uit gekomen.  En nu zaten we hier naast elkaar. Gerard was dus mijn vader en wilde mij redden. Hij wilde iedereen redden. Hij had een poging gewaagd mijn moeder te redden. Hij wilde Anna redden en nu mij. Al die jaren had ik een bijzondere band met hem gevoeld en al die jaren klopte dat dus. Ik had in een korte tijd een vader verloren, een zus gekregen en verloren, een moeder verloren en een vader erbij gekregen. Het verhaal voelde niet als een einde, maar als een begin. Het begin van een nieuw leven, voor mij, voor Gerard en voor Anna. Zij was vrij en ik bevrijd. Vanaf dit moment kon Arthur mij niet meer raken. Hij was niet kapot gemaakt door Gerard, hij was niet dood gegaan bij de brand, maar hij zou mij nooit meer raken. Hij zou geen enkel kind ooit meer kunnen raken.

EINDE

 

 

Roos (12)

Vanuit het ziekenhuis vertrok ik naar het huis van Anna. Dokter De Graaf had me haar sleutel gegeven en toen ik voor de deur stond moest ik even op adem komen voordat ik naar binnen kon. Ik had beloofd kleren voor Anna op te halen zodat ze mooi in haar kist zou liggen. Ik wist niet wat ik kon verwachten in het appartement. Ooit was ik er binnen geweest en onpasselijk geworden van de lucht die er hing en de kleine ruimte. Wat een naar mens ben ik toch. Ik had Anna altijd minderwaardig behandeld. Hoe kon ik dat toch doen?

Het appartement was uiteraard nog even klein en het rook er muf. Ik zette eerst een raam open en liep wat rond. Bekeek de boeken in haar kastje en zat even in haar leesstoel. Ik nam de tijd om de ruimte op me in te laten werken. Het was kleurrijk en creatief, eigenlijk zag het er best mooi uit. Alles paste op een gekke manier bij elkaar. Naast haar slaapbank, die nog uitgetrokken was, stond een klein kastje. Ik voelde een sterke behoefte daar in te kijken. Het lag er vol met schriftjes, brieven en papieren. Mijn ogen vlogen heen en weer over de pagina’s. Mijn handen begonnen te trillen en nadat ik een half uur had gelezen rende ik naar de badkamer om voor de tweede keer die dag mijn maag te legen. De brieven waren liefdesbrieven van Anna aan Arthur, allemaal retour gezonden. De inhoud werd hoe langer hoe meer wanhopiger. Ik kon niet geloven wat ik las. Anna had een relatie gehad met Arthur, de man die haar vader was. Ik vond ook nog een dagboek waarin ik las over hun ontmoetingen, over het vuurwerk waar Anna het over had en over haar ontdekking. Ze had ontdekt dat Arthur er meerdere vrouwen op na hield. Dat hij relaties had met jonge vrouwen en dat ze mij met hem in zijn kantoor had betrapt. Ze schreef over haar verdriet en angst.
Onderin het kastje stond een klein doosje. Ik opende het doosje en zag letterlijk het bewijs voor de woorden die ik net tot me had genomen. Foto’s van een naakte Anna en een naakte Arthur. Dat naakt dat ik vaker had gezien dan me lief was. Het werd me teveel.

Een paar uur later schrok ik wakker. Ik was blijkbaar in slaap gevallen op de slaapbank. Mijn haar klitte rond mijn mond en ik proefde het slijm dat uit mijn mond was gedropen en aan mijn kin zat geplakt. Het leek alsof de wereld er anders uitzag. Alle gebeurtenissen van de afgelopen dagen kwamen langs als ongenode gasten. Gasten die hun plek aan tafel opeisten en niet meer weg gingen. Ik moest de informatie in mijn hoofd ordenen. Ik moest nadenken. Ik wilde een glas water pakken toen de zoemer van de entreedeur ging. Het glas viel uit mijn handen. Wie wist er dat ik hier was? Misschien kwam Arthur Anna opzoeken. Wat moest ik doen? De zoemer bleef aanhouden en leek steeds luider te worden. Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn angst en ik opende de deur. Nooit had ik kunnen vermoeden dat hij naar boven zou komen. 

 

Club

De veertig is bereikt. Ik werd wakker en deed mijn ogen open en was beland in een nieuwe club, althans een aantal felicitaties gingen gepaard met een mededeling dat ik nu bij de club van de veertigers hoor. Wat voor club dit precies is, weet ik niet. Vast zoiets als de club van de dertigers. Een club die alleen leden heeft maar verder nagenoeg geen activiteiten organiseert. Je hoeft er niets voor te doen en je krijgt er ook niets van. Het stelt, wat mij betreft, net zoals het cijfer niets voor.

Zoals bedacht is vandaag ook niets gebeurd dat mijn leven heeft veranderd. Ik heb vandaag gewoon ontbeten en ook gescheten, misschien iets meer dan normaal maar dat lag vooral aan de inhoud die ik de dag ervoor naar binnen had gewerkt. Het hoofd en lijf zag er ook nog hetzelfde uit en het gezin was ook niet plotsklaps veranderd. Nog steeds werden er billen geveegd, broodjes gesmeerd en theetjes gedronken. Het enige wat wel degelijk anders was dan bij de jaren die ik heb gespendeerd in het dertigers tijdperk, is -overduidelijk- het getal. Veertig klinkt wel ouder. Alsof ik opeens ben getransformeerd in een volwassene. Maar dat is natuurlijk niet zo, want je bent wie je bent al ben je honderdvijfentachtigduizendmiljoenveertigdrie, zoals mijn kind zegt.

Morgen wordt datzelfde kind vier en dat vind ik een hele mijlpaal. Ze gaat dan voor vast naar school. Niet meer oefenen, maar volle bak vooruit en dat vind ik prachtig. Die ontwikkeling, die groei.

Ik sluit de eerste dag veertig moe af en met een enorme literaire winst: 4 boeken en twee dichtbundels ben ik naast een jaar rijker geworden. Kom maar op met die tweede dag.

 

 

Feest

Vandaag was een vriendinnendag. Mijn liefste vriendinnen kwamen lunchen en een workshop buikdansen volgen. Het was fantastisch om al deze vrouwen om me heen te hebben.

Ik bedank iedereen:
– Marjan, mijn oudste vriendin: ik zie u zo graag. Bedankt voor je eeuwenoude vriendschap.
– Maaike, mijn creatieve vriendin: ik zie u zo graag. Bedankt voor je creativiteit en humor.
– Mieke, mijn echte oudste vriendin: ik zie u zo graag. Bedankt voor al je steun en schouder.
– Connie, mijn exotische vriendin: ik zie u zo graag. Bedankt voor je lach en gezelligheid.
– Annie, mijn gekste vriendin: ik zie u zo graag. Bedankt voor je gekkigheid en je luisterend oor.
– Yvonne, mijn schrijfvriendin: ik zie u zo graag. Bedankt voor je verhaal en vriendschap.
– Pim, mijn zussenvriendin: ik zie u zo graag. Bedankt dat je mijn zus bent.

We hebben gelachen, we zijn ontroerd geweest, we hebben gegeten, we hebben gedronken, we hebben geschud met die billen, we hebben liefde gedeeld. Jullie zijn allemaal bijzonder en door jullie voel ik me bijzonder en jarig. Dank jullie allemaal: ik zie jullie graag.

 

Honderd

Het plan was om vandaag verder te gaan met het verhaal over Anna en Roos. Dat verhaal is in de laatste fase beland. Het einde is in zicht en dat voelt bijzonder vreemd. Ik ben toch gaan houden van Anna en Roos. Er zit een beetje van mezelf in. Dit verhaal kan veel dieper en uitgebreider en wie weet komt dat er ook nog wel van als ik het ga herschrijven, maar voor nu is het goed.

Maar dan toch nu geen vervolg op het verhaal. Nee, dit is mijn 100-ste blog. Ik heb het gehaald. De eerste 100 blogs ooit van mijn hand. Dat betekent 100 dagen achter elkaar schrijven. Elke dag achter mijn pc en schrijven. Soms onzeker en in verwarring: wat zal er uit mijn vingers komen? Andere momenten zeker en direct. Vandaag kijk ik kort terug op 100 dagen schrijven. Wat heeft het me gebracht? In ieder geval heb ik mevrouw kritiek tot bedaren gebracht en hebben de dames fantasie en humor aan terrein gewonnen. Pure winst, dat vervolgens resulteert in meer schrijfvertrouwen en rust in mijn hoofd. Ik heb geschreven over persoonlijke momenten, over overpeinzingen, over mijn held Janis en de dood van David Bowie en ik ben zeer openhartig geweest. Dat voelt goed. Soms hoor je wel eens zeggen dat schrijven therapeutisch werkt. Dat weet ik dan niet precies, maar het werkt voor mij wel bevrijdend. Dat wat in mijn hoofd rondzingt wordt nu definitief vastgelegd en daarmee verliest het zijn kracht in mijn hoofd. Ik merk dat ik daardoor rustiger wordt. Het nadeel van elke dag schrijven is dat het verslavend werkt. Ik wil op een bepaald moment schrijven, zo net nadat de kinderen op bed liggen en wordt er kriegelig van als ik word gestoord.

Mijn doel was om schrijfritme op te doen en te leren. Ik leer elke dag en raak ook elke dag weer geïnspireerd. Elke dag zoek ik naar de juiste woorden, naar het juiste gevoel. Wat wil ik delen? Wat speelt er op dit moment en wat voel ik? Het verhaal van Anna en Roos is een hoogtepunt, mijn dichtsels zijn dierbare vrienden en kinderen van me geworden en de toekomst ziet er rooskleurig uit. Nieuwe verhalen borrelen op en de zoektocht gaat door.

Lang leve de honderdste blog!

Anna (12)

Het speciale rusthuis bleek niets anders dan een ziekenhuis te zijn. De rit ernaar toe duurde een paar minuten en toen ik aankwam werd ik over gebracht naar een afgesloten gedeelte waar boven op de deur “psychiatrie” stond. Ik begreep onmiddellijk wat dat betekende. Ze geloofden me niet. Ze dachten dat ik gek was. Ik moest hier weg.

Dokter De Graaf was de hele tijd bij me gebleven in de ambulance. Ze toetste van alles in haar telefoon en keek af en toe zorgelijk naar mij. In het ziekenhuis werd ik verwelkomd door een jonge vrouw. Ze had de donkerste huid die ik ooit had gezien en hele kleine krulletjes die stijf tegen haar hoofd geplakt zaten. Ze nam mijn tas aan en begeleidde me naar een kamer. Ik installeerde me in bed en werd aan een infuus gelegd. Al snel was de kamer leeg en staarde ik naar het plafond. Ik was leeg en het leek wel of alle gedachten mijn lichaam hadden verlaten. Ook was ik ontdaan van ieder gevoel. Leeg was ik, een leeg omhulsel.

De deur werd met kracht opengegooid. Arthur kwam binnen gerend met een rood aangelopen hoofd en een dikke ader die wel leek te leven. ‘Wat heb jij allemaal gezegd? Stomme kleine koe.’ Hij trok aan mijn arm en het infuus schoot los. Hij schudde me heen en weer en het bed begon te bewegen. ‘Je moet je grote bek houden. Je weet niet waar je het over hebt en zeker niet met wie je te maken hebt,’ riep hij. Speeksel kwam uit zijn mond en belandde op mijn wang. ‘Ik heb helemaal niets gezegd. Alleen dat we van elkaar houden en dat wij vuurwerk samen hebben,’ jammerde ik zacht. Hij proestte het uit en riep: ‘van elkaar houden. Je bent niet goed wijs. Ik voel alleen maar minachting voor je. Het enige waar jij godverdomme goed voor bent is voor het openstellen van je benen. Ik wilde alleen je kut, niet het mens dat er aan vast hangt. Ik wil altijd alleen maar kut, welke dan ook. Die van je moeder, die van Roos of die van jou. Wat maakt mij dat uit. Je bent nog dommer dan je eruit ziet. Je hebt het ook nooit doorgehad van mij en je moeder. Ik was geen vriend van je moeder. Ik neukte haar, gewoon wanneer het mij uitkwam en zo ben jij ook ontstaan. Een foutje natuurlijk, maar toen ik zag hoe je opgroeide en hoe strak je in je vel zat, kon ik het niet weerstaan. Het bleek allemaal makkelijk te gaan, want jij was zo gewillig, zo naïef. Maar nu ben je te ver gegaan door de dokter te betrekken hierin. Ik heb altijd gezegd dat je onze relatie stil moest houden, nou ja, onze eenzijdige relatie dan. Maar je hebt je mond voorbij gepraat. Dat heb je al eerder geprobeerd en toen heb ik maatregelen getroffen. Ik moest jou stoppen. Helaas raakte ik je fiets onhandig waardoor de schade beperkt is gebleven.’ Ik trilde over mijn hele lichaam en voelde mijn bed nat worden. Ik liep leeg van angst en verdriet. Hij pakte mijn keel beet met beide handen en kneep mijn strot dicht. Hij zette meer kracht en ik voelde mijn eigen kracht, dat kleine beetje dat ik nog had, wegglijden. Ik sloot mijn ogen en verwelkomde de dood. Ik was er klaar voor. Dit leven was een aaneenschakeling van teleurstellingen en pijn geweest. Het was goed zo. Ik berustte in mijn lot. Opeens kreeg ik weer lucht en boog de donker getinte dokter zich boven me en vroeg waarom ik het bed had verschoven en het infuus er uit had getrokken.

In mijn tas zaten de nieuwe slaappillen die ik van dokter De Graaf had gekregen. Ze had een grote hoeveelheid gegeven, want dan kon ik vooruit, had ze gezegd. Daarbij had ik ook antidepressiva gekregen. Ik haalde alle pillen uit de verpakking. Ik vond ook nog wat paracetamol en diclofenac en ibuprofen. In mijn toilettas stopte ik altijd een paar doosjes van iedere soort, voor het geval dat. Nu was dat geval. Ik propte alles in mijn mond en nam een grote slok water om het weg te spoelen. Nog een hand met pillen en nog een slok water. Nog een strip leegmaken en doorslikken met water. Er was nog over. Ik nam alles en belde Roos. Ik wilde haar als laatste persoon spreken. Ik zou haar vertellen over Arthur. Dat hij gevaarlijk was, dat hij boos was, dat ze moest oppassen. De toetsen werden wazig. De telefoon ging over en over en over en sprong op voicemail. De telefoon viel uit mijn hand en ik viel mee, op reis naar de duisternis of misschien wel het licht.