Anna (6)

Ik werd wakker van een geluid buiten. Mijn ogen zaten nog dicht geplakt. Ik voelde korstjes aan de randen. ‘Niet wrijven,’ hoorde ik mijn moeder in mijn hoofd zeggen. ‘Dan krijg je strontjes.’ De eerste keer dat ik strontjes in mijn oog had, het was de rechter volgens mij, was ik verbaasd over de naam van deze aandoening. Op die leeftijd had ik het woord “stront” wel eens gehoord, maar dan meer in combinatie met een bezoek aan de wc en had ik het niet geassocieerd met een ontsteking op het ooglid. De medische term hordeolum, maakte het niet veel mooier. Het was best pijnlijk. Op een dag werd ik wakker met een dik en rood ooglid dat plakte aan de bovenkant. Ik zag er wazig door. Dokter De Graaf adviseerde moeder dat ze warme kompressen moest maken en deze op mijn oog moest leggen. Verder zei ze dat ik mijn handen vaker moest wassen en niet zo in mijn ogen moest wrijven. Ik was al niet knap en op deze manier zou het er niet beter op worden. Ik was zes jaar en besloot vanaf dat moment dat ik nooit meer buiten zou gaan spelen, want dan werd ik misschien ook mooi.

Na het ongeluk zag ik moeder opeens zomaar in mijn kamer. Ze glimlachte altijd, maar zei nooit iets. Wel wees ze naar een foto. Die foto hing aan de muur in mijn kleine woonkamer. Ik had geprobeerd de woonkamer gezellig te maken met foto’s en andere persoonlijke spullen. Ik bezocht elke kringloopwinkel in de buurt om mijn appartement mooi aan te kleden. Het resulteerde in een ratjetoe: een explosie van kleuren en vormen. Ik had een mooi klein boekenkastje gevonden in okergeel. De vorige eigenaar had het met liefde beschilderd en aan de binnenkant bekleed met behang met groene bladeren. Mijn mooiste boeken vonden daar een onderkomen. Ik had twee stoelen en een slaapbank. De woonkamer was ook gelijk mijn slaapkamer en eetkamer. Heel functioneel. De ene stoel was van riet en als je daar in ging zitten zakte je een beetje weg. Dit zou men vast bedoelen met loungen. De andere stoel was een rode stoffen fauteuil, een fijne stoel om boeken in te lezen. Ik had een klein vierkant blauw tafeltje gevonden op straat. Ik at daar altijd aan. Hij was laag, dus ik zat veel op de grond. Verder had het appartement een piepklein keukentje en een badkamer met douche, wastafel en wc. Niets bijzonders. Het deed het allemaal. Aan de muur hingen allerlei schilderijen en foto’s. Dat was mijn mijmermuur. Ik keek vaak naar de ingelijste posters van Modigliani, Monet en Klimt: mijn lievelingsschilders.  Dan droomde ik over schilderen. Hoe ik zelf een maagdelijk doek zou omtoveren tot een kunstwerk. En ik dacht aan schoonheid. Dat schoonheid een voorwaarde is voor een goed leven. Voor het ongeluk zag ik veel schoonheid, nu konden de schilderijen me geen vreugde meer schenken. Grijs was de kleur van mijn leven geworden. Ik had met punaises kaarten met gedichten opgehangen en foto’s. Nu was er een lege plek op de muur. De foto had ik na het ongeluk weggehaald. Het aanzicht maakte me misselijk. Naar die plek wees mijn moeder, alsof ze wilde zeggen dat ik iets moest doen. Alsof ze duidelijk wilde maken dat ze achter me stond, wat ik ook zou doen. ‘Maar mamma, wat kan ik doen?’ riep ik uit.

Ik nam me voor vandaag naar buiten te gaan, boodschappen te doen, eten voor mezelf te maken, het ook op te eten en misschien zou ik Roos terugbellen. De foto gooide ik in de papierbak en ik voelde een bepaalde rust over me die ik al in geen maanden had gevoeld. Misschien werkte die slaapmedicatie nu toch. Vanaf nu moest ik sterk zijn. De eerste stap zetten en een plan maken hoe ik mijn demonen te lijf zou gaan.

Roos (5)

‘Ik had wel verwacht dat je hier zou zijn,’ zei hij. Hij hield zijn hand nog steeds op mijn schouder en bleef achter me staan. Ik voelde zijn warme adem in mijn nek. Hij kwam te dicht bij. Ik probeerde weg te stappen, maar zijn greep werd sterker. Zo bleven we een tijdje staan. Het waren seconden, maar het voelde als lange minuten. ‘Zullen we wat gaan drinken? Dan kunnen we de lopende zaken even doornemen en een plan maken hoe het nu verder moet met de zaak.’ Hij formuleerde een vraag, maar de vraag gaf maar ruimte voor één antwoord. Ik stemde in en stelde een café in de buurt voor. Dat wilde hij niet. ‘Laten we maar naar jouw huis gaan. Dat praat makkelijker. Je hebt vast alle papieren bij de hand. Het is al weer een tijdje geleden dat ik bij je ben geweest. Ik ben benieuwd naar je nieuwe bank.’

Hij was met de auto en reed stapvoets achter me. Hij had een andere auto. Hij draaide zijn raam open en kwam naast me rijden. ‘En? Wat vind je ervan? Een paar dagen geleden heb ik de Benz verkocht. Het werd tijd voor een elektrische. Ik wil met mijn tijd meegaan en kon deze snel krijgen. Mooi ding hé? Het is het nieuwste sportmodel, hij heeft een bereik van 480 kilometer en koste slechts een halve ton. Nou ja, met alle extra’s iets meer, maar dan heb je ook wat.’ Het boeide me geen moment. Ik liet hem in de waan zodat hij misschien rustig bleef en echt alleen maar over de zaak wilde praten.

Hij bekeek mijn appartement met een kritische blik. ‘Het is een zootje bij je. Komt die Poolse hulp niet meer? Je bank is smerig. Hoe komt dat? En, waarom heb je voor wit gekozen? Dat past toch niet bij jou. Hoe zit tie eigenlijk?’ Hij plofte neer op de bank en deed zijn schoenen uit. Ik wilde niet dat hij languit ging liggen en het zich gemakkelijk zou maken. Ik zei: ‘wil je wat drinken? We kunnen aan tafel zitten. Dan kunnen we gelijk de afspraken met de leveranciers doornemen en wat we doen met de openstaande facturen.’ Hij bleef liggen. ‘Nee, ik lig hier goed en jij komt bij me liggen. De brand heeft me van mijn stuk gebracht. Nu wil ik niet praten over zaken. Je weet wat ik wil en dat kom ik nu halen. Kom naast me liggen!’ Zijn stem was dwingend. Ik wist wat er ging gebeuren, deed wat hij vroeg en probeerde af te reizen naar een andere wereld.

Na een uur vertrok hij, sprong ik onder de douche en schrobde me schoon. Het water moest heet zijn en de zeep kroop in mijn huid. Ik schrobde net zo lang totdat mijn huid er rood van zag. Ik droogde me af en ging in bed liggen. Ik voelde een enorme drang om Anna te bellen. Ik wist niet wat ik tegen haar zou zeggen. Waarschijnlijk zou ik haar belachelijk maken of gaan afzeiken. Als ik haar stem maar even kon horen. Ze nam niet op. Ik belde nog vier keer. Geen contact, zoals altijd tussen ons. 

Anna (5)

Ik schrok wakker, hevig zwetend en zwaar ademend. Ik sloeg met mijn armen om me heen en de lamp die op mijn nachtkastje stond, viel met een klap op de grond. Daar schrok ik nog meer van. Op de tast zocht ik het lichtknopje van de andere lamp. Het was inmiddels donker. Mijn telefoon vertelde me dat het 23.00 uur was geweest. Had ik dan al die tijd geslapen? Ik trok mijn kleren uit en deed een raam open. Ik had frisse lucht nodig.

Zittend op de rand van het bed zag ik de beelden van mijn droom op mijn netvlies voorbij schieten. Ik zag mijn fiets en de koplampen van die auto. Die klap, de pijn en dat gezicht dat over me heen boog. Ik werd opgetild en voelde dat ik werd meegenomen, maar ik kon me niet bewegen. Mijn armen lagen langs mijn lijf, mijn benen waren slap en mijn hoofd bonkte. Ik wilde roepen en schreeuwen, maar mijn longen vulden zich niet met lucht, mijn stembanden waren verlamd en mijn tong lag als een lap in mijn mond. Het volgende moment lag ik in een kamer met witte muren. Witte mensen met witte mondkapjes bogen zich over me heen. Ze riepen heel hard mijn naam. Ze duwden aan mijn schouders. Laat me met rust, doe toch zachtjes en blijf van me af, dacht ik. Opeens lag ik in een andere kamer met allemaal baby’s om me heen en bloed. De baby’s waren buiten proporties. Ze hadden grote paars gekleurde hoofden en mini beentjes. Ze huilden onhoorbaar en het bloed droop langs hun kin. Het werden er steeds meer en ze kwamen steeds dichter bij en op het moment dat eentje me wilde aanraken schrok ik wakker.

Nu zat ik hier op de rand van mijn bed met mijn telefoon in de hand. Ik wilde iemand bellen. Ik kon niemand bellen. Niemand mocht ooit te weten komen wat er was gebeurd, zeker Roos niet. Ik zag dat ze me had gebeld, vijf keer zelfs. Ze had geen bericht achter gelaten. Ze wilde natuurlijk weten wanneer ik weer kon gaan werken. Maar hoe moest dat dan, nu de keuken was afgebrand? Ik moest vast alles opruimen. Misschien moest ik mijn geheim met haar delen, want ik wist het ook van haar én hem. Als ik daar aan dacht moest ik kokhalzen. Misschien zouden we elkaar kunnen helpen. Misschien konden we er samen iets tegen doen. Het was allemaal mijn schuld of niet? Ik wilde haar nu niet terugbellen. Niet nu. Ik besloot nog een pil te nemen. Nee, ik nam er twee. Dat zou de pijn vast beter verdoven.

Roos (4)

Het eindigde met Tom zoals het altijd eindigt met Tom. We kwamen klaar, veegden onszelf schoon en kleedden ons aan. Meestal werd er geen woord gesproken. Vandaag was dat anders. Ik merkte aan Tom dat hij afgeleid was. Hij voelde zich niet op zijn gemak. ‘Je moet nu echt gaan. Moniek kan elk moment langskomen en het lijkt me niet verstandig als je er dan nog bent’, zei hij. Ik draaide me om en trok mijn bh aan. Als ik had gekregen waarvoor ik kwam, wilde ik niet dat hij me nog naakt zag. Ik kon er niet tegen als hij me met zijn ogen opnam, alsof ik een object was.

‘Wat komt ze doen? Hebben jullie weer iets dan?’ Het kwam er hard uit. Ik wilde niet dat Tom weer met Moniek omging. Ik hoefde hem ook niet, maar wilde al helemaal niet dat zij weer een plek kreeg in zijn leven. Het was alweer een jaar geleden dat ze, na een middag inkopen doen, terug kwam in het restaurant. Ze bracht de bloemen naar de keuken om ze daar in emmers met water te zetten zodat ze vers bleven voor de avond. Ze liep wat rond en zong een vrolijk liedje. Wat het precies was kan ik me niet herinneren. Toen ze haar jas had opgehangen kwam ze het kantoor van Tom binnen. Eerst vond ze een paar kledingstukken en later de personen die erbij hoorden. Ze zag ons liggen op zijn bureau. Het enige wat ik kon doen was naar haar lachen. ‘Tja meid, zo een mooie man kon ik niet weerstaan,’ dacht ik. Tom probeerde de situatie te redden met clichés zoals: ‘het lijkt niet wat het is. Ik voel niets voor haar. Jij bent de enige.’ Een redelijke gênante vertoning werd het. Dat was het moment hij daalde in aantrekkelijkheid en achting.

‘Ze wil met me praten en ik wil heel graag onze relatie een nieuwe kans geven,’ stamelde hij. Ik trok de rest van mijn kleren aan, keek hem aan en vertrok zonder een woord te zeggen. Het werd tijd dat ik een kijkje ging nemen in de winkel. Het rapport van de brandweer moest ik ook nog lezen en uiteindelijk zou ik Anna moeten bellen. Ik stapte op mijn fiets en reed naar de winkel. De winkel zag er slecht uit. Uit het eerste onderzoek van de brandweer bleek dat er sprake was van een gaslek. Door het aanslaan van de koelkast moest er een vonk zijn ontstaan die ervoor zorgde dat er een ontploffing kwam met als gevolg een grote brand. Een ongeluk dat waarschijnlijk niet voorkomen had kunnen worden. De brandweercommandant gebruikte de woorden “pure pech mevrouw.” De verzekering zou de schade wel dekken. Dat was geen probleem. Pa regelde die zaken altijd. Ik had hem al een paar dagen niet gezien en dat beangstigde me. Dat betekende dat hij binnenkort wel weer langs zou komen. Niet aan denken. Niet aan denken.

Ik moest me concentreren op de winkel. Alles wat we aan boeken konden redden moesten we ergens opslaan, dan moesten de panden gereinigd worden en hersteld. Hopelijk konden we binnen een paar weken weer open zijn. Ik was zo in gedachten verzonken dat ik pa niet hoorde aankomen, maar toen ik die hand op mijn schouder voelde wist ik gelijk dat hij het was.

Anna (4)

Dokter De Graaf was een vriendelijk ogende dokter. Ik kende haar al mijn hele leven. Zij betekende veel voor ons na de dood van mijn moeder. Dokter De Graaf was een kleine vrouw met een pezig gestel. Ze zag eruit alsof ze marathons liep. Ze had een klein rond brilletje op haar neus en keek me aandachtig aan. Ze nam altijd voldoende tijd voor me, want ze wist dat ik niet zo makkelijk uit mijn woorden kon komen.

‘Hoe gaat het met je Anna? Wat kan ik voor je doen?’ Twee eenvoudige vragen, maar voor mij was antwoord geven net zo ingewikkeld als de Sudoku puzzels van Arthur. Hij boog zich soms uren over de meest moeilijke puzzels. Soms smeet hij ze vanuit frustratie in de hoek, om dan na een half uur weer een poging te wagen. Hij moest en zou de moeilijkste denkopgaven oplossen. Ik dwaalde af. Arthur was de reden dat ik hier zat, maar dat kon ik dokter De Graaf nooit vertellen. Ik kon niemand vertellen wat ik had gezien en wat ik had gehoord. Het geschreeuw en gegrom zat nog steeds in mijn oren. Ik probeerde met mijn vinger het geluid uit mijn oren te peuteren. ‘Heb je soms last van je oren,’ vroeg de dokter. Ik wilde het uitschreeuwen: Nee, ik heb geen last van mijn oren! Ik heb last van mijn netvlies, van het beeld dat daar op vastgeplakt ligt!

‘Ik slaap slecht. Ik ben moe. Ik moet slapen,’ zei ik. ‘Begrijpt u?’ Dokter De Graaf keek me begripvol aan en zei: ‘ik begrijp dat het allemaal heel veel voor je is. Je moeder is nu bijna een jaar geleden gestorven. Zo plotseling. Dat is heel aangrijpend. Natuurlijk begrijp ik dat. Toch moet je proberen verder te gaan Anna. Het is tijd om de dood van je moeder te accepteren en het een plekje te geven. Je moet goed voor jezelf zorgen.’

Ik frunnikte wat aan mijn kleren en beet op mijn lip. Goed voor mezelf zorgen. Hoe dan? Niemand begreep me. Ik had niemand. Zou ik dokter De Graaf kunnen vertrouwen. Zou zij me kunnen helpen? Toen zei ze opeens: ‘zal ik Arthur anders eens bellen om te kijken of je daar een tijdje kunt blijven? Ik weet dat je het zelf lastig vindt om te vragen. Misschien helpt het als jullie een tijdje samen zijn?’
Dat was onmogelijk. Ik zou nooit onder één dak met Arthur kunnen leven. Nooit! ‘Nee, dat is niet nodig hoor,’ zei ik. ‘We hebben heel veel contact en hij weet dat ik hier ben en wat  moe ben. Hij stelde voor dat u misschien een nieuw slaapmiddel kon geven zodat ik ’s nachts wat rust kon krijgen.’ Ik klonk buitengewoon helder en verstandig. Het floepte er in één keer uit. Ik leek Roos wel. Ze keek me nog eens goed aan en begon op haar computer het een en ander in te tikken. ‘Goed. Ik geef je tien stuks temazepam. Dat zijn betere slaappillen dan die je eerst had. Niet meer dan tien krijg je, want deze pillen kunnen bij langdurig gebruik verslavend werken. De medicatie geeft je rust. Kom na tien dagen bij me terug en dan kijken we hoe het dan met je gaat. Mocht je eerder willen komen dan kan dat natuurlijk, maar ga ook eens verder met je zelf aan de slag. Je kunt zo echt niet door gaan. Sluit het verleden af en zoek een leuke vriend of zo. Dan heb je wat afleiding.’

Ik ritste het recept uit haar handen, bedankte haar en liep naar de apotheek. Na een uitgebreide uitleg van de apotheker over de werking en verslavende aspecten van de medicatie, die ik zonder interesse aanhoorde, liep ik naar huis. Er was me op het hart gedrukt ’s avonds 1 pil in te nemen en niet overdag. Het was nu bijna half twee en ik nam mijn eerste pil. Ging op bed liggen, nam niet de moeite mijn kleren uit te trekken en verwelkomde met open armen de slaap.

Licht

Vandaag ga ik even niet verder met het verhaal omdat ik het licht gezien heb. Letterlijk. Het licht van de windmolens in Sint Annaland. Het kunstproject van Daan Roosegaarde. Vier windmolens werden met elkaar verbonden door een groen licht dat ze projecteerden naar elkaar, alsof ze dansten in de lucht. Heel fascinerend om te zien. Het was een drukte van belang. Nog nooit stonden de dijken zo vol en wij waren er bij. Het hele gezin. De kinderen waren niet overtuigd van deze unieke ervaring, maar wij des te meer.

Dit is de toekomst. Daan Roosegaarde zei in De Wereld Draait Door dat hij een universeel recht op schoonheid in een wet wil laten vastleggen. Fantastisch, mijn hart sprong een keer extra in mijn lijf. Schone lucht, schone energie, schone omgang met elkaar. Hoeveel beter gaat de wereld daar van worden? Over een paar jaar dansen alle mensen met elkaar, dankzij Vier windmolens in Sint Annaland en Daan Roosegaarde. En wij, wij dansen met hem mee. Lang leve de schoonheid.

Roos (3)

Tom stond achter de bar verzonken in zijn papierwerk. Op een afstand bekeek ik hem. Hij had een wit overhemd aan, het bovenste knoopje los en de mouwen opgestroopt zodat zijn gebruinde armen en spieren zichtbaar werden. Zijn blonde haar zat warrig, alsof hij net uit bed kwam, maar dat maakte dat hij er zo verdomd aantrekkelijk uitzag.

Vijf jaar geleden opende hij dit restaurant. Hij was toen nog getrouwd met Moniek. Het was een droomkoppel. Zo een stel waar iedereen met bewondering naar keek en over roddelde. Ze waren niet alleen knap en succesvol, maar ook nog eens ontzettend vriendelijk. Moniek was gastvrouw en Tom regelde de zaken achter de schermen. De bediening was altijd uiterst vriendelijk en bekwaam. De bedoeling was dat de gasten zich thuis voelden. De menu’s en inrichting wisselden regelmatig. Met oog voor detail zorgde Moniek ervoor dat elke dag verse bloemen in het restaurant aanwezig waren, dat het tafellinnen schoon en gestreken was en dat alle schilderijen recht hingen. Elke avond zat het restaurant vol. Het eten was van top klasse en al een aantal jaren was er de belofte van een Michelinster.

Ik leerde het stel kennen via pa. Hij wilde de winkel uitbreiden met een café en ging op zijn eigen wijze een marktonderzoek doen in de stad. Dat betekende dat hij alle restaurants, lunchrooms en café bezocht om ideeën op te doen. Op een dag kwam hij naar me toe en vertelde dat hij de avond tevoren had gedineerd bij Tom en Moniek. Hij was lyrisch over het eten en de gastvrouw. Toen hij als laatste gast wilde vertrekken, kwam Tom naar hem toegelopen om nog een cognac met hem te drinken. Pa was overweldigd door het charmante stel en deelde zijn plannen. Tom bood gelijk aan een kijkje te komen nemen en te adviseren of helpen waar hij kon. Pa was nog midden in zijn enthousiaste gesprek toen Tom de winkel binnen kwam. Hij keek me aan en ik wist gelijk dat ik meer van hem wilde dan advies of hulp.

Ik liep het restaurant binnen en ging voor hem staan aan de andere kant van de bar. Hij schrok. ‘Roos, ik had je niet binnen horen komen. Wat kom je hier doen? We hadden toch afgesproken dat je hier niet meer naar toe zou komen?’ Hij keek schichtig om zich heen en tikte nerveus met zijn pen op zijn papieren. ‘Wat is er aan de hand? Waarom doe je zo raar?’ zei ik. Ik wist dat het stellen van tegenvragen een man uit zijn evenwicht kon brengen. Als ik hem wilde zien dan had ik daar geen reden voor nodig en kwam ik naar het restaurant zodra mij dat uitkwam. ‘Ik wil gewoon niet dat je hier komt. Dat heb ik je vorige keer ook al duidelijk gemaakt. Straks ziet René je of Freddie’, zei Tom. ‘Wat kan mij het nou schelen dat die stomme kok van jou en zijn knecht mij hier zien. Als ik jou wil zien, jou wil voelen of jou gewoon wil, dan kom ik hier naar toe. Jij belt me niet meer en dat is prima, maar als ik behoefte heb aan jou dan verwacht ik dat je er voor me bent. Je weet toch wel wat er is gebeurd?, vroeg ik hem. Nog steeds tikkend op zijn papier keek hij me een paar seconden recht in mijn ogen aan. Ik voelde de warmte in mijn lijf omhoog komen en liep naar hem toe. Rukte zijn pen uit zijn hand en gooide die door het restaurant. Met mijn handen pakte ik zijn gezicht en kuste zijn volle lippen. Mijn tong gleed ruw naar binnen. Ik had geen zin in gedoe. Ik had zin in Tom. Hij beantwoordde mijn kus en trok me naar achteren, de deur door naar zijn kantoor. Daar trokken we elkaars kleren uit en gooide ik alles van zijn bureau. Hij vloekte, maar dat deed me niets. Hij deed me niets. Ik trok hem naar me toe, ging op zijn bureau liggen en zorgde ervoor dat hij mijn leegte vulde, al was het maar voor een paar minuten. 

Anna (3)

Ik keek naar de panden voor me. Ik stond aan de overkant, op het kleine pleintje met de fontein. Die fontein met die afschuwelijke vissen die zich vastklampten aan een soort Venus/zeemeermin en die uit hun bek walgelijk het water omhoog spoten. Rondom de fontein waren bankjes geplaatst waar -vooral- toeristen zaten met een ijsje en zich zichtbaar verwonderden om dat Dali-achtige tafereel dat zich voor hun ogen vertoonde. Ik keek rond en mijn blik bleef rusten op de duiven die op het plein rondliepen alsof er niets gebeurd was. Zij dartelden om elkaar heen en leken het leven met veel gemak aan te kunnen.

Toen ik eindelijk op adem kwam, liep ik naar de overkant. Ik wilde nu van dichtbij zien wat er van de winkel over was. De panden waren aan elkaar geschakeld. Van buiten zag je twee verschillende panden, maar vanbinnen was een doorgang gemaakt. Het begon allemaal met een kleine boekwinkel met tijdschriften en kaarten, maar toen het aanbod en de vraag groeiden werd besloten uit te breiden. Het pand ernaast kwam vrij en het idee werd geboren dat pand in te lijven en een kleinschalig café te beginnen zodat mensen op hun gemak een paar uur door de boekwinkel konden struinen onder het genot van een bakje koffie, thee en een broodje.

Ik mocht in eerste instantie alleen de boeken uitpakken en wegzetten, maar later mocht ik helpen met afwassen en helpen bij de voorbereiding van de lunch. Roos had liever niet dat ik klanten hielp. Ze zei dat ik daar niet geschikt voor was en ook niet representatief. Het was beter als ik wat uit het zicht bleef. Daar had ze natuurlijk gelijk in. Ik ben niet bedeeld met schoonheid. Mijn oren staan te ver naar voren, mijn tanden te veel uit elkaar en mijn ogen -ieder met een andere kleur- kijken allebei een andere kant uit alsof ze niet bij elkaar willen horen.

Het gedeelte waar de kunstboeken, literatuur en de trillers stonden, was volkomen in rook opgegaan. Dit was het gedeelte dat naast de keuken van het café lag. Er hing een zware lucht, die ik door een van de gesprongen ramen duidelijk kon ruiken. Aangezien er veel was afgezet kon ik niet goed zien wat er verder nog aangetast was. Ik vermoedde dat van het café niet veel over was. Ik hoopte dat de hoek met de kinderboeken gered was. Er was niets zaliger dan na sluitingstijd nog een tijdje in die hoek rondhangen om een kinderboek te lezen. De boeken met een zachte voorkant waren mijn favorieten. Ik kon daar dan uren zitten en dromen dat ik ooit een boekje zou voorlezen aan mijn eigen kind. We zouden dan samen op de bank tegen elkaar aankruipen en ik zou met een lieve stem gaan voorlezen en mijn dochter zou dan haar handje op mijn arm leggen en met verwondering naar me kijken. Wat was dat een mooie droom. Gelukkig had ik mijn fantasie, want dat deze droom nooit zou uitkomen stond wel vast. Volgens Roos is er geen man die bij mij mijn grotje wil binnen dringen om een kind met me te maken. Ze kijken wel uit. Wat moest er daar wel niet van komen? Ze zal wel gelijk hebben, maar toch.

De kerkklok sloeg twaalf keer. Ik schrok wakker uit mijn mijmeringen en besefte dat ik mijn afspraak met de huisarts bijna had gemist. Als ik nog een keer een sprintje zou trekken zou ik het kunnen halen. Het was nog maar een kilometer ongeveer en ik had nog tien minuten. Ik moest haar zien. Ik moest aan iemand mijn verhaal kwijt en ik moest slapen.

Roos (2)

Gatverdamme. Het ging allemaal zo snel. Toen ik stopte, probeerde ik een gesprek met haar te voeren, maar ze zag er uit alsof ze elk moment dood neer kon vallen. Wat was het toch een enorme trut en loser. Hoe ze daar ook stond met die armen naar beneden als een treurwilg en die mondhoeken op standje “ik-ga-mezelf-van-kant-maken.” Geen enkele glans in haar ogen, het haar op dat hoofd had ook het leven al opgegeven en dan die kleding. Waar haalt zie die zooi vandaan?Ze zag er uit als een zwerver, maar dan wel één die naar lavendel rook.

Ik kon het niet laten om vragen te stellen. Wat was daar eigenlijk mis mee? Ze had heel wat te verantwoorden, maar er kwam natuurlijk weer geen fatsoenlijk woord uit. Het enige wat ze kon uitbrengen was dat ze het allemaal zo erg vond. Nogal wiedes. Als ze het niet erg zou vinden dan zou ze pas rijp zijn voor het gesticht of, beter nog, het gevang. Ik had overduidelijk recht op antwoorden. Ze begon wat heen en weer te draaien, ik zag dat het zweet op haar lip parelde en toen, flats, gaf ze over op mijn zwarte Louboutin. De laarzen die ik tijdens een weekend New York van Mark kreeg. Op zaterdag stonden we laat op, bestelden roomservice en nuttigden ons ontbijt in bed. Mark wilde de hele dag in bed blijven, maar na een wilde nacht waarin verschillende hoogtepunten werden bereikt, die uitbundig gevierd werden, had ik behoefte aan frisse lucht. We liepen wat rond in de omgeving en kwamen in Horatio Street. Op nummer 59 was de winkel gevestigd waar mijn hart even van oversloeg. De schoenen van Christian Louboutin schreeuwen om aangeraakt te worden. Ze willen gekoesterd worden en hun doel in het leven is om de draagster het meest goddelijke wezen op aarde te laten zijn. Dit zijn niet zo maar schoenen. Deze kunstwerken veranderen levens. Mark zag de blik in mijn ogen en stelde onmiddellijk voor dat we naar binnen moesten gaan. Mijn oog viel gelijk op een paar kalfsleren zwarte laarzen. Ze zaten als een tweede huid. Mark kocht ze en hoopte daarmee dat hij een ticket naar mijn hart had geboekt en daar een vaste plaats zou krijgen. Hoe erg kan een mens zich vergissen?

Maar nu was er over die goddelijke laarzen gekotst. Er zaten flinke spetters op de neuzen. Ik gooide mijn fiets op de grond en begon ze gelijk te poetsen met een zakdoekje. Ondertussen was die trut keihard weggerend. Ik besloot dat het nu genoeg was met de ellende. Het ontbijt ging ik inwisselen voor een stevige lunch en een orgasme, in willekeurige volgorde. Dat hielp namelijk altijd. Ik had geen zin in Mark. Nu ik in de buurt van het restaurant van Tom was en ik wist dat hij nu nog niet aan het stressen was voor de avond, kon ik het beste bij hém langs gaan. Wie weet kon hij mijn leegte vullen. 

Anna (2)

Ik zag die wilde bos bruine krullen wapperen in de wind, alsof die krullen me hartelijk wilden begroeten, maar de eigenaresse ervan niet. Ze was een verschijning op de fiets en dat wist ze. Ze was zich bewust van haar schoonheid en deed daar nonchalant over, net zoals ze zich kleedde. Ze had een strakke spijkerbroek aan. Niet zo eentje van de H&M of de C&A of welke andere goedkope winkel met een afkorting als naam, die ik in mijn kast had hangen. Zij droeg alleen designer jeans, van die hippe met gaten in de knieën. De spijkerbroek was vast van G-Star of Diesel of misschien wel van een of andere beroemde mode ontwerper. Geen idee wie, want daar hield ik me niet mee bezig. Bij mij thuis hing geen dure kleding. Het liefste struin ik door een tweedehands-zaak om kleding te kopen met een verhaal. Haar zwarte lange laarzen zaten elegant om haar onderbenen. Ze had verder een getailleerd blauw jasje aan die haar slanke figuur benadrukte. Dat blauw stond prachtig bij haar woeste bruine krullen en haar groene ogen. Als zij voorbij fietste, zag je de mannen als een magneet naar haar toegetrokken worden. Haar schoonheid was onweerstaanbaar en voor menig man, die een poging deed om haar aandacht te trekken, desastreus. Zij was niet geïnteresseerd, speelde met de man in kwestie tot ze op hem uitgekeken was, gebruikte hem voor haar plezier en genot en voelde geen enkele scrupules als ze hem weggooide. Mannen konden haar maar kort behagen. Meestal waren ze te dom om dat zelf in te zien en zodra ze in haar buurt waren verschrompelden hun eigenwaarde waardoor ze over ze heen liep alsof ze een deurmat waren en veegde ze uitgebreid haar voeten aan hun af.

Ze kwam dichterbij. Ze keek me aan en stopte. Met haar fiets aan de hand keek ze me uitdagend aan. Ik krom ineen en voelde het kleine beetje energie dat ik door de douche had opgedaan als lucht uit mijn lijf verdwijnen. Wat had ze toch een macht over me. Met haar blik alleen al kreeg ze me klein. ‘Waar ga je naar toe? Moet jij niet in bed liggen? Je bent toch ziek thuis? Wat mankeer je eigenlijk? Volgens mij ben je helemaal niet ziek. Nou ja, je ziet er wel beroerd uit, maar dat is niet anders dan normaal. Nou vertel? Kun je niet meer praten.’ De vragen werden met een rap tempo en met scherpe tong op me afgevuurd. Het enige dat ik kon uitbrengen was dat ik het allemaal zo erg vond. ‘Daar hebben we nu weinig aan, hè? Wat schiet je daar mee op om dat nu zo op straat te zeggen? We wachten al lang genoeg. Het wordt tijd dat je eens uitlegt wat er allemaal aan de hand is en wat er is gebeurd. Een beetje in je bed liggen, maakt het er allemaal niet beter op. Of vind je dat zelf wel? Als je überhaupt al nadenkt.’

Ik bleef herhalen dat ik het zo erg vond en dat ik naar de huisarts op weg was en dat ik nu echt moest gaan, want anders zou ik te laat komen, maar dat ik het echt heel erg vond. Ze bleef me aankijken. Ik voelde dat ik het opeens heel warm kreeg. Het haar onder mijn muts begon te kriebelen, het zweet liep in straaltjes van mijn rug en mijn maag begon op te spelen. Ik probeerde diep adem te halen, maar op het moment dat ik dat deed zei ze: ‘wat ben je toch een ongelooflijke loser.’ Ik tolde op mijn benen, alles begon te draaien en ik had mezelf niet meer in de hand. Tranen stroomden over mijn wangen en ik gaf over op haar mooie lange zwarte laarzen. Ze probeerde me te ontwijken, maar het was al te laat. Mijn maag was leeg, het snot droop voor de tweede keer die dag over mijn kin en het enige waartoe ik in staat was, was rennen. Ik rende zo hard ik kon weg, zo hard als mijn vermoeide lijf me kon dragen, zo hard dat ik weg zou kunnen vliegen, opstijgen en verdwijnen uit deze wereld zodat ik nooit meer pijn zou hebben. Ik rende en rende. Stak straten over zonder te kijken. Ik zag niets meer. Ik kon alleen maar rennen en besefte dat ik opeens was aangekomen daar waar ik niet wilde zijn.