Roos (3)

Tom stond achter de bar verzonken in zijn papierwerk. Op een afstand bekeek ik hem. Hij had een wit overhemd aan, het bovenste knoopje los en de mouwen opgestroopt zodat zijn gebruinde armen en spieren zichtbaar werden. Zijn blonde haar zat warrig, alsof hij net uit bed kwam, maar dat maakte dat hij er zo verdomd aantrekkelijk uitzag.

Vijf jaar geleden opende hij dit restaurant. Hij was toen nog getrouwd met Moniek. Het was een droomkoppel. Zo een stel waar iedereen met bewondering naar keek en over roddelde. Ze waren niet alleen knap en succesvol, maar ook nog eens ontzettend vriendelijk. Moniek was gastvrouw en Tom regelde de zaken achter de schermen. De bediening was altijd uiterst vriendelijk en bekwaam. De bedoeling was dat de gasten zich thuis voelden. De menu’s en inrichting wisselden regelmatig. Met oog voor detail zorgde Moniek ervoor dat elke dag verse bloemen in het restaurant aanwezig waren, dat het tafellinnen schoon en gestreken was en dat alle schilderijen recht hingen. Elke avond zat het restaurant vol. Het eten was van top klasse en al een aantal jaren was er de belofte van een Michelinster.

Ik leerde het stel kennen via pa. Hij wilde de winkel uitbreiden met een café en ging op zijn eigen wijze een marktonderzoek doen in de stad. Dat betekende dat hij alle restaurants, lunchrooms en café bezocht om ideeën op te doen. Op een dag kwam hij naar me toe en vertelde dat hij de avond tevoren had gedineerd bij Tom en Moniek. Hij was lyrisch over het eten en de gastvrouw. Toen hij als laatste gast wilde vertrekken, kwam Tom naar hem toegelopen om nog een cognac met hem te drinken. Pa was overweldigd door het charmante stel en deelde zijn plannen. Tom bood gelijk aan een kijkje te komen nemen en te adviseren of helpen waar hij kon. Pa was nog midden in zijn enthousiaste gesprek toen Tom de winkel binnen kwam. Hij keek me aan en ik wist gelijk dat ik meer van hem wilde dan advies of hulp.

Ik liep het restaurant binnen en ging voor hem staan aan de andere kant van de bar. Hij schrok. ‘Roos, ik had je niet binnen horen komen. Wat kom je hier doen? We hadden toch afgesproken dat je hier niet meer naar toe zou komen?’ Hij keek schichtig om zich heen en tikte nerveus met zijn pen op zijn papieren. ‘Wat is er aan de hand? Waarom doe je zo raar?’ zei ik. Ik wist dat het stellen van tegenvragen een man uit zijn evenwicht kon brengen. Als ik hem wilde zien dan had ik daar geen reden voor nodig en kwam ik naar het restaurant zodra mij dat uitkwam. ‘Ik wil gewoon niet dat je hier komt. Dat heb ik je vorige keer ook al duidelijk gemaakt. Straks ziet René je of Freddie’, zei Tom. ‘Wat kan mij het nou schelen dat die stomme kok van jou en zijn knecht mij hier zien. Als ik jou wil zien, jou wil voelen of jou gewoon wil, dan kom ik hier naar toe. Jij belt me niet meer en dat is prima, maar als ik behoefte heb aan jou dan verwacht ik dat je er voor me bent. Je weet toch wel wat er is gebeurd?, vroeg ik hem. Nog steeds tikkend op zijn papier keek hij me een paar seconden recht in mijn ogen aan. Ik voelde de warmte in mijn lijf omhoog komen en liep naar hem toe. Rukte zijn pen uit zijn hand en gooide die door het restaurant. Met mijn handen pakte ik zijn gezicht en kuste zijn volle lippen. Mijn tong gleed ruw naar binnen. Ik had geen zin in gedoe. Ik had zin in Tom. Hij beantwoordde mijn kus en trok me naar achteren, de deur door naar zijn kantoor. Daar trokken we elkaars kleren uit en gooide ik alles van zijn bureau. Hij vloekte, maar dat deed me niets. Hij deed me niets. Ik trok hem naar me toe, ging op zijn bureau liggen en zorgde ervoor dat hij mijn leegte vulde, al was het maar voor een paar minuten. 

Anna (3)

Ik keek naar de panden voor me. Ik stond aan de overkant, op het kleine pleintje met de fontein. Die fontein met die afschuwelijke vissen die zich vastklampten aan een soort Venus/zeemeermin en die uit hun bek walgelijk het water omhoog spoten. Rondom de fontein waren bankjes geplaatst waar -vooral- toeristen zaten met een ijsje en zich zichtbaar verwonderden om dat Dali-achtige tafereel dat zich voor hun ogen vertoonde. Ik keek rond en mijn blik bleef rusten op de duiven die op het plein rondliepen alsof er niets gebeurd was. Zij dartelden om elkaar heen en leken het leven met veel gemak aan te kunnen.

Toen ik eindelijk op adem kwam, liep ik naar de overkant. Ik wilde nu van dichtbij zien wat er van de winkel over was. De panden waren aan elkaar geschakeld. Van buiten zag je twee verschillende panden, maar vanbinnen was een doorgang gemaakt. Het begon allemaal met een kleine boekwinkel met tijdschriften en kaarten, maar toen het aanbod en de vraag groeiden werd besloten uit te breiden. Het pand ernaast kwam vrij en het idee werd geboren dat pand in te lijven en een kleinschalig café te beginnen zodat mensen op hun gemak een paar uur door de boekwinkel konden struinen onder het genot van een bakje koffie, thee en een broodje.

Ik mocht in eerste instantie alleen de boeken uitpakken en wegzetten, maar later mocht ik helpen met afwassen en helpen bij de voorbereiding van de lunch. Roos had liever niet dat ik klanten hielp. Ze zei dat ik daar niet geschikt voor was en ook niet representatief. Het was beter als ik wat uit het zicht bleef. Daar had ze natuurlijk gelijk in. Ik ben niet bedeeld met schoonheid. Mijn oren staan te ver naar voren, mijn tanden te veel uit elkaar en mijn ogen -ieder met een andere kleur- kijken allebei een andere kant uit alsof ze niet bij elkaar willen horen.

Het gedeelte waar de kunstboeken, literatuur en de trillers stonden, was volkomen in rook opgegaan. Dit was het gedeelte dat naast de keuken van het café lag. Er hing een zware lucht, die ik door een van de gesprongen ramen duidelijk kon ruiken. Aangezien er veel was afgezet kon ik niet goed zien wat er verder nog aangetast was. Ik vermoedde dat van het café niet veel over was. Ik hoopte dat de hoek met de kinderboeken gered was. Er was niets zaliger dan na sluitingstijd nog een tijdje in die hoek rondhangen om een kinderboek te lezen. De boeken met een zachte voorkant waren mijn favorieten. Ik kon daar dan uren zitten en dromen dat ik ooit een boekje zou voorlezen aan mijn eigen kind. We zouden dan samen op de bank tegen elkaar aankruipen en ik zou met een lieve stem gaan voorlezen en mijn dochter zou dan haar handje op mijn arm leggen en met verwondering naar me kijken. Wat was dat een mooie droom. Gelukkig had ik mijn fantasie, want dat deze droom nooit zou uitkomen stond wel vast. Volgens Roos is er geen man die bij mij mijn grotje wil binnen dringen om een kind met me te maken. Ze kijken wel uit. Wat moest er daar wel niet van komen? Ze zal wel gelijk hebben, maar toch.

De kerkklok sloeg twaalf keer. Ik schrok wakker uit mijn mijmeringen en besefte dat ik mijn afspraak met de huisarts bijna had gemist. Als ik nog een keer een sprintje zou trekken zou ik het kunnen halen. Het was nog maar een kilometer ongeveer en ik had nog tien minuten. Ik moest haar zien. Ik moest aan iemand mijn verhaal kwijt en ik moest slapen.

Roos (2)

Gatverdamme. Het ging allemaal zo snel. Toen ik stopte, probeerde ik een gesprek met haar te voeren, maar ze zag er uit alsof ze elk moment dood neer kon vallen. Wat was het toch een enorme trut en loser. Hoe ze daar ook stond met die armen naar beneden als een treurwilg en die mondhoeken op standje “ik-ga-mezelf-van-kant-maken.” Geen enkele glans in haar ogen, het haar op dat hoofd had ook het leven al opgegeven en dan die kleding. Waar haalt zie die zooi vandaan?Ze zag er uit als een zwerver, maar dan wel één die naar lavendel rook.

Ik kon het niet laten om vragen te stellen. Wat was daar eigenlijk mis mee? Ze had heel wat te verantwoorden, maar er kwam natuurlijk weer geen fatsoenlijk woord uit. Het enige wat ze kon uitbrengen was dat ze het allemaal zo erg vond. Nogal wiedes. Als ze het niet erg zou vinden dan zou ze pas rijp zijn voor het gesticht of, beter nog, het gevang. Ik had overduidelijk recht op antwoorden. Ze begon wat heen en weer te draaien, ik zag dat het zweet op haar lip parelde en toen, flats, gaf ze over op mijn zwarte Louboutin. De laarzen die ik tijdens een weekend New York van Mark kreeg. Op zaterdag stonden we laat op, bestelden roomservice en nuttigden ons ontbijt in bed. Mark wilde de hele dag in bed blijven, maar na een wilde nacht waarin verschillende hoogtepunten werden bereikt, die uitbundig gevierd werden, had ik behoefte aan frisse lucht. We liepen wat rond in de omgeving en kwamen in Horatio Street. Op nummer 59 was de winkel gevestigd waar mijn hart even van oversloeg. De schoenen van Christian Louboutin schreeuwen om aangeraakt te worden. Ze willen gekoesterd worden en hun doel in het leven is om de draagster het meest goddelijke wezen op aarde te laten zijn. Dit zijn niet zo maar schoenen. Deze kunstwerken veranderen levens. Mark zag de blik in mijn ogen en stelde onmiddellijk voor dat we naar binnen moesten gaan. Mijn oog viel gelijk op een paar kalfsleren zwarte laarzen. Ze zaten als een tweede huid. Mark kocht ze en hoopte daarmee dat hij een ticket naar mijn hart had geboekt en daar een vaste plaats zou krijgen. Hoe erg kan een mens zich vergissen?

Maar nu was er over die goddelijke laarzen gekotst. Er zaten flinke spetters op de neuzen. Ik gooide mijn fiets op de grond en begon ze gelijk te poetsen met een zakdoekje. Ondertussen was die trut keihard weggerend. Ik besloot dat het nu genoeg was met de ellende. Het ontbijt ging ik inwisselen voor een stevige lunch en een orgasme, in willekeurige volgorde. Dat hielp namelijk altijd. Ik had geen zin in Mark. Nu ik in de buurt van het restaurant van Tom was en ik wist dat hij nu nog niet aan het stressen was voor de avond, kon ik het beste bij hém langs gaan. Wie weet kon hij mijn leegte vullen. 

Anna (2)

Ik zag die wilde bos bruine krullen wapperen in de wind, alsof die krullen me hartelijk wilden begroeten, maar de eigenaresse ervan niet. Ze was een verschijning op de fiets en dat wist ze. Ze was zich bewust van haar schoonheid en deed daar nonchalant over, net zoals ze zich kleedde. Ze had een strakke spijkerbroek aan. Niet zo eentje van de H&M of de C&A of welke andere goedkope winkel met een afkorting als naam, die ik in mijn kast had hangen. Zij droeg alleen designer jeans, van die hippe met gaten in de knieën. De spijkerbroek was vast van G-Star of Diesel of misschien wel van een of andere beroemde mode ontwerper. Geen idee wie, want daar hield ik me niet mee bezig. Bij mij thuis hing geen dure kleding. Het liefste struin ik door een tweedehands-zaak om kleding te kopen met een verhaal. Haar zwarte lange laarzen zaten elegant om haar onderbenen. Ze had verder een getailleerd blauw jasje aan die haar slanke figuur benadrukte. Dat blauw stond prachtig bij haar woeste bruine krullen en haar groene ogen. Als zij voorbij fietste, zag je de mannen als een magneet naar haar toegetrokken worden. Haar schoonheid was onweerstaanbaar en voor menig man, die een poging deed om haar aandacht te trekken, desastreus. Zij was niet geïnteresseerd, speelde met de man in kwestie tot ze op hem uitgekeken was, gebruikte hem voor haar plezier en genot en voelde geen enkele scrupules als ze hem weggooide. Mannen konden haar maar kort behagen. Meestal waren ze te dom om dat zelf in te zien en zodra ze in haar buurt waren verschrompelden hun eigenwaarde waardoor ze over ze heen liep alsof ze een deurmat waren en veegde ze uitgebreid haar voeten aan hun af.

Ze kwam dichterbij. Ze keek me aan en stopte. Met haar fiets aan de hand keek ze me uitdagend aan. Ik krom ineen en voelde het kleine beetje energie dat ik door de douche had opgedaan als lucht uit mijn lijf verdwijnen. Wat had ze toch een macht over me. Met haar blik alleen al kreeg ze me klein. ‘Waar ga je naar toe? Moet jij niet in bed liggen? Je bent toch ziek thuis? Wat mankeer je eigenlijk? Volgens mij ben je helemaal niet ziek. Nou ja, je ziet er wel beroerd uit, maar dat is niet anders dan normaal. Nou vertel? Kun je niet meer praten.’ De vragen werden met een rap tempo en met scherpe tong op me afgevuurd. Het enige dat ik kon uitbrengen was dat ik het allemaal zo erg vond. ‘Daar hebben we nu weinig aan, hè? Wat schiet je daar mee op om dat nu zo op straat te zeggen? We wachten al lang genoeg. Het wordt tijd dat je eens uitlegt wat er allemaal aan de hand is en wat er is gebeurd. Een beetje in je bed liggen, maakt het er allemaal niet beter op. Of vind je dat zelf wel? Als je überhaupt al nadenkt.’

Ik bleef herhalen dat ik het zo erg vond en dat ik naar de huisarts op weg was en dat ik nu echt moest gaan, want anders zou ik te laat komen, maar dat ik het echt heel erg vond. Ze bleef me aankijken. Ik voelde dat ik het opeens heel warm kreeg. Het haar onder mijn muts begon te kriebelen, het zweet liep in straaltjes van mijn rug en mijn maag begon op te spelen. Ik probeerde diep adem te halen, maar op het moment dat ik dat deed zei ze: ‘wat ben je toch een ongelooflijke loser.’ Ik tolde op mijn benen, alles begon te draaien en ik had mezelf niet meer in de hand. Tranen stroomden over mijn wangen en ik gaf over op haar mooie lange zwarte laarzen. Ze probeerde me te ontwijken, maar het was al te laat. Mijn maag was leeg, het snot droop voor de tweede keer die dag over mijn kin en het enige waartoe ik in staat was, was rennen. Ik rende zo hard ik kon weg, zo hard als mijn vermoeide lijf me kon dragen, zo hard dat ik weg zou kunnen vliegen, opstijgen en verdwijnen uit deze wereld zodat ik nooit meer pijn zou hebben. Ik rende en rende. Stak straten over zonder te kijken. Ik zag niets meer. Ik kon alleen maar rennen en besefte dat ik opeens was aangekomen daar waar ik niet wilde zijn.

Vervolg: Roos (1)

Vandaag begon als een ongelooflijke klote dag. Eerst belde de leverancier dat de betaling van de factuur niet uitgesteld kon worden. Ik legde hem voor de duizendste keer uit dat het nu echt onmogelijk was om te betalen, maar die klootzak bleef maar doorzeuren. Hij had wel een oplossing. We konden op een date gaan. We konden samen gaan eten en dan zou een andere datum in het systeem gezet kunnen worden voor de betaling, over een maandje bijvoorbeeld. Nou fuck het systeem en hem erbij. Ik crepeer nog liever dan dat ik een avond tegenover die man moet zitten om te kijken naar hoe hij met zijn kleine vette vingers zijn eten binnen werkt en vervolgens etensresten in zijn dikke borstelsnor laat hangen om nog maar over zijn gele tanden te zwijgen. Hij kon de factuur in zijn reet steken en zijn etentje erbij.

Om de dag nog wat te verder te verzieken had mijn poes bedacht mijn nieuwe crème kleurige bank onder te kotsen op verschillende plekken. De kots was al opgedroogd. Ze was vannacht flink tekeer gegaan. Het bruine drab lag op vijf verschillende plekken. Heel creatief gerangschikt, want elke uitbarsting uit haar maag had een andere vorm. Het leken vlekken uit de Rorschachtest. Ik zag een woedende vrouw in één van die vlekken en dat beeld kwam overeen met hoe ik me voelde. Het schattige poesje had besloten haar kop niet te laten zien en dat was een verstandig besluit. Wanhopig probeerde ik de vlekken uit mijn bank te elimineren. Ik weigerde om mijn moeder te bellen. Poetsen is haar passie, maar mij de les lezen geeft haar nog meer vreugde. Ze zou me natuurlijk allereerst  vertellen dat een crème kleurige bank geen goed idee was geweest. Dat zo een bank bij niemand een veilig onderkomen heeft en al helemaal niet bij mij. Vervolgens zoude de verwijten afgevuurd worden. Ik bel te weinig, kom nooit langs en als uitsmijter wordt de standaard plaat afgedraaid over baby’s en dan met name het gebrek daaraan in mijn leven. Heel misschien kreeg ik een tip om mijn bank weer terug te brengen in de oorspronkelijke staat, maar het enige waar ik aan kon denken was: laat maar. Ik koop liever een nieuwe.

Als laatste ergernis, waardoor deze dag al voor 11.00 uur te kwalificeren was als uitermate klote dag, was de ontvangst van een e-mail waar ik niet op zat te wachten. Erger nog, het was een e-mail die mijn maag deed omdraaien. Dat ik net een berg kots had opgeruimd, had daar ook mee te maken, maar deze e-mail en dan vooral de bijlagen deden mijn ingewanden ineen krimpen. Het was een korte e-mail van de brandweercommandant. Hij was degene die ter plaatse was toen de brand al brullend en krijsend uit het dak kwam gestormd. Hij was ook degene die vertelde dat dit deel van het pand niet meer gered kon worden en dat zijn mannen hun uiterste best deden om het pand ernaast te redden. Ik kon het niet geloven toen ik gebeld werd. Ik lag al in bed, een beetje te lezen en na te denken over de toekomst van de inkoop. Na genoeg getobd te hebben viel ik in een onrustige slaap. Ik zag mijn vader met dozen sjouwen. Hij riep dat ik moest komen helpen. Hij kon het niet volhouden. De dozen bleven zich als vanzelf opeenstapelen, steeds hoger en hoger en telkens als ik naar hem toe liep, bleek hij verder weg te geraken. Ik kon hem niet helpen en ik zag zijn lijf ineenkrimpen en toen schrok ik wakker van Led Zeppelin. Whole lotta love, werd door mijn kamer gebruld. Het duurde even voordat ik door had dat het mijn mobiel was. Ik nam op en hoorde aan de andere kant een hoop geruis en een stem die schreeuwde dat ik onmiddellijk moest komen naar de winkel. Ik trok snel mijn spijkerbroek aan die nog op de grond lag en rende zo hard ik kon naar buiten, stak de straat over en rende mijn longen uit mijn lijf. Waarom ik mijn fiets niet pakte, begrijp ik nu nog steeds niet.

De e-mail was kort. Het rapport van het onderzoek werd binnen drie dagen verwacht, maar de foto’s konden al vrij gegeven worden. Ik bekeek het zwart geblakerde pand en sloot abrupt mijn laptop. Niet nu. Ik wilde het niet zien. Ik kreeg het benauwd en besloot een stuk te gaan fietsen en een ontbijt te scoren. Mijn maag moest tot rust komen. Ik raapte mijn jas op van de vloer, trok mijn laarzen aan, schikte mijn haar -voor zover daar enig model in te krijgen was- en trok de schuurdeur achter me dicht. Na een minuut of vijf fietsen sloeg ik de Dwarsstraat in en zag ik haar op een afstand lopen. Ik vervloekte deze dag en mezelf. Van alle routes die ik kon kiezen koos ik deze waarbij ik de kans liep haar tegen te komen. Godverdomme toch. Ik kon geen kant uit, ze had me al gezien en dus moest ik stoppen.

Verhaal: Anna (1)

Op het moment dat ik haar tegenkwam zag ik in haar ogen schrik, ze wilde vluchten maar kon geen kant op. Dat voelde ik. We kennen elkaar al twintig jaar, niet op vrijwillige basis maar ook niet gedwongen. Er waren momenten geweest dat we veel deelden. Nou ja, ik deelde vooral veel en zij ontving. Ze gaf nooit. Dat kon ze niet. Geven is angstig. Je stelt jezelf bloot en je toont emoties. Iets dat zij verafschuwde. Niet dat anderen zich niet mochten uiten bij haar, in tegenstelling zelfs, ze kon troost bieden als geen ander, maar zelf zou ze zich nooit verlagen tot een trillende lip, laat staan een vallende traan.

De laatste weken zagen we elkaar niet meer. Na het ongeluk hadden we geen fysiek contact, zelfs geen telefoongesprek. Ze stuurde me een kaart met een voorbedrukte tekst en ondertekend met alleen haar naam. Geen sterkte, geen bemoedigende woorden en zelfs geen kus of groeten. Ik lag dan in mijn bed, verscheurd van pijn en verdriet en dacht aan haar. Wat had ik haar graag bij me gehad zodat ik kon schreeuwen in haar armen. De pijn op haar afvuren, snot aan haar mouw afvegen en me dan in slaap laten sussen zodat ik een moment rust kon hebben. Nachten lag ik wakker. Op aanraden van de dokter slikte ik slaapmedicatie. Er gebeurde niets. De dosis werd verhoogd. Ik bleef wakker, ogen wijd opengesperd en een hart dat overuren maakte in mijn keel. Alle lichten bleven branden want het donker kon ik niet verdragen. Uren lang tuurde ik naar het plafond, ik telde de balken, ik zag elk groefje in het hout en elke spinnenweb in de hoeken. Soms was ik blij met het bezoek van een mug. Nu was ik niet alleen en kon ik mijn aandacht richten op het geluid wat dat kleine wezentje voortbracht. Normaal gesproken zou ik uit mijn bed springen en het beestje opsporen om het zo snel als mogelijk met een handdoek tegen het plafond of de muur kapot te slaan. Maar nu, nu lag ik wezenloos voor me uit te staren en naar dit wonderlijke beestje te turen.

Vijf dagen na het ongeluk -vijf dagen van volcontinu wakker zijn; vijf dagen van wezenloos ongewassen in mijn pyjama in bed liggen of wat doelloos door de kamer rondlopen- besloot ik terug naar de huisarts te gaan. De slaapmedicatie werkte niet. Mijn geest was onvermoeibaar en kon niet tot stilte gebracht worden. Hoe hoog de dosis ook zou worden, mijn geest was niet te breken. Als er nu niet ingegrepen zou worden dan waren er twee mogelijkheden. Ik zou krankzinnig worden en in een of ander gesticht vastgebonden moeten worden of ik zou de dichtstbijzijnde spoorweg zoeken om een trein die op hoge snelheid op me af zou komen van heel dichtbij te gaan bekijken. Ik was wanhopig. Niet slapen is dodelijk. De huisarts wilde me alleen op haar kantoor ontvangen. Dat betekende dat ik uit bed moest komen en de stap naar buiten moest gaan wagen. Voordat ik naar buiten kon, moest ik eerst douchen. Mijn haar plakte aan mijn hoofd, mijn oksels roken allerminst fris en uit mijn mond kwam een onherkenbare lucht. Ik had al die dagen ook maar sporadisch wat gegeten. Dat vertaalde zich in een algehele vreemde lucht die uit alle gaten die mijn lichaam rijk was ontsproot. Stap één was dus douchen. Ik kleedde me uit en zette de kraan op een aangename temperatuur. Zodra ik onder de stralen stapte begon ik onmiddellijk onbedaarlijk te huilen. Alsof de douchedruppels die op me vielen door mijn schedel drongen en via mijn ogen weer een uitweg vonden. De tranen stroomden over mijn wangen en kin. Mijn neus begon vol te lopen met snot en mijn lichaam begon te schokken. Ik schreeuwde de longen uit mijn lijf en toen ik de kraan uitdraaide leek het wel alsof mijn tranen op waren. Ik was schoon.

Ik trok schoon ondergoed aan, een zwarte joggingbroek met daarop een zwarte trui. Gooide mijn pyjama in de was en poetste mijn tanden. Beneden trok ik mijn zwarte gympen aan. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om iets gekleurds aan te trekken. Daar was de tijd nog niet rijp voor. Ik trok mijn jas aan en zette een dikke muts op mijn hoofd zodat niemand mij zou herkennen. Op het moment dat ik de deur open deed voelde ik de februari kou op mijn gezicht beuken. Even hapte ik naar lucht. De tranen sprongen in mijn ogen, nu van de kou. Ik sprak mezelf toe en stapte naar buiten. Ik liep de straat uit en toen ik de hoek om sloeg kwam ze aangereden op de fiets.

Appartement

Vandaag bezocht ik het nieuwe huis van mijn vriendin en haar man. Ze hebben hun lief kleine poppenhuisje op de Markt verruild voor een appartement. Mijn vriendin is vorig jaar zestig jaar geworden en haar man is net een paar jaartjes ouder. Hij heeft vorig jaar flink wat klappen gekregen vanuit de medische hoek. Dat gecombineerd met de klussen die een oud huisje altijd met zich meebracht deed hun besluiten te verhuizen naar een appartement. De verkoop van hun eigen huis klinkt als een sprookje. Ze waren rustig om zich heen aan het kijken naar een geschikt appartement. Toen ze een mooi en licht appartement hadden gevonden waar hun hartje een extra sprongetje van maakte. Naast dat het ontzettend licht was, had het een fantastisch uitzicht over het park en had het genoeg ruimte om alle kleinkinderen een plekje te geven. Maar, het appartement was al bijna verkocht was. Een ander stel was hun net voor en moest nog de financiën rond krijgen, maar dat was een formaliteitje.

Licht teleurgesteld ging de zoektocht verder. Nu wonen wij in een kleine gemeenschap waar heel veel wordt gekletst. Dus binnen korte tijd werd bekend dat mijn vriendin verhuisplannen had. Dat liet de eigenaar van het pand naast hun zich geen twee keer vertellen en belde op een druilerige zaterdagmiddag bij zijn buurvrouw aan. Hij wilde het pand wel kopen. Hij wilde het zelfs wel voor een goede prijs kopen. Mijn vriendin sprong een gat in de lucht en haar man huppelde licht (hij is niet zo een uitbundig type).

De buurman had geen enkel bezwaar om te wachten totdat mijn vriendin een geschikt appartement zou hebben gevonden.  Rustig liet mijn vriendin alle mogelijkheden langs zich voorbij gaan en liep op een dag op de weekmarkt de makelaar van het appartement dat voor haar neus was weggekaapt tegen het lijf. Hij vertelde dat de kopers moeite hadden om alle euro’s bij elkaar te krijgen. ‘Oh, wat vervelend voor ze,’ zei mijn vriendin ietwat geveinsd. Een dag later belde hij. De koop ging definitief niet door en het appartement was weer beschikbaar. Hij vroeg of ze nog interesse hadden in het appartement. Onmiddellijk maakten ze een afspraak en binnen een paar uur was de zaak beklonken. En nu, nu liep ik hier tussen de klusspullen, de rollen behang, de pakken laminaat, de in-elkaar-zet-kasten-van-Ikea en allerlei verfstalen en dozen door dit mooie lichte appartement. Ik zag een dolgelukkige vriendin -die zelf ook licht begon te geven- en een klussende man die, ook al liet hij het niet blijken, best een gat in het plafond zou willen springen. Wat is het toch mooi als de dingen gaan zoals ze moeten gaan.

Plassen

Ik zag vandaag een jongetje van een jaar of twee, nog wat onzeker op de benen, maar vol levenslust stortte hij zich op de plassen die rijkelijk aanwezig waren op het schoolplein. Dat hij geen regenlaarzen aanhad deerde hem niet. Dat hij een joggingbroek aanhad en het water inmiddels langs zijn benen naar beneden moest sijpelen, evenmin.

Ontroerd volgden mijn ogen dit hummeltje. Hij was zich niet bewust van zijn omgeving. Het enige dat telde waren die plassen. Er zaten flinke plassen tussen. Voor zijn lengte waren het bijna meren, maar of ze nu klein of groot waren en of het nu maar een klein beetje omhoog pletste of tot zijn kruin, het maakte hem helemaal niets uit. Ronduit volmaakt gelukkig.

Wat is het fijn als je met zoiets eenvoudigs als een regenplas -waar we er trouwens de laatste tijd veel van hebben- gelukkig kunt zijn. Hoe ouder ik word hoe verder ik van mijn kindertijd afsta. Wat vond ik nu eigenlijk leuk toen ik een dreumes van twee was? Geen idee. Moet ik nog eens navragen, maar ik ontdekte die zelfde dag wel een overeenkomst met dat jongetje. Ik reed namelijk in mijn Panda naar de stad om mijn nieuwe brillen op te halen. Het goot en goot. De ruitenwissers stonden op standje hysterisch. Ze wisten niet goed raad met de situatie. Ik reed langs een berm en zag dat er een hele diepe en grote plas lag. Ik gaf gas en stuurde een beetje naar rechts. Pats, het water schoot tot aan het raam. Geweldig. Ik voelde me even heel erg verbonden met een twee jarige op het schoolplein, maar dan wel met droge benen.

Schriftjes

Al jaren verzamel ik schriftjes. Vaak gebruik ik ze voor de helft, raak ik ze kwijt en begin dan vol goede moed aan een nieuw schriftje. Ik heb ze in alle vormen en maten. Vaak weet ik zelfs nog waar ik ze gekocht heb en voor welk doel.

Schrijven helpt me om mijn emoties te duiden. Ik  heb al vaak donkere plekken bezocht en dan had ik een schriftje nodig om me weer helder naar alles te laten kijken. De schriftjes als psychiater. Stukken goedkoper.

Soms vind ik opeens een schriftje. Die lag dan al een tijdje stof te vangen in mijn boekenkast. Bij het snuffelen door mijn boeken kom ik dan zo een schriftje tegen en kan de verleiding niet weerstaan om terug te lezen wat ik heb geschreven. Heel vaak vind ik mezelf echt een drama Queen. Wat een diepzinnig overdreven gedoe, maar ik weet ook dat ik dan mezelf erg te kort doe. Ik heb nu eenmaal diepe heftige gevoelens. Altijd al gehad. Dat zit dus in mijn natuur. De dalen zijn diep, maar de pieken zijn dan ook weer hoog. In het schriftje dat ik vandaag tegen het lijf liep, zag ik het verhaal over de geboorte en sterfte van ons eerste kind. Een schrift voor Teun staat er op het eerste blad. Gekocht met het doel herinneringen aan Teun op te schrijven en al mijn gedachten aan het papier toe te vertrouwen. Een verslag van alles dat zich rondom de twintig weken echo, ziekenhuisopname en geboorte van Teun afspeelde. Het staat er allemaal in. Ook veel gedichten heb ik neergepend. Gedichten waarvan ik het bestaan niet eens meer wist. Gedichten van rouw, verdriet, maar ook van hoop. Ongeveer 8 jaar geleden schreef ik het volgende gedicht in mijn schriftje:

Als ik rustig zit,
zie ik het dansen van het gras in de wind.
Nu ik achterover leun,
voel ik de koele bries zwevend langs mijn oor.
Ik weet wat dit betekent,
ik weet welk moment is aangebroken.
Het licht staart me aan als een haas
voor mijn koplamp.
Het geluk klopt op de deur.
Zal ik open doen?

We zijn nu acht jaar verder en ik kan zeggen dat ik de deur open  heb gemaakt, dat de welkome gast binnen is gekomen, zich fijn in ons gezin heeft genesteld en besloten heeft te blijven.

Regen

De hele dag klettert de regen op het platte dak van onze keuken. De lamp moet aan om de krant te kunnen lezen. Geen sprankje zon te bekennen. Grijs is de kleur van de dag. Het is grijs in verschillende variaties. Dat dan weer wel. De druppels blijven kleven tegen het raam alsof ze naar binnen willen. Ze hangen daar zo een beetje. Ze willen gered worden. Gered van de kou en druk om altijd maar naar beneden te vallen. Als ze konden dan zouden ze het uitschreeuwen “ook wij willen wel eens omhoog.” Maar helaas.

Als ik uit het raam kijk zie ik de toppen van de bomen die achter ons huis staan. De takken lijken naar me te zwaaien. Ik hoor opeens André Hazes “met die handjes in de lucht, allemaal. Van links naar rechts. Kom op mensen, het is feest.” Vreemd. André Hazes is wel de laatste waarvan ik verwacht had die ooit tegen te komen in mijn gedachten. Ik geloof niet dat ik eerder het genoegen (nou ja genoegen) heb gehad zijn gezicht voor me te zien, laat staan zijn stem in mijn hoofd te horen. Die bomen maken dus heel wat los bij me. Ze zijn nu nog bladloos en dat vind ik er soms zo triest uitzien. Zeker op een dag als vandaag. Zij blijven fier overeind. Ze kunnen niet anders en vangen al die wind, kou en nattigheid maar weer op. Ik zit warm binnen en zou wel naar buiten willen rennen om die bomen lekker in te pakken. Een warme gebreide trui bijvoorbeeld. Zo eentje waar ik zelf gigantische jeuk van krijg. Een goede foute trui, met een rendier erop. Al zijn die foute truien nu weer hip, dus weet ik eigenlijk niet meer wat fout is en wat mode correct. Verwarrend allemaal. Een probleem is wel hoe ik zo een trui bij een boom van een metertje of 12 aankrijg. In mijn fantasie laat ik me zo klein maken als vrouwtje theelepel (dat vond ik zo een fantastische serie toen ik klein was) en spring achter op de rug van een tortelduif. Deze vliegt met mij en de trui, die ook gekrompen is, naar de top van de boom en met een toverstafje tover ik, hocus pokus toedeledokus pas ik wou dat de trui om de boom was, in een mum van tijd de trui om de takken van de boom.

Maar als ik dan toch zo een toverstafje heb en de kunst van het toveren versta zou ik er ook voor kunnen kiezen om de lente te laten starten. Nu we geen winter hebben gehad vind ik dat we ook niet moeilijk moeten doen om de lente vroegtijdig van start te laten gaan. Dan prevel ik met mijn toverstafje in de hand de magische woorden “hocus pokus toedeledokus pas, ik wou dat de lente er was.” En poef, de krokussen vliegen uit de lucht in alle kleuren van de regenboog. De narcissen rechten hun kopjes fier omhoog. De bloesem viert feest zoals ze dat in Japan doet. De zon laat haar licht schijnen. Alle mensen laten hun humeur verwarmen aan deze verschijning. Als dat toch eens mogelijk was, dan deed ik het. Hocus pokus toedeledokus pas, ik wou dat ik een tovenaar was.