Tram

Ik ben opgegroeid in een dorp. Daar hebben we alleen een busverbinding. Voor de avontuurlijke bewoners is dat redelijk problematisch aangezien op zondagen die verbinding minimaal is en alsof het een ongeschreven wet is, lijkt het dorp hermetisch afgesloten van de rest van de wereld.

Vandaag ben ik met de trein naar Rotterdam gegaan. Dit is een stad waar je van alles kan beleven, ik heb er zelfs een tijdje tijdens mijn studententijd gewoond en een deel van mijn familie woont er, maar de stad grijpt me niet. Ik vind Rotterdam in de avond als het -voor stadse begrippen- donker is het meest aantrekkelijk. Al het lelijks en ruws is dan verborgen achter de gordijnen van de nacht. De stad lijkt zachter en vriendelijker.

Vanavond ben ik met mijn zus naar de documentaire Janis, little gril blue geweest in Lantaren Venster. Dit is een documentaire die getoond wordt in een filmhuis. Mooie omgeving, lekker eten. Nou ja, na een tijdje daalde de enchillada  pas goed in en begonnen de krampen. Een lichte en ruikende domper op een perfecte avond.

We gingen terug met de tram en toen gebeurde het. Ik voel me nooit een provinciaaltje tot vanavond. Ik probeerde met een pasje die ik had geleend uit te checken en had per ongeluk de verkeerde pas gebruikt. Dus moest opnieuw inchecken en uitchecken, was met twee passen in de weer en de deur ging open en dicht en zusje lief zat tussen de deur en stapte uit en weer in. Totale chaos. Ik vroeg aan de mevrouw die chipkaarten controleert om hulp. Ik keek haar met een hulpeloze blik aan en….weg reed de tram. Zus toen buiten en ik ging door. Het antwoord van de dame was “nu moet je mee tot de volgende halte.” Dat had ik inmiddels zelf ook wel door.

Daar stond ik. Op het Centraal Station in Rotterdam om middernacht en ontdekte ik, geen mobiel bij, geen geld bij, geen telefoonnummer van zus en ook geen huissleutel. Oké ik geef het toe, misschien ben ik toch een beetje een provinciaaltje.

Advertentie

Overpeinzing

Wat een bijzonder woord is dat toch “overpeinzing”. Vooral als je het opschrijft, maar daar gaat het nu niet om. Via mijn werk volg ik een training die gericht is op een andere manier leidinggeven. De training heet Congruentmanager 2.0. Elke maand nemen we (groep telt 5 mensen) een module door en bespreken met elkaar onze actieplannen. De kracht van de training zit hem in de vragen die de deelnemers elkaar stellen en de spiegels die we elkaar voorhouden. Tijdens de training wordt er geen blad voor de mond genomen en is iedereen compleet -voor zover ik weet- eerlijk.

Elke keer stort ik me volledig op de module en de uitvoering van mijn actieplan. Ik wil alles uit de training halen. Ik kom telkens tot inzichten en overpeinzingen. Vandaag sprak ik met een deelnemer over oordelen. Hoe snel en hoe makkelijk mensen elkaar beoordelen en vaak ook veroordelen. Ik voer met enige regelmaat sollicitatie gesprekken. Meestal binnen een paar seconden is duidelijk of ik met iemand zou willen samenwerken of niet. Dat gebeurt heel vaak instinctief. Dit mechanisme komt voort uit onze natuur. In een fractie van een seconde kunnen we aanvoelen of er gevaar is en of we moeten vluchten of vechten.

We zijn natuurlijk nu veel verder in onze evolutie, maar het instinctief reageren op anderen zit gebakken in ons systeem. Is dat erg? Het lijkt me iets dat onoverkomelijk is, maar waar je wel bewust van kan worden. Ik stel mezelf dan ook vaak de vraag, waarom voel ik weerstand bij deze kandidaat en wat zegt dat vervolgens over mezelf? Hierdoor plaats je mensen in een ander licht en kun je proberen het beeld te nuanceren. Toch ben ik van mening dat oordelen ook storend is en oneerlijk. Vanuit mijn eigen gedachten, patronen en overtuigingen bestempel ik iemand zonder dat diegene zich kan verweren. Ik zie iemand lopen en bam…stempel….sukkel, zal wel niet zo slim zijn, zielig geval, zal wel niet goed bij zijn hoofd zijn….en ga zo maar door. Ontzettend vervelend vind ik dat. Ik zou niet graag zo behandeld worden, maar natuurlijk gebeurt dat wel. Andere mensen beoordelen en veroordelen net zo hard. Zelf moet ik dan dat beeld corrigeren. Erg ingewikkeld vind ik dat.

Ik ben er niet over uit wat ik kan veranderen om het oordelen uit te bannen. Daar ga ik over nadenken. Ik wil graag in het leven staan met een open blik. Zoals ik bij strafrecht altijd heb geleerd: je bent onschuldig totdat het tegendeel is bewezen. Ik peins nog even verder.

Verbinding

Steeds vaker spreek ik mensen die gestopt zijn met Twitter en Facebook. Ooit waren ze begonnen met het aanmaken van een account omdat ze niet wilde achter blijven. Je moet toch mee met de tijd en de technische mogelijkheden die op een presenteerblaadje aangereikt worden. Doe je dat niet dan blijf je achter, mis je informatie en voor dat je het weet kwijn je weg achter de geraniums denkend dat het nog steeds 1988 is en het Nederlands elftal een kans maakt om Europees kampioen te worden.

Ik heb ook een Twitter account aangemaakt. Nooit gebruikt, ik snapte er niets van en begreep al helemaal niet hoe je een boodschap kan overbrengen die enig nut heeft in zo weinig woorden. Facebook is een ander verhaal. Dat vond ik in het begin wel een mooie manier om met elkaar in contact te treden, zeker met vrienden in Gambia waarmee het schrijven van brieven niet zo soepel verliep. Ook had ik een paar interessegebieden zoals de Volkskrant, een yogaclub, Jane Goodall, Amnesty, waar ik de laatste nieuwtjes van kreeg en dat bracht echt inhoud aan mijn Facebook-beleving.

Op een gegeven moment ontdekte ik dat ik veel tijd besteedde aan het door scrollen van mijn pagina om te zien wat er nieuw was. Het overgrote merendeel van het “nieuws” bestond dan uit duckface selfies, likes van “vrienden” die een tuinset wilde winnen of een pakket van Kippie Kippie, of gerechten die klaar gemaakt werden en echt getoond moesten worden aan de wereld, want het ontzeggen van deze informatie staat bijna gelijk aan het plegen van een misdrijf. Ook de kerstperiode was een mooie tijd, niet omdat iedereen liefdevolle aandacht aan elkaar schenkt. Nee, omdat de kerstboom aan de wereld getoond moest worden. Ik kan me niet herinneren dat ik vroeger een foto van mijn kerstboom maakte, mee nam naar mijn werk en dan  vervolgens aan mijn collega’s liet zien.

Als laatste wil ik de meest beschamende categorie “nieuws” op Facebook noemen. Dat zijn die berichten die ouders plaatsen van hun doodzieke kind. Er wordt een foto gepost van een kind -vaak met een haarloos chemo koppie- die een handgeschreven bordje of kartonnetje vasthoudt waarop staat “like if you pray for me”. Ronduit walgelijk vind ik dit manipulatieve gedrag.  Als je aandacht voor je kind wil, geef dan zelf die aandacht door je kind vast te houden en lief te hebben in plaats van foto’s te maken en tijd op Facebook door te brengen om te zien of je al een hit bent. Ik voel erg mee met deze kinderen. Naast dat ze ziek zijn worden ze door hun ouders ook nog eens publiekelijk tentoongesteld als ware het rariteiten uit de jaren twintig van de vorige eeuw.

Facebook was ooit ontstaan als communicatiemiddel voor studenten. Het was letterlijk een gezichtenboek voor studenten zodat zij elkaar makkelijk konden vinden. Dit is uitgegroeid tot een wereldwijd instrument om met elkaar in contact te treden en te communiceren. Alleen mijn vraag is of er sprake is van communicatie. Alle grenzen zijn open en een ieder kan uitbraken wat hij wil zonder enige verantwoordelijkheid. Dat iedereen zich beter voordoet en van zijn beste kant laat zien, vind ik nog niet eens zo erg, maar wat me uitermate stoort is dat er gepropageerd wordt dat men in verbinding tot elkaar staat terwijl de meest verschrikkelijke reacties geplaats worden gericht aan mensen die iets willen delen. Zangeres Anouk wordt “afgemaakt” omdat ze zwanger is, het vluchtelingendebat wordt verstoord door mensen -die helaas stemrecht hebben en het recht van meningsuiting- die alleen maar ongefundeerde emoties uitkotsen of ex-partners maken elkaar zwart omdat ze zich ellendig en eenzaam voelen.

Ik wil hier geen deel meer van uitmaken en ben sinds september 2015 Facebook-loos. Heerlijk en een enorme winst aan tijd. Tijd die ik mooi kan besteden aan een goed gesprek, verbinding 2.0.

Tranen

Ik ben lang niet zo stoer  als ik me voordoe. De meeste mensen hebben een bepaald beeld van me, vooral op mijn werk. Ik ben streng, eis kwaliteit en loyaliteit. Rechtvaardigheid en gelijkheid staan hoog op mijn principe-lijstje en ik deins niet terug voor het stellen van kritische vragen, zelf als dat ervoor zorgt dat ik minder geliefd wordt. Ik ben een mens met principes en overtuigingen.

Dat kan allemaal wel zo zijn, maar dit is natuurlijk maar één kant van de blinkende medaille die Bianca heet. Natuurlijk heb ik ook een zachte kant. Die kant komt heel vaak naar voren. Ik word geraakt door mijn dochter die een verhaal aan me voorleest. Mijn hart slaat over als mijn andere dochter een lied voor me zingt en dan afsluit met de woorden “ik houd zo veel van mamma dat ik er van moet huilen.” Datzelfde hart breekt als een van die twee valt en met een bloedend gezicht in mijn armen ligt. Ook kan mijn man me ontroeren. Als hij geraakt wordt door iets wat de kinderen doen, smelt ik.

Deze emoties kent natuurlijk iedereen wel op de een of andere manier, maar ik sla ook regelmatig door in mijn ontroering. Soms op het gênante af. Ik huil namelijk vaak bij televisieprogramma’s. En dan heb ik het niet over die programma’s die gaan over zieke kinderen die in het ziekenhuis liggen en de dood in de ogen staren of over dode vluchtelingen jongentjes op een strand. Dat zijn ook van die voor de hand liggende tranentrekkers. Nee ik heb het over “Help mijn man is klusser” of “Wie is de mol” of “De wereld draait door” of een of andere sportfinale, bijvoorbeeld rugby waar ik anders nooit naar kijk. Vooral huilen bij “Help mijn man is klusser” is beschamend.  Het erge is dat ik dit soort televisieprogramma’s echt verschrikkelijk vind. Ik vind die mannen verschrikkelijk. “Kom met je luie reet van die bank af en ga wat doen”, schreeuw ik tegen het scherm. Die vrouwen zijn ook naar. Ik hoor mezelf roepen “doe dan zelf ook eens wat en stop met zeiken.”

Tijdens het kijken van dergelijke programma’s gebeurt er iets met me. Iemand neemt de controle over en stapt in het scherm en maakt opeens onderdeel uit van het gebeuren. Vooral bij sportfinales wordt ik bloedfanatiek, terwijl ik de regels van het spel amper snap. Zodra dan de winnaar op het podium stapt, maakt niet uit wie, en het volkslied gaat spelen gebeurt het. Niet één wonderschoon klein gracieus traantje glijdt via mijn ooghoekje naar beneden en strijkt langs mijn wang. Neehee, de sluizen gaan open en, zoals Oprah Winfrey het ooit noemde, de ugly cry komt naar buiten. Rode ogen, snot overal en hevig snikken….ikkkk vvvind ut zooooo zielug voor die mmmensen. Manlief weet al genoeg en heeft meestal de keukenrol klaar staan om me te assisteren bij dit grootse verdriet. In het begin van onze relatie schrok hij. Hij sprong dan op, rende naar de keuken om een glaasje water en tissues te halen. Nu weet hij genoeg. Hij vraagt niet eens meer wat er is, want hij weet heel goed. Over 5 minuten is het weer over.

Ik kan me heel makkelijk laten gaan en het fijne is dat ik het oppervlakkige gesnotter ook weer heel eenvoudig achter me kan laten. Soms vind ik het heerlijk om even uit te barsten in gesnik en gejammer. De echte pijn blijft hangen, maar gek genoeg gaat dat vaak gepaard met heel andere tranen.

Nu ga ik donderdag naar de documentaire over het leven van Janis Joplin. Mijn zus gaat mee, ook al heeft ze niets met Janis, maar ze weet dat iemand moet zorgen voor de zakdoekjes. Ik vertelde haar dat ik waarschijnlijk tijdens de film zal uitbarsten in tranen. Haar reactie: “ik had niet anders verwacht”. Fijn dat er mensen zijn die beide kanten van de medaille kennen en je onvoorwaardelijk lief hebben.

Vriendschap

Vandaag was ik uitgenodigd door een vriendin voor haar verjaardag. Ze gaf een feestje om te vieren dat ze veertig jaar was geworden en om de vriendschap te vieren. Zes verschillende vrouwen kwamen bij elkaar om thee te drinken en hapjes te eten. Ik kende geen van deze vrouwen. Ik vond het erg leuk om te zien wie er allemaal aan tafel zat. Dat zegt ook wat over mijn vriendin.

Zelf heb ik ook veel verschillende vriendinnen. Tijdens de middelbare school had ik meer vrienden dan vriendinnen. Nu is dat andersom. Toch heb ik een voorkeur voor mannen. Mannen vrienden brengen iets anders in een vriendschap dan vrouwen. Mannen zijn vaak geïnteresseerd in hele andere dingen dan vrouwen, zoals auto’s, voetbal en politiek. Nu zijn die eerste twee onderwerpen niet echt de onderwerpen waar ik uren over door kan babbelen, met politiek ligt dat anders. Mannen zijn vaak ook rechtlijniger, directer en hebben stevige pittige humor. Dat laatste spreekt mij erg aan. Het kan niet grof genoeg zijn voor mij. Ik lig om een goede niet politiek correcte grap of seksistische uithaal onder tafel.

Toen ik een jaar of zestien was had ik een groep vrienden om me heen. Allemaal in leren jack, brommertje onder hun kont en sjekkies roken. Dat vond ik spannend en stoer. Om die jongens hingen dan meiden die netjes gekleed waren, bloemetjes bloesjes aan, lange blonde haren en vol in de make-up. Dat boeide mij allemaal niet zo. Ik wilde gewoon ook een van de jongens zijn. Ik hing dan ook altijd aan de kant van de jongens en probeerde de meiden te negeren. Jongens mogen onbeperkt boeren, hardop zingen, onbeschaamd gedrag vertonen en kussen met wie ze willen. Dat wilde ik ook en deed dat ook. Gek genoeg betekende dat regelmatig vrienden verliefd op me werden, wat me zeer verbaasde aangezien ik niet een schone blondine was die zich voordeed alsof de wereld plat was. Helaas betekende dat ook het einde van de vriendschap. Zodra ik een jongen moest afwijzen omdat er geen wederzijdse romantische gevoelens aanwezig waren, bleek dat de vriendschap ook gestorven was. Erg jammer was dat.

Nu heb ik een paar vriendinnen en vrienden. Allemaal verschillend. Mijn theorie is, hoe divers een vriendengroep om iemand heen is (dus allemaal verschillende soorten mensen) hoe divers -en misschien zelfs wel complex- de persoon in kwestie is. Alle kanten van een persoon kunnen bediend en ondersteund worden door een vriend of vriendin. Eentje om mee te winkelen, eentje om mee te eten, eentje voor musea, eentje voor politieke praatjes, eentje om boekenliefde mee te delen, eentje om huwelijksproblemen mee te bespreken, eentje om mee te lachen en eentje om mee te huilen en eentje, dit is er een die vaak alles in zich heeft, om mee naar de sauna te gaan.

Ben benieuwd wie ik ga uitnodigen voor mijn veertigste verjaardag.

Liefde

Gisteren keek ik naar De wereld draait door. Daar was de burgemeester van Amsterdam te gast en hij sprak over een interview dat hij heeft gegeven en dat hij het woord “lief” had gebruikt. De context was de volgende. De burgemeester werd gevraagd of een situatie zoals deze zich heeft voorgedaan in Keulen, massale aanranding en beroving van een grote groep vrouwen, in Amsterdam ook zou kunnen gebeuren. Hij reageerde daar op met heel veel woorden, maar de media haalt vervolgens de context uit elkaar en geeft een verdraaide weergave van deze woorden zodat de burgemeest gezegd zou hebben dat een dergelijke situatie uitgesloten is, aangezien amsterdammers te lief zijn.

Het stoort me ontzettend dat media bovenal sensatie zoeken, dit uitvergroten en de context van een interview volledig kunnen verdraaien waardoor de betrokkene voortdurend tekst en uitleg moet geven over wat hij/zij gezegd zou hebben. Wat me verder stoort is dat de discussie dan vervolgens gaat over wat er wel en niet gezegd zou zijn en hoe dit uitgelegd moet worden zonder dat het over het “echte” onderwerp/probleem gaat. Heel geraffineerd gaat men in de media te werk en vervolgens pakt het hele land het op en voelt iedereen de behoefte zijn mening te ventileren of uit te braken.

Natuurlijk heb ik ook een mening, maar die wil ik graag pas uiten als ik beschik over feiten en over een stuk waarheid. Halve waarheden, op sensatie beluste waarheden of verdraaide waarheden, daar kan ik niets mee en wil ik verre van blijven. Toch is het erg moeilijk om de waarheid te kennen, als zoiets überhaupt al mogelijk is. Ik ga ervan uit dat de media mij een eerlijk verhaal vertellen, maar hierin raak ik steeds meer teleurgesteld. Het NOS journaal is al een paar keer door de mand gevallen, door verhalen niet te checken of te verzaken hoor en wederhoor toe te passen. Ook de Volkskrant heeft haar reputatie verspeeld door plagiaat toe te staan en gekleurd nieuws te brengen.

Het wordt voor een buitenstaander steeds moeilijker om te vertrouwen op media. De sociale media zijn zo snel met het geven van berichten dat daardoor regelmatig de plank totaal mis wordt geslagen. Wat heeft het dan voor nut om sociale media te volgen. Wat is nu belangrijker dat informatie snel tot ons komt of accuraat? Ik kies voor het laatste.

Burgemeester Van der Laan gaf in zijn interview ook een stukje van een oplossing voor wat betreft radicalisering van jongeren tot de islam en bij betrokkenheid met IS. Zorg voor verbinding. We moeten ervoor zorgen dat we deze jongeren niet kwijt raken. Nu komen we bij de kern van de problematiek. Hoe komt het dat jongeren radicaliseren? Zodra we dat weten, en daarover is heel veel bekend, dan kunnen we naar een stuk van een oplossing toe werken. Maar ook, wat te doen met de grote stroom vluchtelingen die in Nederland binnen komen? Werkt het dat we deze mensen in een grootschalige opvang stoppen zonder dat we ze iets leren over Nederland? Nee, natuurlijk niet. Er zitten mensen in asielzoekerscentra die niet weten hoe je een wc moet gebruiken en waar toiletpapier voor dient. Waarom wordt daar niet in geïnvesteerd? Waarom wordt alleen maar het voorbeeld van onze big brother de Verenigde Staten gevolgd en keihard terug geslagen. Zoals de burgemeester aangaf “als ze met Kalasjnikovs de studio binnen rennen is het oorlog, maar tot die tijd kunnen we best lief voor elkaar zijn”. Wat een verademing, eindelijk iemand aan het woord die los van emotie en los van het wij versus zij-denken nadenkt over het dieperliggend probleem. Liefde is het antwoord, eigenlijk op elk probleem. Durf daar maar eens mee naar buiten te komen. The Beatles deden het, Mandela riep het, Martin Luther King zag het, de hippies bedreven het. Nu de rest van de wereld nog.

 

Invloed

In mijn leven tot nu toe heb ik een aantal mensen om me heen gehad die me sterk hebben beïnvloed. Een lerares Nederlands zag dat er meer potentie in me zat dan er tijdens de lessen op de middelbare school uitkwam en zorgde ervoor dat ik examen kon doen. Daardoor ontsnapte ik uit een bepaald keurslijf dat me steeds strakker om het lijf ging zitten en voorkwam ze daarmee dat ik zou stikken.

Mijn tante Riek gaf me liefde op de momenten dat ik het nodig had. Ik was na de scheiding van mijn ouders een eenzaam kind. Die eenzaamheid werd verstrekt toen mijn moeder een nieuwe liefde in haar leven toeliet. Vanaf dat moment was voor mij duidelijk dat ik bij niemand op de eerste plaats kwam, behalve bij tante Riek. Zij gaf me aandacht, speelde eindeloos spelletjes met me en hield me dicht bij haar. Bij haar voelde ik me rustig en op mijn gemak. Ik voelde dat ik ertoe deed. Al was het maar voor een uurtje.

Mijn oma Muk was ook iemand die me heeft gered. Na de scheiding van mijn ouders kwam ik regelmatig bij haar. Zij haalde me op, aangezien mijn vader geen auto kon rijden, en bracht me vanuit Rotterdam weer naar huis. Vreselijke autoritten waren dat. De terugreis was altijd geladen met verdriet. Ik wilde bij mijn vader blijven. Daar kreeg ik alle aandacht. Nu kijk ik daar genuanceerder naar, maar als kind wilde ik bij hem wonen en heel dicht tegen hem aan staan of zitten. Voor altijd. Mijn vader overleed en de bezoekjes aan mijn oma werden minder. Op een bepaald moment zag ik haar niet meer en was het contact verbroken. Teleurgesteld en eenzaam bleef ik achter. Mijn emoties zette ik om in boosheid. Hoe kon ze mij, een kind nog, in de steek laten? Was ik dan niet belangrijk genoeg?

Na ruim 15 jaar stilte besloot ik haar op te zoeken. Op dat moment worstelde ik met de verwerking van de dood van mijn vader en was ik bezig met een zoektocht naar mezelf. Ik had alleen mijn moeder in de buurt om me aan te spiegelen, maar ontdekte dat ik constant met haar in conflict raakte omdat we zo verschilden van elkaar. Dat moest dus de kant van mijn vader zijn.

Ik was nerveus om haar te ontmoeten. Mijn zus ging mee. Zij had nog wel contact en heeft de afspraak geregeld. Het moment dat ik haar zag was heel bijzonder. Ze was nog precies zoals ik me haar herinnerde. We rookten samen een sigaret. De spanning vloeide weg uit de kamer, terwijl deze zich volzoog met rook. Ze stelde veel vragen over mijn leven en er ontstonden mooie gesprekken. Mijn oma kon heel mooi vertellen, soms wat langdradig, maar altijd boeiend.

In haar appartement hing een schilderij van pioenrozen. Mooie kleurencombinatie en heel gedetailleerd vastgelegd. Ik was gelijk onder de indruk. Ze vertelde me dat pioenrozen haar lievelingsbloemen waren en dat ze het schilderij zelf had gemaakt. Mijn mond viel open. Dit bezoek bracht me zo veel herkenning. De verhalen die ze vertelde zorgde dat ik steeds meer stukjes van mezelf vond en begreep. En nu vertelde ze me ook nog dat ze kon schilderen en heel creatief was. Zelf was ik ook bezig met sieraden maken, schilderen en gedichten schrijven. Terwijl mijn moeder ver weg blijft van alles wat enigszins met kunst te maken heeft en lezen van poëzie verafschuwd, vond ik hier iemand die me liet zien dat dit stuk van mezelf een oorsprong heeft in een dieper liggende dna-lijn.

Vanaf dat moment werd de band met mijn oma met de dag sterker. Ik herinnerde haar aan haar verloren zoon en zij herinnerde mij aan mezelf. Hierdoor heelde de pijn en mijn ziel.

Onrecht

De zaken die vaak recht voor je neus gebeuren zie je niet. Je herkent ze niet. Blind voor je eigen gewoonten of gedrag. Ik vraag me bijvoorbeeld regelmatig af waarom ik het werk doe dat ik doe. Het antwoord is terug te vinden in mijn jeugd. Ik keek eens naar The Oprah Winfrey Show en daar was een gast die vertelde dat je aan het speelgedrag van kinderen kan afleiden welk beroep ze later gaan doen. Dat vond ik echt fascinerend en ben gelijk op onderzoek gegaan. Waar speelde ik mee en met wie?

Wat bleek. Ik speelde altijd met kinderen die niet populair waren. Mijn beste vriendinnetje op de kleuterschool en in de eerste klassen van de basisschool heette Nadia. Ze had een exotische achternaam en dat was in die tijd in het kleine plaatsje waar ik vandaan kwam heel bijzonder. De moeder van Nadia was de eerste vrouw die trouwde met een buitenlandse man, een Marokkaanse man. Dat was om verschillende redenen bijzonder. Eerst omdat hij niet wit was. Ook hing hij niet hetzelfde geloof aan en dan had hij ook nog eens een vreemd accent. Ik weet niet meer hoe het kwam dat Nadia en ik vriendinnen waren, maar ik vond haar heel leuk. Ze had donker krullend haar, wat mooi afstak tegen het blonde sluike lange haar van mezelf en ze droeg een bril. Daar scoorde je in die tijd ook geen punten mee in de populariteitswedstrijd. De moeder van Nadia was altijd heel zacht en vriendelijk tegen me en haar vader vond ik apart. Zo een man kende ik nog niet. Mijn ouders waren altijd heel ruimdenkend (oude hippies). Voor hun maakte het niet uit met wie ik omging. Nadia werd al snel, toen we naar de basisschool gingen, gepest. Daar kon ik echt niet tegen. Ik werd woedend en witheet. Elke jongen die naar tegen haar deed wilde ik in elkaar schoppen. En elk meisje die dat deed trok ik aan haar haren. Dat maakte uiteindelijk dat ik zelf ook niet echt populair was op school, maar dat interesseerde me helemaal niets.

Nadia bleef zitten en ik was de eerste van ons twee die naar de middelbare school vertrok. Ook daar trok ik op met klasgenoten die anders waren. Nou ja, anders. Dat vind ik zo akelig om te zeggen. Zij waren hun zelf en liepen niet met de stroom en de kudde mee. Dat heb ik altijd bewonderd en zelf koos ik ook liever een blubberig hobbelig zijpad dan het rechte geplaveide pad. Ook tijdens die periode kon ik niet tegen onrecht. Van niemand. Dat werd dus vaak verward met het idee dat ik een probleem met autoriteit heb. Dat is niet zo. Ik heb een probleem met autoritair gedrag dat vanwege een positie misbruikt wordt. Dus leraren die dachten controle uit te oefenen en gezag eisten vanwege hun positie kwamen bedrogen uit. Jongens in mijn klas die dachten dat ze meer macht hadden omdat ze groter waren en dus hun wil aan mij konden opleggen, stonden raar te kijken als ze met een vuist tegen de muur aan werden gesmeten. Begrijp me niet verkeerd. Ik houd niet van geweld, maar nog minder van onrecht.

Dat een vriend van mij, zo donker als pure chocolade met een Nederlands paspoort, gefouilleerd wordt bij het Casino en ik met mijn romig witte teint niet, zorgt er bij mij voor dat ik nooit meer een voet binnen die zaak zet.

Terugkijkend op mijn jeugd zie ik een stevig patroon van bestrijding van onrecht. Is het dan verwonderlijk dat ik uiteindelijk, tegen alle verwachtingen in, rechten ben gaan studeren? Nou, nee dus. Nu werk ik nu voor een gemeente waar de rechtse politiek hoogtij viert en waar heel veel zaken tegen mijn principes van rechtvaardigheid en gelijkheid gebeuren. De vraag waarom ik doe wat ik doe is minder relevant geworden. Nu vraag ik me meer af waarom werk ik waar ik werk?

Zoektocht

Wanhopig op zoek naar het woord, de zin,
het verhaal, de titel,
zoals een blanco canvas gevuld wordt met
de compositie, de kleuren, de diepte, de idee

laag voor laag
structuur over structuur.

Mooie zinnen vloeien voort
als druipend nectar uit een bloem,
soms moeiteloos, soms onder dwang

maar wat is mooi,
wat is schoon, wat is kunst?

Woorden lukraak achter elkaar plaatsen maakt nog
geen zin, zinnen die op elkaar voortborduren
maken nog geen verhaal, gedicht, lied.

Mooie woorden vind ik overal, op straat,
op een muur, in een folder, op zolder.

Woorden als contemplatie, extase, klavecimbel, inquisitie, parasiteren,
niet altijd bruikbaar, doch wel schoon,
die klank, die samenstelling,
als een symfonie die je voert naar andere
werelden, verre oorden.

Dat is het doel, dat is de wens,
tot die tijd blijf ik zoeken.

Spelletjes

In mijn kindertijd vond ik spelletjes doen niet leuk. Ik weet niet wat het omslagpunt was, want ik kan me niet voorstellen dat ik als peuter het niet leuk vond om een spel te spelen. Misschien deden we dat thuis nooit. Mijn geheugen laat me in de steek. Het enige wat ik me nog wel herinner is dat ik op een gegeven moment spelletjes verschrikkelijk vond. Dat kwam uiteindelijk vooral doordat ik niet tegen mijn verlies kan. Nog steeds niet trouwens. Ik moet gewoon winnen. Lukt dat niet dan komt er een waas voor mijn ogen en wil ik het liefste het spel tegen de muur smijten met de winnaar er achter aan. Het is niet persoonlijk bedoeld, want ik wil van iedereen winnen. Ik haat alle spellen met een bal, want ik mis hand/voet-oog coördinatie. Dus de bal belandt altijd op het dak van de uitbouw of in een boom. Hetzelfde geldt voor tennis, vooral de campingvariant. Ik sla te hard en ongecontroleerd en als ik de bal verkeerd terug krijg ligt het uiteraard aan mijn tegenspeler. Met mijn man een spel doen is een ramp. Hij heeft op hoog niveau gedamd, dus dat is een ramp. Bij elke zet die ik doe ontvang ik commentaar zoals: “zou je dat wel doen?” En, “helaas verloren”. Dan heb ik nog maar 1 zet gedaan. Echt vreselijk vind ik dat. Om ons huwelijk goed te houden hebben we besloten niet langer te dammen met elkaar. Veel beter zo, maar dan houden we nog wel andere spelletjes over zoals pesten, yahtzee, mens-erger-je-niet (hoe toepasselijk) en rummikub. Ik bewonder de rust en vastberadenheid van mijn man om toch telkens weer een spelletje met me te spelen. Als ik win is er geen probleem, maar als ik tijdens mens-erger-je-niet- met nul pionnen op het bord sta en al tachtigduizend keer 1 heb gegooid in plaats van zes en manlief met al zijn soldaatjes binnen staat, ontplof ik intern en -vaak ook- extern. Ik zou dan het liefst het bord met pionnen en al ergens in zijn lichaam stoppen waar het licht niet schijnt.

De woede is niet tegen hem persoonlijk gericht, want op zo een moment haat ik gewoon iedereen de van me wint. Er zijn twee uitzonderingen. Dat zijn twee (eigenlijk) drie mensen van wie ik met liefde en veel plezier verlies. Uiteraard verlies ik graag van mijn kinderen. De jongste (3 jaar) is momenteel verzot op kwartetten. Ze is er bijzonder goed in en ook al doe ik mijn best, ik laat haar echt niet winnen, lukt het haar telkens mij te verslaan. De intensiteit in haar blik en het uithangende puntje van haar tong verraden een vorm van fanatisme die herkenbaar is. Ik ben benieuwd hoe dit zich gaat ontwikkelen. Ook de oudste is al redelijk fanatiek. Zij stort zich al ter aard als ze verliest. Ik begrijp haar frustraties, maar moet er toch ook een beetje om lachen.

Degene die engelengeduld had en uren achter elkaar met mij een spelletje wilde spelen was mijn tante Riek. Daar zaten we dan, samen aan de keukentafel voor het raam, yahtzee op tafel en een glaasje limonade. Na een paar velletjes vol te hebben gespeeld stuurde ze me naar de frietboer om frikadellen. Dat zijn prachtige herinneringen. Van haar verliezen was ook geen ramp. Nu ik erover nadenk, kan ik me ook niet herinneren dat dit vaak voorkwam.