Weg

Het gebeurt heel regelmatig dat ik weg ben. Ik ben er dan wel, maar ook weer niet. De verbinding met mezelf is er dan niet. Dat kan overal plaatsvinden. Tijdens het autorijden bijvoorbeeld. Dan rijd ik, ik ben me daar van bewust, maar ook voel ik me wegvliegen en ben me van dat wegvliegen dan ook weer bewust. Hele vreemde gewaarwording en lastig uit te leggen.
Of ik zit aan tafel tijdens het eten en luister naar de kinderen en eet mijn eten, maar op hetzelfde moment voel ik me niet helemaal in mijn lichaam zitten. Alsof ik er iets boven zweef of zo en alles van een afstandje gade sla.

Het is anders dan afdwalen of dromen. Dat doe ik ook. Ik merk dat ik tijdens een gesprek opeens een stuk mis. Ik ben dan met mijn gedachten ergens anders. Of tijdens het rijden naar mijn werk -wat inhoudt elke dag dezelfde route heen en terug- en dan opeens constateren dat ik al bij de afslag ben. Dan word ik wakker geschud door een onzichtbare hand die me vertelt dat ik af moet slaan. Soms is die hand te laat en mis ik een afslag of neem ik de verkeerde rotonde.
Ook luister ik niet altijd en merk dan dat ik in mijn hoofd bezig ben met een andere klus of zo iets basaal als, wat zal ik vanavond eten? Ik ben dan gewoon niet verbonden met het moment en dan mis ik dus wel eens wat.

Toch is dat anders met het “weg” zijn. Daar ben ik me dus heel bewust van. Ik voel me wegglijden alsof ik verdoofd ben, maar niet onder narcose. Op zo een moment voel ik ook niets. Het is heel stil. De enige gedachte die opkomt is ‘daar ga ik weer’. Daarbij horen geen fysieke toestanden. Ik ga niet zweten of braken. Mijn hart gaat niet sneller kloppen. Het is ook niet naar, maar wel raar. Het is alsof de tijd even alles laat stilstaan. Alles stopt gewoon voor een moment. Die momenten duren soms heel kort, een paar seconden, en soms langer, maar nooit langer dan een kwartier. Het lijkt nog het meest op zweven, al weet ik niet echt hoe dat is omdat ik dat nog nooit heb ervaren. De verbinding met de dagelijkse praktijk wordt even losgelaten. Die dagelijkse praktijk vergt af en toe veel van me. Momenteel heb ik het heel druk op mijn werk. Zo druk dat ik voortdurend het overzicht kwijt raak en voor mijn gevoel telkens wakker schrik met de gedachte ‘oooohhhh, als ik maar niet vergeet dat of nog even navragen zus’. Thuis draait de boel ook door en de zorgen doen gewoon mee. Zorgen om de kinderen, om het nieuws dat ik van de week kreeg en waar nog geen uitsluitsel over is gekomen of het nu slecht of goed nieuws is, vriendinnen in verdrietige en nare situaties, manlief die ’s avonds moet werken terwijl ik met hem series op de bank wil kijken en zorgen over allerlei narigheden in de wereld. Conclusie: het koppie werkt momenteel overuren. Misschien is het dan wel niet zo gek om af en toe te vertrekken. Misschien is het een zelf ingebouwd mechanisme om me te beschermen tegen een overvloed aan prikkels. Misschien is het een ontsnapping zodat ik daarna alles weer aan kan. Ik weet het niet. Inmiddels ben ik er wel achter dat ik niet op elke vraag een antwoord hoef of krijg. Eén ding weet ik in ieder geval zeker, ik kom altijd terug.

Verhaal

Mijn vader hangt in onze gang. Niet letterlijk, want dat zou vreemd zijn. Zeker nu hij al 25 jaar dood is. Zijn afbeelding hangt netjes ingelijst in de hal. We wonen in een herenhuis van zo rond 1870 en we zijn gezegend met een ruime hal. Dat was in de tijd dat de kinderen nog vervoerd moesten worden ideaal, want de hal is zodanig groot dat er met gemak twee kinderwagens in passen.

Toen ik op een ochtend door de straat liep met de hond zag ik opeens een bord op dit huis hangen met de magische woorden “te koop”. Ik wist gelijk dat wij dit huis zouden gaan kopen. Ook al gaf de makelaar aan dat het huis al zo goed als verkocht was. Tijdens de eerste bezichtiging viel ik als een blok voor het huis. Dat kwam mede door de ruime hal. Mijn oom en mijn lief vergezelden me bij de bezichtiging. We hadden een tactiek afgesproken. We zouden te allen tijde cool blijven, emotieloos en vooral geen bod uitbrengen. Mijn oom drukte dat een paar maal op onze harten. Gewoon het huis een beetje afkraken en niet laten merken dat je liefde voelt. Dus een opmerkinkje over een scheurtje hier, een los zittend draadje daar en een gaatje zus en een oude cv-installatie zo. Ook over de tuin moesten we ons negatief uitlaten. Terwijl mijn oom en lief buiten stonden, liep ik naar binnen, sprak de makelaar aan en zei de historische woorden ‘ik wil graag een bod doen’.

Ik wist het gewoon. Dit huis was voor ons en alleen voor ons. Na veel heen en weer gebel en een moeizame onderhandeling zaten we een paar maanden later bij de notaris om het huis op onze naam te laten zetten.

De eerste keer dat de sleutel in het gat werd gestopt en de deur open ging vergeet ik nooit meer. De hal begroette ons. Wij waren welkom. De hal werd gewillig omgetoverd tot mini museum. Modigliani hangt aan de muur, net zoals Mona Lisa, het melkmeisje en een mooie collage van Gustav Klimt. Ook hangen er foto’s van de kinderen, van verre reizen die mijn lief en ik, nog kinderloos, hadden gemaakt. Een Picasso mag niet ontbreken en een speciaal schilderij voor Teun met daarin een afdruk van zijn voetjes. Ook is er ruimte voor oma Muk, mijn zus en mijn vader. Die foto van mijn vader hangt er al heel lang en vandaag zag Rika de foto pas echt en vroeg: wie is die meneer?

Het antwoord op die vraag zorgt ervoor dat bepaalde vast staande gegevens op los zand komen te staan voor mijn dochter. Het zorgt ervoor dat het verhaal over wie opa is toch anders is dan ze had gedacht. Het zorgt ervoor dat mijn kleine meisje weer een stukje groter wordt. Het zorgt ervoor dat het leven ingewikkelder blijkt te zijn dan het is. Ze is er aan toe om het te weten en ik ben er aan toe om het delen, maar wanneer dat precies gebeurt weet ik nog niet. Maar dat ik vandaag een willekeurig verhaal over Jip en Janneke heb voorgelezen waarin een vriendje voorkomt met de naam die Frans, geeft mij het gevoel dat ik zelf het moment niet hoef uit te kiezen. Dat gaat pappa Frans vast voor me regelen.

Chihuahua

Ik stond vandaag op het schoolplein. Het was net droog, de zon kwam een beetje tevoorschijn en ik was in gesprek met een andere ouder. In mijn ooghoek zie ik een moeder aanlopen met iets in haar armen. Ik kon niet goed zien wat het was. Als wij thuis iets moeten duiden waarvan we de naam niet weten dan noemen we het vaak een “friemel ding” of een “fliedelfloempie”. Dit ding bewoog en toen ik goed keek zag ik dat het ogen had. Het leek een beetje op E.T. Het schattige buitenaardse wezentje dat iedereen een traan weet los te maken door met zijn vinger naar de lucht te wijzen en te zeggen ‘Phone home’. Ahhhh, zwijmel, zwijmel.

Dit mormeltje had ogen die bijna uit zijn hoofd leken te ploppen. Een beetje obstipatie vormt ene groot risico voor zo een beestje. Voor dat je het weet perst hij even te hard en floep daar gaat een oog. Na nog eens goed te kijken zag ik dat het een chihuahua was. Wikipedia vertelt me dat het één van de kleinste honden van de wereld zijn en dat het ras in 1850 in Mexico is ontdekt. Volgens de basisinformatie van Wikipedia is een andere naam voor dit ras Taco Bell Dog.

Nu krijg ik bij Taco Beel een ander beeld in mijn hoofd dan een chihuahua. Maar datzelfde geldt voor het woord hond. Bij een hond denk ik aan een dier dat in ieder geval groter is dan de gemiddelde rat of cavia met overgewicht. Het enige leuke dat ik heb kunnen ontdekken aan een chihuahua is de naam, en dan vooral de herhaling van de letters hua.

De moeder op het schoolplein hield het beest dicht tegen zich aan. Waarschijnlijk kan hij niet lopen. Niet omdat hij geen pootjes heeft, maar omdat hij zo stevig was aangekleed dat hij gewoonweg niet meer kon bewegen. Hij had een jas aan, capuchon op en een broekje was over zijn niet bestaande billetjes getrokken. Op het moment dat ik dat allemaal zag, gingen in mijn hoofd de registers open. Gedachten en grapjes stapelden zich op. Ik kan mensen die een chihuahua hebben en die vervolgens zo stevig aankleden niet serieus nemen. Nooit meer. In mijn ogen hebben deze mensen alle realiteitszin in het leven verloren. vanuit die kant verwacht ik dan ook geen antwoord op de toenemende vluchtelingenproblematiek, of een oplossing over het broeikas effect, laat staan dat er een aandeel wordt geleverd om de economische malaise te lijf te gaan, gierige bankiers die aangepakt moeten worden, dubieuze politici die aangesproken moeten worden of armoede dat bestreden moet worden. Misschien ben ik cynisch, misschien zie ik het verkeerd, misschien heb ik te veel vooroordelen, maar het beeld van dat hondje in dat jasje met zijn uitpuilende ogen vertellen mij genoeg. Vooral toen de moeder naar haar kind riep ‘schiet nou is effe keihard op want snoezie mot nog schijten en anders kakt tie straks weer in de auto. Dan ken jij die pleurus zooi lekker opruimen’.

Teun

Vandaag is een bijzondere dag. Het is negen jaar geleden dat ik ben bevallen van een zoon. Dat had uiteraard een heuglijke gebeurtenis moeten zijn, maar wat begon als een wens is geëindigd in een zwart drama.

De zwangerschap ontstond bij mij niet met een zucht zoals je wel eens hoort van mensen. ‘Ik hoefde maar naar mijn vrouw te kijken of ze was al zwanger.’ Dit soort sterke praat en alle verhalen over snelle zwemmers en dergelijke waren op ons niet van toepassing. Daartegenover gezet was het ook weer niet dramatisch. Geen ivf of andere nare hormoonbehandelingen of wanhopige onderzoeken om uit te vinden waarom zwanger worden niet lukte. Toen ik opeens, na zo een dertig testen te hebben gedaan wat me een godsvermogen heeft gekost en diepe teleurstellingen heeft teweeggebracht, toch zwanger was, was ik echt in de wolken. In eerste instantie kon ik het niet geloven en heb ik nog een paar testen gedaan. Het was echt waar. Manlief was ook in zijn nopjes. Nu was het zo ver. Tijd om volwassen te worden. We waren er aan toe.

De controles bij de verloskundige verliepen zonder problemen tot de 20 weken echo. Sommige mensen noemen dit een pretecho, maar die naam verfoei ik. Het was dinsdagochtend vroeg en we reden naar Steenbergen. We waren allebei gespannen, want vandaag zouden we te horen krijgen wat het geslacht van de baby zou zijn. Voor mij stond vast dat dit een jongen zou zijn, maar toch. Eerst bewijs zien. De verloskundige nam haar tijd om het een en ander uit te leggen en vroeg of ik op tafel wilde gaan liggen. Ze vroeg of ik de baby al had gevoeld. Dat was niet zo, dacht ik, maar ik wist ook niet wat ik zou moeten voelen. De gel op mijn buik was koud en ik rilde, gedeeltelijk van de kou, maar zeker ook van de spanning. Manlief stond achter de verloskundige en keek mee op het scherm. Ze kon in eerste instantie de baby niet goed zien en toen ging ze van alles meten. Al snel betrok haar gezicht en werd ze steeds stiller. Na een paar minuten vertelde ze me dat ze iets had gezien dat niet goed was. Uit de afmeting van het hoofd en de vorm van de hersenen zag ze dat het kindje een open ruggetje had. Dit te samen met een waterhoofd maakte dat het kind zwaar gehandicapt zou zijn.

Mijn hart stopte een tel. Ongeloof overheerste.’ Het kan niet waar zijn. Ze heeft het verkeerd gezien.’ Allemaal gedachten storten zich over elkaar. We moesten gelijk door naar het ziekenhuis en daar werd door de gynaecoloog bevestigd wat we vreesden. Hij legde uit dat de overlevingskansen van dit kind zeer gering zouden zijn en als hij, want het was inderdaad een zoon, de geboorte zou overleven dan zou hij meervoudig (zowel lichamelijk als verstandelijk) zwaar gehandicapt worden. In een fractie van een seconde heb ik mijn besluit genomen. Het kind moest er uit, zo snel mogelijk. Ik was nog nooit zo helder geweest als op dat moment.

De dag erna gingen we naar Breda voor verder onderzoek. Ook die arts bracht geen beter nieuws. Na een rustdag hadden we weer een afspraak in het ziekenhuis met dezelfde gynaecoloog. Hij vertelde wat er zou gaan gebeuren en samen hebben we besloten dat zaterdag de dag zou zijn dat onze zoon geboren zou worden en zou sterven.

Het was een lange en zware dag in het ziekenhuis. Na medicatie in gekregen te hebben kwamen na heel wat uren eindelijk de weeën op gang. Voor middernacht werd Teun geboren. Zijn levenloze lichaam heb ik aangeraakt, maar ik was zwaar in shock. Hij was heel klein, maar er zat wel alles op en aan. We hebben hem de stoere naam, Teun, gegeven en zullen hem altijd in ons hart dragen. Vooral op 2 februari.

Nieuws

Vandaag kreeg ik slecht nieuws. Nou ja, eigenlijk nieuws dat zich kan ontwikkelen in slecht en dramatisch nieuws. Op dit moment is de status van het nieuws nog niet bekend. Wordt het slecht of valt het toch mee? En, als het slecht is hoe slecht is het dan?

De brenger van het nieuws is een persoon die dicht bij me staat. Ik merk aan mezelf dat ik niets voel. Ik voel geen angst, boosheid of verdriet. Niets. Doet dit nieuws me dan niets? Jazeker doet het me wel iets. Het raakt me echt wel, maar ik voel het niet. Is het de persoon die voor me zit? Misschien wel. Onze relatie gaat niet zo diep dat wij gevoelens delen. Nooit gedaan en dan vind ik het nu moeilijk om de zorgen weg te nemen, om sussende woorden te spreken of om mededogen te tonen. Ik bied geen arm, geen kus, geen omhelzing. We zitten met elkaar aan de keukentafel en er komen standaard woorden uit mijn mond zoals: ‘tja, dat is dan maar even afwachten.’

In mijn leven heb ik al vaker slecht nieuws gehad. Als het nieuws daadwerkelijk slecht is dan sluit ik de poorten, ben ik daadkrachtig en uit ik mezelf bij diegene waar ik me veilig bij voel. Maar nu word ik geconfronteerd met iets dat misschien wel nooit gaat gebeuren en voel ik niets. Ik weet ook niet wat ik moet zeggen en aan dit papier kan ik ook geen woorden meer toevertrouwen. Ik weet het niet. Ik wacht maar af tot ik weet met wat voor nieuws ik te maken heb.

Periode

Momenteel bevind ik me in mijn dikke periode. Eigenlijk heb ik helemaal geen zin om hier over te schrijven, maar misschien helpt het me om er weer snel uit te komen. Sinds een jaartje of vier, na het baren van drie kinderen, blijf ik last hebben van overgewicht. Niet dramatisch veel, maar genoeg om af en toe de spiegel uit het raam te willen flikkeren. De teller op de weegschaal heeft niet zo veel te maken met mijn dikke of dunne perioden. Het gaat om het gevoel en nu voel ik me een vet gemest nijlpaard in een skinny jeans.

Het grappige is dat ik vorige week dezelfde hoeveelheid kilo’s meedroeg en dat het toen geen probleem was. Er is dus meer aan de hand. Dikke perioden kenmerken zich als volgt. Ik ga opeens veel kopen. Check: vandaag naar boekenbeurs geweest en 11 boeken gescoord. Tel die op bij de drie van vorige week plus die ene bij Bol.com en de twee van gisteren. Conclusie: ik heb last van boeken-koop-obesitas. Volgende symptoom: moe en futloos. Check: ik kan niet uit mijn bed komen. Ook al slaap ik gemiddeld zeven uur per nacht, soms meer, het voelt in de ochtend als Cato hieperdepieper naast mijn bed staat alsof ik net vijf minuten mijn ogen dicht heb gehad. En dan is er nog die dikke keel die de belofte van een verkoudheid in zich heeft, die ongesteldheid die natuurlijk zich er ook mee wil bemoeien en mijn labiele gemoed. Check, check, check.

In een dikke periode voel ik me zielig en eet ik veel te veel chocolade en chips. Mijn lichaam geeft de strijd op en mijn geest heeft geen zin meer om aan dit dode paard te trekken. Mijn doel om voor mijn veertigste minimaal 5 kilo af te vakken smelt als sneeuw voor de zon. Er is wel één lichtpuntje waardoor deze dikke periode anders is dan de afgelopen honderd. Ik schrijf. Ook nu weer deze blog. Elke dag heb ik het nog volgehouden en dat voelt knetter goed. Het opschrijven van al deze meelijwekkende toestanden beuren me ook op, omdat ik gewoon keihard om mezelf moet lachen. Wat een gezeur. Vandaag wentel ik me nog even in deze deken van mededogen. Ik pak straks een nieuw boek, ga op vakantie in mijn boek, neem er een kop thee bij en misschien sta ik morgen op met mijn dunne ik.

Midden

Tegen alle verwachtingen in haalde ik mijn Havo diploma. Ik begon veelbelovend na de basisschool in de combinatieklas Havo-Vwo, haalde zelfs een negen voor Frans in de tweede klas en voor de rest allemaal goede cijfers. Ik was geen hoogvlieger, maar behoorde zeker niet tot de kansloze leerlingen in mijn klas. Na de dood van mijn vader veranderde alles. Ik bleef zitten in de derde en daarna ging het steeds verder bergafwaarts. Eén docente Nederlands zag de potentie in mij en door haar ben ik uiteindelijk geslaagd. Ik ben de opleiding Maatschappelijk werk en dienstverlening gaan volgen. Eigenlijk wilde ik naar de school voor de journalistiek, maar aangezien mijn omgeving meer iets zag in de maatschappelijke kant ben ik die studie gaan volgen. Na een paar maanden wist ik al dat dit niets zou gaan worden. Ik haalde enorme hoge cijfers, die thuis niet van harte welkom werden geheten, want wat had ik dan al die jaren daarvoor gedaan? De gedachte was dat ik niet zo snugger was en dat ik al blij mocht zijn met een toekomst in de lokale bh-fabriek. Een IQ-test vanuit school bevestigde dat beeld. Met moeite Mavo was de uitkomst. Tel daarbij mijn baldadige en recalcitrante gedrag op en voilà een beeld is gevormd.

Op de HBO ging het allemaal anders. Ik had vakken als psychologie, sociologie, politicologie, antropologie en recht. Er ging een wereld voor me open. Ik zoog alles naar binnen en braakte tijdens tentamens alles uit op papier. Ik wilde leren, ontdekken, meer en meer. Tijdens het vak recht wilde ik altijd meer weten dan, volgens de docente, nodig was voor het tentamen. ‘Ja maar juf, als je het nu zo en zo bekijkt, zit het dan niet zo?’ De onderste steen moest boven. Op een dag riep de docente me na de klas bij zich. Ze zei ‘weet je wat jij moet doen? Je moet rechten gaan studeren.’ Dat ga ik dus echt niet doen vertelde ik haar. Dat kan ik helemaal niet en dat vinden mijn ouders ook niet goed. Ze bleef aandringen en gaf me studiefolders mee.

In mijn bed fantaseerde ik over het studeren aan de universiteit. Niemand van mijn familie heeft gestudeerd. Sommigen hebben wel een vervolgopleiding gedaan, zoals de LTS, maar niemand had ooit een universiteit van binnen gezien. Ik durfde het niet te vragen aan mijn ouders. Na het bestuderen van de studiefolders en het piekeren en nachten wakker liggen besloot ik toch de stap te wagen. Ik gaf mijn cijferlijst en vertelde dat ik niet verder met deze opleiding wilde. Ik vond alle theoretische vakken geweldig, maar zodra het ging over taakgerichte dienstverlening haakte ik af. Ik had helemaal geen zin in de problemen van anderen, laat staan ze dan ook nog eens samen te moeten oplossen. Ik wilde meer.

De reactie van mijn ouders was niet positief. De twijfel aan mijn capaciteiten werden breed uitgemeten, maar mijn besluit stond vast. Ik zou rechten gaan studeren. Dit zou ik in Rotterdam gaan doen. Daar zou ik op kamers gaan wonen en mijn studie binnen vier jaar gaan afronden. Dat was mijn beeld. Ik had nog nooit zo helder mijn toekomst gezien. Ik schreef me in en toog naar Rotterdam. De kennismaking met de universiteit vergeet ik nooit meer. De collegezaal was immens. Het complex was een doolhof. Hoe ga ik hier ooit mijn weg vinden? Hoe ga ik hier mensen leren kennen? Hoe ga ik dit voor elkaar krijgen? De rector magnificus sprak ons toe. Daar zat ik in die enorme zaal, met al die medestudenten. Het waren er wel 500, in ieder geval in mijn herinnering waren het er zo veel. Ik zat ergens in het midden tussen de studenten. De rector zei: ‘Kijkt u maar naar links en kijkt u maar naar rechts. Deze mensen ziet u over vier jaar niet meer terug.’ En ik dacht: gelukkig ik zit in het midden.

Vertrokken

Zittend in je stoel
aandacht bij jezelf
je blik in je ogen
is verlangend vertrokken.

Weg uit deze ruimte
weg uit jouw lichaam
weg uit het gevoel
weg.

Je ogen kijken me aan
zeggen niets
of toch wel iets.
Ze staren
Ze zijn bruin
Ze zijn er gewoon,
ik hoor het niet.

Ik voel niets
of toch wel iets,
afstand en ontkenning.
Maar zijn dat wel gevoelens?

Je armen kruisen zich,
gewapend.
ik kijk ernaar
vanuit een plicht leg je ze naast je neer
en ik voel niets
of toch wel iets,
boosheid, verdriet en mededogen.

Dat zijn zeker gevoelens,
waar en waarachtig
Ik voel
voor jou
en jij,
jij bent
weer vertrokken.

Gedichtendag

Met gedichtendag start de week van de poëzie. Uitgeblust zit ik achter de pc en zou graag iets groots en verhevens produceren. Een gedicht dat de eeuwigheid trotseert en mij overleeft. Een gedicht waarin gevoelens tot een maximum worden uitgewrongen of een lofzang geeft over de liefde.

Maar de puf is er gewoon na een slopende dag op het werk uit. Woorden schieten te kort en de televisie en pure chocolade lokken me naar zich toe. Het vlees is zwak, het hoofd is moe en dan opeens gaat de deurbel.

Helemaal verbaasd doe ik de deur open en kijk in de bruine kijkers van de PostNl bezorger. Hij overhandigd me een pakket en mijn hart begint wat sneller te slaan. Gisteren had ik bedacht dat ik de gedichtenbundel van Joost Zwagerman wilde hebben en met een paar klikken had ik deze dan ook besteld. Ik voel aan het pak. Ja dat moet de bundel zijn. Voorzichtig maak ik het pak open en de bundel glijdt uit de doos en belandt in mijn handen. Mijn eerste indruk: mooi vormgegeven, goede titel en de gedachte wat een groot literair verlies Zwagerman betekent voor ons allen.

Ik sla de bundel open en zie een soort voorwoord staan. Joost Zwagerman heeft deze gedichten als in een koortsachtige roes geschreven. Dat ontroert me. Met een klap krijg ik het besef in mijn gezicht geworpen dat ik nooit te moe ben voor het lezen van een gedicht. A poem a day keeps the doctor away.

Onveranderd

Vandaag kwam de huidige liefde van Rika spelen. Hij is een stuk ouder, namelijk 6 en zij wordt pas over 7 maanden 6 jaar. Maar zij weten het zeker, leeftijd speelt geen rol, ze blijven voor altijd samen. Manlief en ik hadden bedacht om de twee tortelduifjes te verrassen en namen ze met in het kielzog de jongste telg mee naar een indoor speelparadijs.

In mijn jongere jaren had ik verschillende versies van de hel in mijn hoofd geschetst en een indoor speelparadijs met hysterisch rondrennende kinderen en dito muziek komt heel dicht bij een van deze scenario’s. Nu ben ik ouder, iets rustiger en kan ik het allemaal wat beter aan. De rondrennende snotjong die voortdurend tegen je aan knallen, de plastic ballen die om je oren vliegen en het gegil. Het blijft op het randje, maar gedurende een bepaalde periode -in praktijk blijkt dat precies twee en een half uur te zijn- red ik het.

Uiteraard is het volkomen mesjokke om op woensdag middag te gaan, maar gelukkig was manlief erbij en die smult van dit soort speelparadijzen. puur en alleen om het feit dat hij zelf ongegeneerd in touwen kan klimmen om zogenaamd een kind “te redden”. Hij is het grootste kind dat zichzelf als eerste aanbiedt om samen van de glijbaan te gaan. Hij vindt het gewoon heel heel heel erg leuk.

Ik had mijn boek meegenomen om op die manier mezelf af te sluiten en om de kinderen daarmee ook een plezier te doen, want anders waren we na een kwartier alweer vertrokken. Voor mij zag ik een vrouw die voorovergebogen aan een tafel zat en, zoals ik het van een afstand kon beoordelen, iets aan het nakijken was. Vast een juf. Lekker op je vrije middag huiswerk nakijken in een hysterisch speelparadijs. Wie wil dat niet? Ik keek nog eens goed. Ze draaide haar hoofd een kwartslag en zag haar profiel. Dit was onmiskenbaar een oud klasgenoot van de middelbare school en vriendin. Wij logeerden bij elkaar, kwamen op elkaars verjaardag en deelden lief en leed.

Ik was gelijk nieuwsgierig naar hoe het haar de afgelopen jaren vergaan was en stapte er op af. Na vijf seconden herkende ze me en begonnen we een gesprek. Ze vertelde over haar werk, inderdaad schooljuf, haar gezin, man en kind, waar ze woont, nog steeds in Bergen op Zoom, haar familie enzovoort en zo verder. Ik deed mijn verhaal. Ik merkte gelijk dat, ook al zit er twintig jaar tussen ons laatste contact, wij allebei niets veranderd zijn. Maniertjes, hoe iemand beweegt, kijkt, lacht, blijven hetzelfde. We zijn allebei wat uitgedijd en wat rimpeliger geworden, maar in basis zijn we gewoon hetzelfde gebleven. En wij allemaal maar denken dat alles maakbaar en veranderbaar is. Dit gesprek fleurde de boel op en zo waren er opeens vijftien minuten voorbijgevlogen. Nog 2 uur en een kwartier te gaan.