Anna (10)

De politievrouw die tegenover me stond vroeg of ze binnen mocht komen. Ze wilde met me praten. Ik schuifelde naar achteren en liet haar binnen. Onhandig stonden we tegenover elkaar in het kleine halletje. ‘Zullen we even gaan zitten? Dat praat wat makkelijker.’ Ik wist niet wat ik moest doen. Ze was nu al binnen en ik kon geen kant op. Alles in mijn lichaam verzette zich. Ik wilde niet praten. Het liefste zette ik het nu op een rennen. Weg van hier. Wat kwam deze vrouw in uniform met haar korte blonde haren en helder blauwe ogen doen? Waarover moesten we praten? Ik had geen idee.

‘Hoe gaat het met je?’ vroeg ze. ‘We zijn nog steeds bezig met het onderzoek naar het ongeluk. Kun je me al meer vertellen? Herinner je nog dat we elkaar in het ziekenhuis hadden gesproken?’ Ze keek me aan en haar stem voerde me terug naar die witte kamer en dat koude bed. Ik was binnen gebracht en de volgende dag, nadat ik volledig bij bewustzijn was en het nieuws over de baby had gekregen, kwam een vrouw bij me op bezoek. Eerst dacht ik dat het weer een dokter was, maar aan haar uniform te zien was ze van de brandweer of de politie. Dat wist ik zo snel niet. Ze stelde zich voor als brigadier Maurits. Ik weet nog dat ik toen dacht: ‘Maurits is wel een vreemde naam voor een vrouw,’ maar dat bleek haar achternaam te zijn. Ze pakte een stoel en ging naast me zitten. Ze stelde toen ook al veel vragen. Over hoe het met me ging, of ik wist wat er was gebeurd en dat ze onderzocht wie me had aangereden. Kon ik me misschien iets herinneren, iets over de dader? Wat dan ook. Alles zou kunnen helpen. Ik vertelde haar niets. Staarde naar buiten en hield mijn kaken op elkaar. Natuurlijk wist ik wie het had gedaan. Ik had hem geroken en gevoeld. Het kon niemand anders zijn dan diegene die ik lang lief had gehad. Diegene waarvan ik dacht dat hij ook van mij hield en alleen van mij. Dat bleek niet zo te zijn. Ik had ze samen gezien op kantoor. Hij zat aan haar haar, streek de wilde krullen glad, liet zijn vinger langs haar hals glijden en maakte haar blouse los. Meer had ik niet gezien. Met mijn hand voor mijn mond rende ik naar de wc en gaf drie maal over. Ik zakte neer op de wc vloer en huilde. Alles deed pijn, maar de shock was nog groter. Ik kon niet geloven wat ik zag. Mijn ogen hadden me verraden. Hij had niet alleen een ander lief, maar die ander was zijn eigen bloed. Ik wist niet veel van liefde, maar het lief hebben van je eigen bloed was walgelijk, misdadig, duivels. Deze man, die lang mijn kompaan was, aan wie ik mijn ziel had gegeven en die mij vuurwerk had bezorgd, neukte zijn dochter. Roos had er bang uitgezien, dus ik vermoedde dat het niet vrijwillig was. Het duizelde en ik rende weg.

‘Kun je me dan niets vertellen?’ vroeg brigadier Maurits. Ze was gaan zitten in mijn leesstoel en ik stond nog steeds met mijn rug tegen de muur. Zo voelde het ook. ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik wil niet praten. Ik weet niets,’ stamelde ik onhandig. Eigenlijk wilde ik andere woorden gebruiken. Woorden waaruit zou blijken dat ik niet stom was, maar ze kwamen niet. Ik staarde naar mijn voeten en zag dat ik twee verschillende sokken aan had, een blauwe en een grijze.
‘Vertel me dan wat je nog wel herinnert van die avond. Waar kwam je vandaan? Waar ging je naar toe? Dat soort dingen.’ Ze bleef volhouden. Ze zat op haar gemak in mijn stoel en ik wilde dat ze weg ging. Ga toch weg en laat me met rust. De stem in mijn hoofd werd steeds sterker en voordat ik het wist riep ik naar haar: ‘Ga weg, stom mens. Ik vertel jou niets. Ik vertel het tegen niemand. Niemand weet van de baby. Ook niet dat Arthur de vader is en dat hij zijn dochter neukt en dat hij zei dat hij van mij hield en dat hij weg moet en mij heeft aanreden met die stomme auto van hem. Weg. Allemaal moeten ze weg. Ik weet alles over hem en haar en ik heb tegen hem gezegd dat het moet stoppen. Hij moest bij mij blijven en mij vuurwerk geven. Ik wilde weer kleurtjes zien, maar nu was hij met haar in dat stomme kantoor. Mijn moeder is ook al dood en de baby ook en misschien ga ik nu ook dood. Dood is misschien ook maar beter. Mijn slaappillen zijn al weer op en ik wil gewoon weer slapen. Ga dus nu weg en kom nooit meer terug.’

Brigadier Maurits ging allerminst weg. Ze belde een collega en nog iemand en ging thee voor me zetten. Voorlopig ging ze niet weg zei ze tegen me, maar ik mocht wel in bed gaan liggen. Als ik dan te moe werd dan zou zij me instoppen en kon ik gaan slapen. Ze trok mijn slaapbank uit. Ik ging liggen en dacht aan Roos en aan mijn moeder en aan de baby. Zou Roos nog komen of mijn moeder?

Kurt

In mijn pubertijd leed ik. Jaren lang. Ik had angsten en pijn. Pijn omdat mijn vader dood was neergevallen op de keukenvloer. Pijn omdat het jaar daarvoor mijn lievelingstante dood in haar bed was gevonden. Pijn omdat mijn oma het jaar daarna ook werd opgehaald door de dood. Pijn omdat niemand me begreep, omdat de dood geen plaats kreeg en omdat het allesomvattende en voortdurende tergende verdriet vast ging zitten in mijn lichaam. Uiteindelijk werd ik een onbegrepen puber die haar verdriet en pijn uitte door met een boze blik, zwarte strakke spijkerbroek en leren jas door de straten te zwerven op zoek naar een arm.

Die helse tijd ben ik doorgekomen door het gebruik van een medicijn. Geen drugs, nou ja een klein beetje van het softe spul, wat alcohol en een medicijn dat zonder recept overal te krijgen was. Muziek. Geen liefdesbalads of Franse chansons, keiharde grunge was the drug of my choice. Nirvana was in opkomst en Kurt Cobain was de enige die mij begreep. Die muziek greep me bij mijn strot. De energie maakte iets in me los. Op menig schoolfeest stortte ik mezelf al stuiterend tussen de jongens. Helemaal los ging ik dan. Met mijn lange haren headbangen, met mijn gebalde vuisten stompend afstormen op grote stevige kerels en luidkeels teksten meezingen die ik soms niet verstond laat staan begreep, maar ik voelde het. Ik kon mijn leed te lijf gaan. Jarenlang heb ik op de middelbare school last gehad van spanningen. Die spanningen zorgde voor trillingen. Mijn lijf stond nooit stil, net zoals mijn hoofd. Met Nirvana keihard in mijn gehoor stompte ik de spanning er uit, schopte alles van me af en schreeuwde de longen uit mijn lijf.

Gisteren bekeek ik een documentaire over Kurt Cobain. Het emotioneerde me diep. De man die zo veel voor mij had betekent leed zelf, jarenlang. Boos werd ik op alle mensen die kinderen kapot maken. Ouders die achteloos kinderen krijgen alsof ze een broodje bij de bakker halen en ze wegpleuren als het brood niet aan hun verwachtingen voldoet. Ze weten niet dat ze een mens voor het leven beschadigen. Kurt was een beschadigd genie, ongebrepen, miskend, verwaarloosd, afgedankt, maar voor mij een redding. Jammer dat hij zich zelf niet kon redden, ook niet voor zijn kind.

Anna (9)

Wat moest ik nu doen? Ik was altijd al een teleurstelling voor Roos, maar nu zou ze ook nog een reden hebben om me te minachten. Wat gebeurde er toch allemaal? De brand, het ongeluk, de baby? Het was te veel om te bevatten.

Ik werkte al lang voor Arthur. Hij was bevriend geweest met mijn moeder, kwam vaak bij ons over de vloer en hielp ons gezin op alle mogelijke manieren. Mijn moeder sprak niet veel over hem, alleen dat hij een vriend van de familie was geweest. Nu had ik niet veel familie, mijn vader was al gestorven voor mijn geboorte en ook kwamen er verder niet veel vrienden van mijn moeder over de vloer, dus ik had Arthur altijd gemogen. Hij was een vriendelijke grappige man die altijd boodschappen mee bracht. Ook keek hij mij altijd aan alsof ik bijzonder was. Hij gaf mij aandacht en wilde altijd dicht bij me zijn. Ik kon me nog goed herinneren dat hij soms met ons op vakantie ging. We gingen zelden weg, want mijn moeder had een hekel aan reizen, maar als we gingen dan verbleven we op een afgelegen eiland met een eigen huis en zwembad. Arthur bezocht ons dan regelmatig en soms bleef hij een hele week. Hij zwom dan met me, smeerde me in en stopte me altijd in bed. Later toen ik in de pubertijd kwam, haalde hij me spontaan op en nam een dagje mee. We winkelden; hij kocht jurken voor me en vertelde hoe prachtig ik in zijn ogen was. Niemand had ooit gezegd dat ik prachtig was. Mijn moeder gaf me wel complimenten en verder was ze ook heel lief voor me; ik herinner me een gelukkige jeugd, maar ze vertelde me nooit dat ik prachtig was. Na verloop van tijd kreeg ik, als hij me weer eens meenam, een bepaald gevoel in mijn onderbuik van hem. Hij keek me altijd doordringend aan en kamde mijn haar met zijn vingers achter mijn flaporen. Hij zei dan dat ik zo ontzettend mooi was dat het hem soms pijn deed mij aan te kijken. We liepen dan hand in hand. Veel mensen keken ons dan na. Ik was 15 jaar en hij had vele lentes meer op de jaarteller staan. Het kon mij niets schelen. Ik hield van hem. Mijn moeder vond het goed dat we elkaar vaak zagen en zag niet dat er meer groeide. Arthur vond het niet goed dat ik mijn gevoelens deelde met mijn moeder. Dat was niet nodig zij hij. Het was ons geheim. Op een dag nam hij me mee uit eten naar een mooi restaurant waar ook een hotel bij hoorde. Voordat we gingen eten liet hij de kamer zien die hij had gereserveerd. Hij zei dat we ook in de kamer konden eten en trok me naar zich toe. Ik voelde de spanning in de kamer. Op school had ik wel eens iets gehoord over zoenen en jongens en zelfs een klein beetje over seks, maar ik had geen enkele ervaring. Ik had mijn blauwe jurk aan die ik van hem had gehad en een zwarte panty. Hij ging voor me zitten en trok mijn schoenen uit. Heel langzaam. Ik wilde iets zeggen, maar hij keek me aan met een blik dat ik stil moest zijn. Na mijn schoenen trok hij mijn panty naar beneden. Ik kreeg het warm en voelde van alles branden op plaatsen waar ik normaal nooit iets had gevoeld. Hij gleed met zijn vingers langs mijn benen, steeds verder naar beneden. De panty gooide hij op de grond. Hij stond op en trok nu mijn jurk uit en kuste mijn nek. Hij zei dat ik mijn ogen dicht moest doen en voelen. Dat deed ik. Ik voelde dingen waar ik zelfs geen woorden voor had. Hij kleedde zich ook uit en we gingen op bed liggen. Ik voelde me steeds warmer worden en tussen mijn benen werd het nat. Hij gleed met zijn vingers langs mijn borsten naar beneden en raakte mijn vagina aan. Hij friemelde en stak zijn vinger naar binnen. Ik wist niet eens dat dat kon, maar kon op dat moment niet meer denken. Mijn hoofd tolde, vloedgolven kwamen op en vertrokken weer. Steeds sneller, op het ritme van zijn vinger. Hij stopte en kwam op me liggen. Opeens stak er iets anders in me, dat deed even pijn. Ik raakte bijna in paniek, maar hij kuste me en fluisterde dat het goed was. ‘Ontspan je maar en laat je helemaal gaan’, zei hij. Hij bewoog net zoals zijn vinger op en neer, eerst rustig en daarna sneller. Hij hijgde ook steeds sneller en harder. Ik hoorde mezelf opeens kreunen. Ik wist niet waar het vandaan kwam, maar het gevoel werd steeds heftiger. Het leek alsof er vuurwerk in me ontstoken was. Pijlen schoten in de lucht. De explosies werden steeds groter en groter. Ik slaakte een gil en was even opgestegen uit mijn lichaam en zweefde naar een groot paars licht. Paar was mijn lievelingskleur. Al die tijd had ik mijn ogen gesloten. Ik opende ze toen ik voelde dat ik was neergedaald.

Al die jaren was hij de enige die mij lief had en mij vuurwerk bezorgde. Vaak zag ik paars, maar ook andere kleuren kwamen voorbij. We spraken er met niemand over. Het was dan ook overduidelijk dat hij de vader van de baby was. Ik zou het hem nooit vertellen, want anders zou hij nooit meer langskomen. Het vuurwerk was het enige dat kleur aan mijn leven gaf. Ik had geen vrienden, mijn hele familie was sinds het overlijden van mijn moeder dood en ik zou nooit verkering krijgen. Roos kon het niet weten. Onmogelijk. Of toch niet? Er zat niets anders op dan met haar te praten. Ze wist van het ongeluk, maar dat was het niet. Zij wilde iets vertellen. Dan moest het over de brand gaan. Ik zat nog in gedachten toen de voordeurbel ging.

Roos (8)

We hadden toch een duidelijke afspraak en nu is Anna niet op komen dagen. Ongelooflijk. Ik wilde haar vertellen dat ik het wist. Ze moest toch de waarheid ook kennen? Of zou ze het al weten en was ze daarom niet komen opdagen? Ik kon haar wel wat aandoen, maar ook weer niet. Nu ik de waarheid wist, alle puzzelstukjes op hun plaats waren gevallen, nu kon ik toch niet doorgaan met haar zo te behandelen zoals ik altijd deed, als voetveeg? Wat een rotzooi toch allemaal. Ik dacht dat ik wist wie ik was, dat ik wist waar ik vandaan kwam, maar na vandaag is alles op zijn kop gezet. Alle waarheden zijn weggespoeld als het sop in de gootsteen. Ik had het nooit gemerkt. Hoe blind was ik al die jaren. Al die tijd dat Anna in de buurt was, had ik niets in de gaten. Dat verdomde dagboek. Ik ging antwoorden zoeken en vond een waarheid die ik liever in de schaduw had gelaten.

Het dagboek lag op mijn keukentafel. Toen ik het had gevonden, het lag te pronken in een van de lades van de secretaire van moeder, had ik onmiddellijk geweten dat dit het dagboek was. Het had een dikke zware zwarte kaft, het papier was dun en hier en daar gekreukeld en vergeeld. Het handschrift van moeder was duidelijk. Ze schreef met vulpen. Het dagboek was dik en ging al vele jaren mee. Ik bladerde er door heen en zag soms een korte notitie over een dag en soms een langere verhandeling van wel drie pagina’s. Ik voelde dat ik een schat in handen had. Met deze schat kon ik ook mijn moeder beter leren kennen. Ik hoorde voetstappen op de trap, ik stopte het dagboek in mijn tas en glipte de kamer uit. Ik liep Gerard tegen het lijf. ‘Dag mevrouw Roos. Ik wist niet dat u er was. Blijft u dineren? Dan zorg ik dat de keuken op de hoogte is van uw verblijf.’ De beste man liep gebogen. De jaren begonnen hem zwaar te vallen. Hij was al mijn hele leven en nog langer in dienst van het huis. Hij regelde alles en stond altijd fier rechtop. Nu zag ik een gebroken man, een man met pijn en een vermoeide blik in zijn ogen. ‘Nee Gerard, ik blijf niet. Ik kwam alleen iets ophalen, maar moet nu rennen. Dag.’ Ik glipte zo snel als ik kon langs hem heen en rende de trap af. Hij mocht niet weten dat ik het dagboek had meegenomen. Moeder zal vanavond ontdekken dat het weg is en furieus zijn. Gerard zou de schuld krijgen. Dat speet me, maar het kon nu niet anders.

Ik reed naar het bos en parkeerde mijn auto. Ik kon niet wachten met lezen en pakte het dagboek. De geur van moeder drong zich binnen in mijn neus. Ik kreeg het er warm van. Trok mijn sjaal los en begon met lezen. De eerste jaren met pa kwamen aan bod. Ze schreef over haar huwelijk, over de problemen daarbinnen en over het gedrag van pa dat, na de pagina’s vorderden, steeds grilliger werd. Alle geheimen werden toevertrouwd aan deze pagina’s. Ik stelde de me voor dat ze uren achter elkaar schreef. Dat er soms een traan het papier raakte en daardoor de inkt wat vlekkerig was op de pagina, maar alle zinnen waren even zorgvuldig neergelegd op de lijntjes van het papier. Zelfs in de diepste emotie zag ik beheersing. Opeens voelde ik een immens respect voor mijn moeder. Ze had nooit iets laten blijken. Nooit deelde ze haar emoties en nooit sprak ze over haar echtgenoot. Die echtgenoot die aan een huwelijk met haar overduidelijk niet genoeg had. Hij had affaires met de kindermeisjes, met de schoonmaaksters, met vriendinnen van moeder en met vele anderen. Wat opviel was dat de partners van pa steeds jonger werden. Ik moest stoppen. Zou moeder het altijd hebben geweten van pa? Wat hij mij had aangedaan en nog steeds aandoet? Wist ze dat?

Ik las met moeite verder en daar stond het geschreven. Iets wat ik nooit had geweten, nooit had vermoed en waar ik niet naar op zoek was geweest. Ruim twintig jaar geleden had pa een affaire met een vrouw, genaamd Ingeborg. Zij was zijn secretaresse toen hij nog in de levensmiddelen zat. Ze hadden blijkbaar een langdurige relatie. Ingeborg was een jaar geleden onverwachts overleden. Met Ingeborg had pa een dochter gekregen en hij heeft al die jaren ook voor haar gezorgd. Hij had een dubbel leven waar niemand achter mocht komen. Die dochter was Anna.

In een reflex belde ik Anna en vertelde haar dat ze naar me toe moest komen. Ze klonk suf en verward aan de telefoon. Natuurlijk zou ze komen, want Anna gehoorzaamde altijd. Maar niet vandaag. Ik zat al uren te wachten. Ik moest haar opzoeken. Dan zou ik zelf naar dat afstotelijke appartement van haar gaan en de waarheid vertellen. Voordat ik ging werd ik gebeld. Het was pa. Ik drukte hem weg en gooide de telefoon in de hoek. Tranen begonnen over mijn wangen te stromen. Ik had al jaren niet gehuild. Ik verloor alle controle. Ik moest Anna zien. Alleen zij kon mij helpen. 

Anna (8)

Bij de bakker kocht ik een stokbrood, een halfje zuurdesem en een krentenbol. In de supermarkt kocht ik een salade, een reep pure chocolade en een pak dik maandverband. Ik verloor nog steeds bloed en dat kon volgens de arts ook nog wel even duren. Op het moment dat ik uit het ziekenhuis werd ontslagen, werd me verteld dat ik recht had op kraamzorg. Daar had ik totaal geen behoefte aan. Ik wilde niemand om me heen en besloot alleen naar huis te gaan en in bed te gaan liggen. Wat er fysiek allemaal met me aan de hand was wist ik niet. De arts had me uitgelegd dat ik nabloedingen kon hebben en dat ik hulp moest zoeken op het emotionele vlak, maar ik luisterde amper. Laat staan dat ik zou overgaan tot uitvoering van het advies.

Nu stond ik hier met in mijn ene hand een salade en een reep chocolade en in de andere hand een pak extra dik maandverband. In de rij met de pakken maandverband zag ik opeens babyvoeding staan en zuigflesjes en plaatjes van baby’s. Ik kneep het pak maandverband dubbel en hapte naar adem. Uitbannen die beelden. Niet meer naar kijken. Ik begon alweer te tollen op mijn benen en sprak mezelf bemoedigende woorden toe. Snel liep ik naar de kassa, gooide geld neer en wachtte niet op het wisselgeld. Weg moest ik. Terug naar huis, terug in bed. Ik rende naar huis.

De boodschappen gooide ik samen met de voornemens op de grond. Ik nam twee pillen en ging op mijn leesstoel zitten. Ik had geen puf meer om mijn slaapbank uit te klappen. Snel viel ik in slaap, maar dat duurde niet lang. Mijn telefoon wekte me uit een wirwar van vreemde beelden. Suf en verbaasd nam ik zonder te kijken wie er belde de telefoon aan. ‘Waarom neem jij nou nooit eens de telefoon aan?’ werd aan de andere kant geschreeuwd. Ik schrok en moest mijn gehoor focussen op de stem. ‘Ik heb je gisteren vijf keer gebeld en nu ook al drie keer. Wat ben je toch aan het doen?’ Het was Roos. ‘We moeten praten. Jij komt over een half uur naar mijn appartement. Heb je dat begrepen? Ik heb belangrijk nieuws. Wees voorbereid.’ Roos wilde nooit bij mij afspreken omdat ze mijn appartement te klein vond, de kleuren hysterisch en de meubels smerig. Ze voelde zich net een zwerver zei ze als ze bij mij binnen was. Dat had ze 1 keer gedaan en daarna nooit meer. Ik was te moe om weerstand te bieden en vertelde dat ik er aan kwam. In mijn hoofd galmden de woorden: “ik heb belangrijk nieuws. Wees voorbereid.” Wat was dat nieuws? En, waar moest ik me op voorbereiden? Ze had me niets verteld. Zou ze het weten? Ik zou gaan, maar eerst nog even mijn ogen sluiten. Ik was opeens zo moe. Na een kwartiertje rust zou ik me vast beter voelen. Vijf uur later schrok ik wakker.

Geraakt

Ik ben geraakt door de aanslagen in Brussel. De beelden snijden diep in mijn ziel en hart. De emoties komen bij me los. Al die mensen, al die angst, al die pijn, al dat verdriet. Levens zijn vandaag verloren, verminkt en onherstelbaar beschadigd. Het raakt me nu meer dan ooit. Waarom is dat? Komt het doordat het zo dichtbij is? Of omdat ik voortdurend naar mijn kinderen kijk en me voorstel in welke wereld zij over 15 jaar gaan leven?

Griet Op de Beeck las bij De Wereld Draait Door voor. Over het leven van je beste leven. Alles er uit halen en nu zelfs dubbel, omdat we ook moeten leven voor hen die dat niet meer kunnen. Dat we niet moeten vergeten dat liefde alles is, nou ja zo goed als alles. Mooi vond ik dat.

Wat moeten we nu op zo een dag als vandaag? Gaan we de vinger wijzen? En zo ja, naar wie dan? Gaan we keihard terugslaan? En zo ja, wie gaan we dan slaan? Of gaan we samen zijn, beseffen wat we hebben en elkaar lief hebben? Ik hoor steeds maar dat we niet moeten zwichten voor terreur. Dat de angst niet mag winnen. Maar dat geloof ik niet. Emoties laten zich niet zo gemakkelijk beteugelen. Emoties willen gekend worden en gehoord. Krijgen zij geen ruimte dan vinden ze hun weg wel op een andere manier.

De vragen tollen door mijn hoofd. De antwoorden blijven uit. De emoties liggen op de oppervlakte. Ik laat ze er zijn en put moed uit de gedachte dat morgen een nieuwe dag is. Een dag om te leven, lief te hebben en een glimlach te schenken aan je kind, oma, buurman,  caissière,  stratenmaker, postbode, politieagent, zus, man, broer, oom, tante, bloemist, buschauffeur, collega, juf, meester, dokter, fysiotherapeut, tandarts, boekverkoper, hangjongere, chinees om de hoek, groenteboer, iedereen, omdat we het kunnen. Wij hebben het leven, dus leef met hart en ziel. Ook voor hen die dat niet meer kunnen.

Roos (7)

Moeder zat in de oranjerie. Ze zat met een wollen jas aan en een dikke plaid om haar benen, terwijl binnen de temperatuur tropisch was. Ik zag haar rug en het leek of ze sliep. Ze zat wat voorovergebogen en ik bekeek haar een paar seconden. Ze zag er kwetsbaar, broos en oud uit. Dat zou ik haar nooit zeggen, want ze was een trotse vrouw die nooit haar emoties liet zien. Emoties tonen was vulgair. Dat deden alleen de arme zielen onder ons. Wij niet. Wij houden onze rug recht en kijken onze emoties recht in de bek. De blik werd nooit afgewend en gebogen evenmin.

Ik naderde haar en kuchte zacht zodat ze niet schrok. ‘Ah, daar ben je eindelijk. Had je niet eerder kunnen komen? Je laat je gezicht nooit zien. Je vader vertelde over je afstotelijke bank en de rotzooi in je huis. Rommel is niet goed voor je. Regel het en zorg dat je je zaken op orde hebt. Je hebt in al die jaren toch wel iets geleerd.’ Ik slikte voordat ik antwoordde. Ik koos mijn woorden zorgvuldig, want ik had op dit moment geen behoefte aan een tirade. ‘Wat ziet u er goed uit moeder. Hoe verloopt uw dag? Nog boeiende lezingen die u gaat bijwonen vandaag of binnenkort?’

De blik in de ogen van mijn moeder werd ijzig. Ze had felblauwe ogen die recht door je heen konden kijken. Als kind durfde ik nooit iets stiekem te doen, want moeder doorzag alles. Ook had ze een messcherp gehoor. Ze hoorde niet alleen alle geluiden in huis en geroezemoes, ze nam ook elke hapering in mijn stem waar. Ze betrapte me altijd op een leugen of als ik iets verzweeg. ‘Hoezo, zie ik er goed uit. Vertel me eens iets wat ik nog niet weet en geef antwoord op mijn vragen.’ De kou trok door mijn lijf. ‘Het spijt me dat ik niet eerder ben gekomen. Ik had het druk met de brand en zo. Het gaat uitstekend met me. De bank is een vergissing. Die breng ik terug en de schoonmaakster komt binnenkort drie keer per week. Ik heb het onder controle. U hoeft zich geen zorgen te maken moeder. Heeft pa verder nog iets gezegd?’

Ze wendde haar blik van me af. Zou ze iets weten? Hadden ze meer contact gehad? ‘Hoe vaak moet ik nog zeggen dat je geen pa moet zeggen, maar vader. Stop toch eens met dat populaire taalgebruik. Je leert het nooit. Wat een teleurstelling. Ik bepaal trouwens zelf of ik me zorgen maak. Je vader is twee dagen geleden een paar boeken komen halen die hier nog lagen. We hebben een gesprek gehad. Ik weet dat de brand een grote verwoesting met zich mee heeft gebracht, maar je vader heeft in zijn leven grotere tegenslagen gekend. Hij gaf aan dat jij hem onvoldoende steunt. Dat had ik niet van je verwacht. Je moet je vader dankbaar zijn voor alles wat hij voor je heeft gedaan en nog doet.’ Ze draaide zich nu helemaal om. Dat was het teken. Dit gesprek was nu ten einde en mijn aanwezigheid was niet langer gewenst. Ik draaide me om en liep naar het huis. Nu ik hier was ging ik niet eerder weg voordat ik meer informatie had verzameld. Er moest toch meer te vinden zijn? Ik liep naar boven en voordat ik het wist stond ik in de kamer van moeder en doorzocht haar secretaire. Moeder hield een dagboek bij. Die had ik ooit eens zien liggen toen ik onverwachts haar kamer binnen kwam. Ze schreeuwde toen tegen me dat ik nooit meer haar kamer mocht betreden. Maar nu was ik hier en voelde ik het hier allemaal begon. Het begin van antwoorden lag hier.

Anna (7)

Ik stond op het punt naar buiten te gaan om mijn voornemens daadwerkelijk uit te gaan voeren toen mijn mobiel in mijn kontzak van mijn spijkerbroek begon te trillen. Het was Arthur. Ik wilde hem niet spreken, maar nam toch op. Hij vroeg hoe het met me ging en of het ziekenhuis nog had gebeld? Als iemand wist hoe ik er aan toe was dan moest hij dat zijn. Hij had een groot aandeel gehad in mijn ongeluk en was de veroorzaker van al het leed en het geheim dat ik al die tijd al met me meedroeg. Hij wist het niet van de baby. Nadat hij me voor het ziekenhuis had achtergelaten was hij vertrokken. Ik wist dat hij het was, ook al had ik zijn gezicht nooit gezien. Ik had het gevoeld, geroken. Ik kende hem van dichtbij, wist hoe hij ademde en vooral was ik bekend met zijn lichaamsgeur. Een mengeling van dure aftershave en vers zweet. Toen ik werd opgetild en half bewusteloos achter in de auto werd gelegd, had ik hem geroken en zijn spieren gevoeld. Toch was ik niet helemaal zeker. Bij het ziekenhuis werd ik uit de auto gehaald en voor de deur weggelegd. Sommige beelden zag ik voor me, maar grote gedeelten waren ook zwart. Ik wist het niet. Ik wist niet precies wat er was gebeurd en ik wist ook niet zeker wie mij had aangereden. Was het dezelfde persoon die mij naar het ziekenhuis had gebracht? Ik dacht het wel, maar niets was zeker.

Hij had na het ongeluk niet gebeld. We hadden helemaal geen contact meer gehad. Hij kon het dan ook niet weten van de baby. Niemand wist het. Volgens de artsen in het ziekenhuis was het een wonder dat ik geen breuken, kneuzingen of ander letsel had opgelopen. Ik had wel een blauwe plek op mijn heup, aan de kant waar ik op was gevallen en mijn elleboog deed wat zeer. Maar als een wonder was ik verder ongedeerd. Toch hadden de artsen een bezorgde blik in hun ogen. Een vrouw kwam naast me zitten en pakte mijn hand. Zo bleef ze een tijdje zitten. Ze bleef me met haar kleine helder blauwe ogen aankijken en begon te praten. ‘Ik vind het heel erg voor je, maar door het ongeluk -toen je buiten bewustzijn was- zijn vroegtijdig weeën opgekomen en je kindje is geboren. Hij heeft het niet overleefd. Hij had geen kans. Volgens onze meting was hij nog maar twintig weken oud en dan zijn de longen nog niet volgroeid. Hij kon dus niet zelfstandig ademen.’ Ik keek de vrouw vol ongeloof aan en begon daarna heel hard te lachen. De tranen liepen over mijn wangen. Ik bulderde het uit. Het leek wel of ik in een heel slecht toneelstuk zat en dat deze vrouw de slechtste actrice was die ooit had bestaan. Geen Oscar voor haar.

De vrouw was van haar stuk en ik zag dat er kleine tranen in haar ogen sprongen. De mannen rondom mijn bed begonnen wat zenuwachtig heen en weer te bewegen. ‘Anna, begrijp je wat ik je net heb verteld?’ vroeg de vrouw naast me. Natuurlijk begreep ik wat ze had verteld. Ze had alleen het slechte nieuws tegen de verkeerde patiënt verteld. Ik was helemaal niet zwanger. Hoe kwamen ze daar nu bij. In mijn ooghoek ter hoogte van mijn bed zag ik opeens een kleine doorzichtige bak op wieltjes. Daar lag een klein popje in, helemaal aangekleed en al. Men nam dit toneelstuk wel erg serieus, dacht ik nog. Ik keek naar het popje en de vrouw kneep zachtjes in mijn hand. Al die tijd had ze deze vastgehouden. Het zweet brak me uit. Alsof de bliksem insloeg voelde ik dat het waar was. Een blik van herkenning, hoe absurd ook. Daar lag mijn kind, mijn zoon. Een mini-mens. Alles zat er op en aan. Hij had hele kleine vingers, tenen en een paars gezichtje. De vrouw naast me zag dat ik schrok. ‘Die kleur komt doordat het kindje via zijn benen is geboren en dat al het bloed naar zijn hoofdje is gegaan. Dat verkleurt dan. Wil je hem even vasthouden?’

Arthur riep iets in mijn oor. Ik kwam weer terug. ‘Nee, ik ben niet thuis. Ik logeer bij een tante. Het gaat verder helemaal goed. Tot later.’ Ik hing op. Dat had ik nog nooit gedaan. Bij niemand, maar zeker niet bij hem. De beelden veegde ik van mijn netvlies en pakte mijn jas. Ik had voornemens en het werd tijd dat die werden uitgevoerd. Met mijn boodschappentas in de hand vertrok ik. Boodschappen doen moest gaan lukken.

Roos (6)

Toen ik mijn ogen opendeed zocht ik naar mijn telefoon. Het was zes uur, zoals gewoonlijk. Ik spoelde de nacht en de herinnering aan de vorige dag van me af en besloot een stuk te gaan rennen. De zon kwam op en het was nog rustig in de stad. Dit vond ik het fijnste moment van de dag. Geen mensen om me heen, geen drukte, geen lawaai, geen pa en  al helemaal geen zorgen. Tijdens het lopen fantaseerde ik over hoe mijn leven zou kunnen zijn. Ik zou een man hebben en één of twee kinderen, misschien zelfs drie. Samen ontbijten, veel lachen en dansen in de keuken. Mijn man had mij lief zoals een man lief moest hebben. De kinderen waren gelukkig en maakten tekeningen van het gezin. Pappa met lange armen, harken als handen en benen zonder voeten. Ik met gekke haren, schele ogen en een grote glimlach. Het geluk straalde er van af. We aten op zaterdag friet met knakworsten en speelden kwartet. Dit was het leven dat ik wilde, maar de droom leek mooier dan de werkelijkheid ooit zou kunnen zijn.

Na het lopen at ik wat yoghurt met muesli en honing en besloot ik mijn moeder op te gaan zoeken. Nu nog niet, want moeder ontving pas na elf uur bezoek. Eerst las ik het rapport van de brandweer. De brandweer had nadat het sein brandmeester was gegeven een onderzoek verricht naar de oorzaak van de brand. In het rapport werd gesproken over een tweede onderzoek door het NFI. Mijn hart begon sneller te kloppen. Het NFI wordt alleen maar bij een onderzoek betrokken als er sprake is van een vermoeden van een misdrijf. De brand in de winkel was toch een ongeluk? Ik sloeg hele stukken uit het rapport over. Er was een reconstructie gemaakt van die avond en wat er was gebeurd. De brand was rond 23.15 uur begonnen. Het eerste vermoeden was dat de brand in de keuken was begonnen, omdat er een gaslek was: een klein gaatje in de gasleiding. De keuken grensde aan de achterkant van de winkel. De winkel bestond uit twee gedeelten. De rechterkant was geheel ingericht als boekwinkel en telde twee verdiepingen. Beneden stonden de secties: literatuur, trillers en kunstboeken, aangevuld met tijdschriften, kranten, kaarten en verschillende soorten notitieboekjes. In de hoek schuin achter de kassa’s was een muur gezet met een kleine doorgang. Daarachter zat het kinderparadijs. Een hele wand met kinderboeken en een muur vol met schoolbordverf. Daar konden kinderen de mooiste tekeningen op maken. Elke derde woensdag van de maand kwam de voorleesfee. Alle kinderen zaten dan op kussentjes in die kleine ruimte ingespannen te luisteren naar de mooiste verhalen.
Op de bovenste verdieping was plaats ingeruimd voor kookboeken, buitenlandse literatuur (Engels, Duits en Frans), wetenschappelijke boeken, spirituele boeken, poëzie en allerlei boeken gericht op verschillende hobby’s, zoals tuinieren, schilderen, breien, haken en modelvliegtuigbouw. Het pand had beneden een doorgang naar het andere pand. Daar waren ook twee verdiepingen. Beneden was het café en het podium. Schrijvers, dichters en muzikanten gaven lezingen en optredens. Elke derde zondag van de maand was er ook een bijeenkomst van de boekenclub. Ruim veertig leden namen deel aan soms hevige en emotionele discussies over het boek dat ze hadden gelezen. Deze bijeenkomsten werden altijd afgesloten met een borrel en een hapje. Op andere dagen was het café open van 10.00 uur tot 16.00 uur voor koffie, thee, gebak, sapjes en lunchgerechten. Achter het café was de keuken en via de hal kon men de toiletten bereiken en een deur met het woord “privé” er op. Achter die deur was de trap naar boven. Boven was ons kantoor en een kleine relaxruimte met een bed, een bankje en een wastafel.

In het rapport stond dat de keuken en het café helemaal waren vernietigd en dat een gedeelte van het andere pand ook schade had opgelopen. Bijna alle Nederlandstalige literatuur was verdwenen. Ook de kunstboeken en trillers waren vergaan, maar de hoek met de kinderboeken was gespaard gebleven. De onderzoekers hadden in de ruimte bij de literatuur vezels gevonden. Die waren onderzocht en bleken besprenkeld te zijn met spiritus. Mijn maag speelde op. Wat stond daar? Er waren vezels gevonden besprenkeld met spiritus in de winkel. Voor de schoonmaak hadden we spiritus in de keuken, maar niet in de winkel. Hoe kwam dat daar? Wie had dat gedaan? Was er dan opzettelijk brand gesticht? Door wie? Waarom? De vragen tuimelden door en over elkaar in mijn hoofd. Het zweet brak me uit en voor dat ik het wist leegde ik mijn maag over de keukenvloer. Ik braakte de muesli in brokjes uit. Nog meer vragen kwamen op. Zou pa dit al hebben gelezen? Zou hij achter de brand zitten? En Anna? Ik raakte in paniek. Ik voelde het opkomen. Mijn ademhaling ging sneller en hoger. Ik moest een zakje pakken anders ging het fout. Al sinds mijn kindertijd had ik hyperventilatie, maar de laatste jaren had ik het onder controle, zelfs na de bezoeken van pa kwam er geen aanval meer. Rustig ademen nu, in en uit, in en uit. Na een kwartier voelde ik dat ik mezelf weer onder controle had. Eerst die kots opruimen, nog een keer douchen en dan moeder bellen. Ik moest haar zien en haar vragen of ze pa laatst nog had gezien. na de scheiding zagen ze elkaar nog regelmatig. Wie weet wist ze iets over de brand. Had hij er met haar over gesproken. Tegen al mijn ervaringen in verwachtte ik haar steun. Dat bleek weer een vergissing te zijn.