Vervolg: Roos (1)

Vandaag begon als een ongelooflijke klote dag. Eerst belde de leverancier dat de betaling van de factuur niet uitgesteld kon worden. Ik legde hem voor de duizendste keer uit dat het nu echt onmogelijk was om te betalen, maar die klootzak bleef maar doorzeuren. Hij had wel een oplossing. We konden op een date gaan. We konden samen gaan eten en dan zou een andere datum in het systeem gezet kunnen worden voor de betaling, over een maandje bijvoorbeeld. Nou fuck het systeem en hem erbij. Ik crepeer nog liever dan dat ik een avond tegenover die man moet zitten om te kijken naar hoe hij met zijn kleine vette vingers zijn eten binnen werkt en vervolgens etensresten in zijn dikke borstelsnor laat hangen om nog maar over zijn gele tanden te zwijgen. Hij kon de factuur in zijn reet steken en zijn etentje erbij.

Om de dag nog wat te verder te verzieken had mijn poes bedacht mijn nieuwe crème kleurige bank onder te kotsen op verschillende plekken. De kots was al opgedroogd. Ze was vannacht flink tekeer gegaan. Het bruine drab lag op vijf verschillende plekken. Heel creatief gerangschikt, want elke uitbarsting uit haar maag had een andere vorm. Het leken vlekken uit de Rorschachtest. Ik zag een woedende vrouw in één van die vlekken en dat beeld kwam overeen met hoe ik me voelde. Het schattige poesje had besloten haar kop niet te laten zien en dat was een verstandig besluit. Wanhopig probeerde ik de vlekken uit mijn bank te elimineren. Ik weigerde om mijn moeder te bellen. Poetsen is haar passie, maar mij de les lezen geeft haar nog meer vreugde. Ze zou me natuurlijk allereerst  vertellen dat een crème kleurige bank geen goed idee was geweest. Dat zo een bank bij niemand een veilig onderkomen heeft en al helemaal niet bij mij. Vervolgens zoude de verwijten afgevuurd worden. Ik bel te weinig, kom nooit langs en als uitsmijter wordt de standaard plaat afgedraaid over baby’s en dan met name het gebrek daaraan in mijn leven. Heel misschien kreeg ik een tip om mijn bank weer terug te brengen in de oorspronkelijke staat, maar het enige waar ik aan kon denken was: laat maar. Ik koop liever een nieuwe.

Als laatste ergernis, waardoor deze dag al voor 11.00 uur te kwalificeren was als uitermate klote dag, was de ontvangst van een e-mail waar ik niet op zat te wachten. Erger nog, het was een e-mail die mijn maag deed omdraaien. Dat ik net een berg kots had opgeruimd, had daar ook mee te maken, maar deze e-mail en dan vooral de bijlagen deden mijn ingewanden ineen krimpen. Het was een korte e-mail van de brandweercommandant. Hij was degene die ter plaatse was toen de brand al brullend en krijsend uit het dak kwam gestormd. Hij was ook degene die vertelde dat dit deel van het pand niet meer gered kon worden en dat zijn mannen hun uiterste best deden om het pand ernaast te redden. Ik kon het niet geloven toen ik gebeld werd. Ik lag al in bed, een beetje te lezen en na te denken over de toekomst van de inkoop. Na genoeg getobd te hebben viel ik in een onrustige slaap. Ik zag mijn vader met dozen sjouwen. Hij riep dat ik moest komen helpen. Hij kon het niet volhouden. De dozen bleven zich als vanzelf opeenstapelen, steeds hoger en hoger en telkens als ik naar hem toe liep, bleek hij verder weg te geraken. Ik kon hem niet helpen en ik zag zijn lijf ineenkrimpen en toen schrok ik wakker van Led Zeppelin. Whole lotta love, werd door mijn kamer gebruld. Het duurde even voordat ik door had dat het mijn mobiel was. Ik nam op en hoorde aan de andere kant een hoop geruis en een stem die schreeuwde dat ik onmiddellijk moest komen naar de winkel. Ik trok snel mijn spijkerbroek aan die nog op de grond lag en rende zo hard ik kon naar buiten, stak de straat over en rende mijn longen uit mijn lijf. Waarom ik mijn fiets niet pakte, begrijp ik nu nog steeds niet.

De e-mail was kort. Het rapport van het onderzoek werd binnen drie dagen verwacht, maar de foto’s konden al vrij gegeven worden. Ik bekeek het zwart geblakerde pand en sloot abrupt mijn laptop. Niet nu. Ik wilde het niet zien. Ik kreeg het benauwd en besloot een stuk te gaan fietsen en een ontbijt te scoren. Mijn maag moest tot rust komen. Ik raapte mijn jas op van de vloer, trok mijn laarzen aan, schikte mijn haar -voor zover daar enig model in te krijgen was- en trok de schuurdeur achter me dicht. Na een minuut of vijf fietsen sloeg ik de Dwarsstraat in en zag ik haar op een afstand lopen. Ik vervloekte deze dag en mezelf. Van alle routes die ik kon kiezen koos ik deze waarbij ik de kans liep haar tegen te komen. Godverdomme toch. Ik kon geen kant uit, ze had me al gezien en dus moest ik stoppen.

Verhaal: Anna (1)

Op het moment dat ik haar tegenkwam zag ik in haar ogen schrik, ze wilde vluchten maar kon geen kant op. Dat voelde ik. We kennen elkaar al twintig jaar, niet op vrijwillige basis maar ook niet gedwongen. Er waren momenten geweest dat we veel deelden. Nou ja, ik deelde vooral veel en zij ontving. Ze gaf nooit. Dat kon ze niet. Geven is angstig. Je stelt jezelf bloot en je toont emoties. Iets dat zij verafschuwde. Niet dat anderen zich niet mochten uiten bij haar, in tegenstelling zelfs, ze kon troost bieden als geen ander, maar zelf zou ze zich nooit verlagen tot een trillende lip, laat staan een vallende traan.

De laatste weken zagen we elkaar niet meer. Na het ongeluk hadden we geen fysiek contact, zelfs geen telefoongesprek. Ze stuurde me een kaart met een voorbedrukte tekst en ondertekend met alleen haar naam. Geen sterkte, geen bemoedigende woorden en zelfs geen kus of groeten. Ik lag dan in mijn bed, verscheurd van pijn en verdriet en dacht aan haar. Wat had ik haar graag bij me gehad zodat ik kon schreeuwen in haar armen. De pijn op haar afvuren, snot aan haar mouw afvegen en me dan in slaap laten sussen zodat ik een moment rust kon hebben. Nachten lag ik wakker. Op aanraden van de dokter slikte ik slaapmedicatie. Er gebeurde niets. De dosis werd verhoogd. Ik bleef wakker, ogen wijd opengesperd en een hart dat overuren maakte in mijn keel. Alle lichten bleven branden want het donker kon ik niet verdragen. Uren lang tuurde ik naar het plafond, ik telde de balken, ik zag elk groefje in het hout en elke spinnenweb in de hoeken. Soms was ik blij met het bezoek van een mug. Nu was ik niet alleen en kon ik mijn aandacht richten op het geluid wat dat kleine wezentje voortbracht. Normaal gesproken zou ik uit mijn bed springen en het beestje opsporen om het zo snel als mogelijk met een handdoek tegen het plafond of de muur kapot te slaan. Maar nu, nu lag ik wezenloos voor me uit te staren en naar dit wonderlijke beestje te turen.

Vijf dagen na het ongeluk -vijf dagen van volcontinu wakker zijn; vijf dagen van wezenloos ongewassen in mijn pyjama in bed liggen of wat doelloos door de kamer rondlopen- besloot ik terug naar de huisarts te gaan. De slaapmedicatie werkte niet. Mijn geest was onvermoeibaar en kon niet tot stilte gebracht worden. Hoe hoog de dosis ook zou worden, mijn geest was niet te breken. Als er nu niet ingegrepen zou worden dan waren er twee mogelijkheden. Ik zou krankzinnig worden en in een of ander gesticht vastgebonden moeten worden of ik zou de dichtstbijzijnde spoorweg zoeken om een trein die op hoge snelheid op me af zou komen van heel dichtbij te gaan bekijken. Ik was wanhopig. Niet slapen is dodelijk. De huisarts wilde me alleen op haar kantoor ontvangen. Dat betekende dat ik uit bed moest komen en de stap naar buiten moest gaan wagen. Voordat ik naar buiten kon, moest ik eerst douchen. Mijn haar plakte aan mijn hoofd, mijn oksels roken allerminst fris en uit mijn mond kwam een onherkenbare lucht. Ik had al die dagen ook maar sporadisch wat gegeten. Dat vertaalde zich in een algehele vreemde lucht die uit alle gaten die mijn lichaam rijk was ontsproot. Stap één was dus douchen. Ik kleedde me uit en zette de kraan op een aangename temperatuur. Zodra ik onder de stralen stapte begon ik onmiddellijk onbedaarlijk te huilen. Alsof de douchedruppels die op me vielen door mijn schedel drongen en via mijn ogen weer een uitweg vonden. De tranen stroomden over mijn wangen en kin. Mijn neus begon vol te lopen met snot en mijn lichaam begon te schokken. Ik schreeuwde de longen uit mijn lijf en toen ik de kraan uitdraaide leek het wel alsof mijn tranen op waren. Ik was schoon.

Ik trok schoon ondergoed aan, een zwarte joggingbroek met daarop een zwarte trui. Gooide mijn pyjama in de was en poetste mijn tanden. Beneden trok ik mijn zwarte gympen aan. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om iets gekleurds aan te trekken. Daar was de tijd nog niet rijp voor. Ik trok mijn jas aan en zette een dikke muts op mijn hoofd zodat niemand mij zou herkennen. Op het moment dat ik de deur open deed voelde ik de februari kou op mijn gezicht beuken. Even hapte ik naar lucht. De tranen sprongen in mijn ogen, nu van de kou. Ik sprak mezelf toe en stapte naar buiten. Ik liep de straat uit en toen ik de hoek om sloeg kwam ze aangereden op de fiets.

Appartement

Vandaag bezocht ik het nieuwe huis van mijn vriendin en haar man. Ze hebben hun lief kleine poppenhuisje op de Markt verruild voor een appartement. Mijn vriendin is vorig jaar zestig jaar geworden en haar man is net een paar jaartjes ouder. Hij heeft vorig jaar flink wat klappen gekregen vanuit de medische hoek. Dat gecombineerd met de klussen die een oud huisje altijd met zich meebracht deed hun besluiten te verhuizen naar een appartement. De verkoop van hun eigen huis klinkt als een sprookje. Ze waren rustig om zich heen aan het kijken naar een geschikt appartement. Toen ze een mooi en licht appartement hadden gevonden waar hun hartje een extra sprongetje van maakte. Naast dat het ontzettend licht was, had het een fantastisch uitzicht over het park en had het genoeg ruimte om alle kleinkinderen een plekje te geven. Maar, het appartement was al bijna verkocht was. Een ander stel was hun net voor en moest nog de financiën rond krijgen, maar dat was een formaliteitje.

Licht teleurgesteld ging de zoektocht verder. Nu wonen wij in een kleine gemeenschap waar heel veel wordt gekletst. Dus binnen korte tijd werd bekend dat mijn vriendin verhuisplannen had. Dat liet de eigenaar van het pand naast hun zich geen twee keer vertellen en belde op een druilerige zaterdagmiddag bij zijn buurvrouw aan. Hij wilde het pand wel kopen. Hij wilde het zelfs wel voor een goede prijs kopen. Mijn vriendin sprong een gat in de lucht en haar man huppelde licht (hij is niet zo een uitbundig type).

De buurman had geen enkel bezwaar om te wachten totdat mijn vriendin een geschikt appartement zou hebben gevonden.  Rustig liet mijn vriendin alle mogelijkheden langs zich voorbij gaan en liep op een dag op de weekmarkt de makelaar van het appartement dat voor haar neus was weggekaapt tegen het lijf. Hij vertelde dat de kopers moeite hadden om alle euro’s bij elkaar te krijgen. ‘Oh, wat vervelend voor ze,’ zei mijn vriendin ietwat geveinsd. Een dag later belde hij. De koop ging definitief niet door en het appartement was weer beschikbaar. Hij vroeg of ze nog interesse hadden in het appartement. Onmiddellijk maakten ze een afspraak en binnen een paar uur was de zaak beklonken. En nu, nu liep ik hier tussen de klusspullen, de rollen behang, de pakken laminaat, de in-elkaar-zet-kasten-van-Ikea en allerlei verfstalen en dozen door dit mooie lichte appartement. Ik zag een dolgelukkige vriendin -die zelf ook licht begon te geven- en een klussende man die, ook al liet hij het niet blijken, best een gat in het plafond zou willen springen. Wat is het toch mooi als de dingen gaan zoals ze moeten gaan.

Plassen

Ik zag vandaag een jongetje van een jaar of twee, nog wat onzeker op de benen, maar vol levenslust stortte hij zich op de plassen die rijkelijk aanwezig waren op het schoolplein. Dat hij geen regenlaarzen aanhad deerde hem niet. Dat hij een joggingbroek aanhad en het water inmiddels langs zijn benen naar beneden moest sijpelen, evenmin.

Ontroerd volgden mijn ogen dit hummeltje. Hij was zich niet bewust van zijn omgeving. Het enige dat telde waren die plassen. Er zaten flinke plassen tussen. Voor zijn lengte waren het bijna meren, maar of ze nu klein of groot waren en of het nu maar een klein beetje omhoog pletste of tot zijn kruin, het maakte hem helemaal niets uit. Ronduit volmaakt gelukkig.

Wat is het fijn als je met zoiets eenvoudigs als een regenplas -waar we er trouwens de laatste tijd veel van hebben- gelukkig kunt zijn. Hoe ouder ik word hoe verder ik van mijn kindertijd afsta. Wat vond ik nu eigenlijk leuk toen ik een dreumes van twee was? Geen idee. Moet ik nog eens navragen, maar ik ontdekte die zelfde dag wel een overeenkomst met dat jongetje. Ik reed namelijk in mijn Panda naar de stad om mijn nieuwe brillen op te halen. Het goot en goot. De ruitenwissers stonden op standje hysterisch. Ze wisten niet goed raad met de situatie. Ik reed langs een berm en zag dat er een hele diepe en grote plas lag. Ik gaf gas en stuurde een beetje naar rechts. Pats, het water schoot tot aan het raam. Geweldig. Ik voelde me even heel erg verbonden met een twee jarige op het schoolplein, maar dan wel met droge benen.

Schriftjes

Al jaren verzamel ik schriftjes. Vaak gebruik ik ze voor de helft, raak ik ze kwijt en begin dan vol goede moed aan een nieuw schriftje. Ik heb ze in alle vormen en maten. Vaak weet ik zelfs nog waar ik ze gekocht heb en voor welk doel.

Schrijven helpt me om mijn emoties te duiden. Ik  heb al vaak donkere plekken bezocht en dan had ik een schriftje nodig om me weer helder naar alles te laten kijken. De schriftjes als psychiater. Stukken goedkoper.

Soms vind ik opeens een schriftje. Die lag dan al een tijdje stof te vangen in mijn boekenkast. Bij het snuffelen door mijn boeken kom ik dan zo een schriftje tegen en kan de verleiding niet weerstaan om terug te lezen wat ik heb geschreven. Heel vaak vind ik mezelf echt een drama Queen. Wat een diepzinnig overdreven gedoe, maar ik weet ook dat ik dan mezelf erg te kort doe. Ik heb nu eenmaal diepe heftige gevoelens. Altijd al gehad. Dat zit dus in mijn natuur. De dalen zijn diep, maar de pieken zijn dan ook weer hoog. In het schriftje dat ik vandaag tegen het lijf liep, zag ik het verhaal over de geboorte en sterfte van ons eerste kind. Een schrift voor Teun staat er op het eerste blad. Gekocht met het doel herinneringen aan Teun op te schrijven en al mijn gedachten aan het papier toe te vertrouwen. Een verslag van alles dat zich rondom de twintig weken echo, ziekenhuisopname en geboorte van Teun afspeelde. Het staat er allemaal in. Ook veel gedichten heb ik neergepend. Gedichten waarvan ik het bestaan niet eens meer wist. Gedichten van rouw, verdriet, maar ook van hoop. Ongeveer 8 jaar geleden schreef ik het volgende gedicht in mijn schriftje:

Als ik rustig zit,
zie ik het dansen van het gras in de wind.
Nu ik achterover leun,
voel ik de koele bries zwevend langs mijn oor.
Ik weet wat dit betekent,
ik weet welk moment is aangebroken.
Het licht staart me aan als een haas
voor mijn koplamp.
Het geluk klopt op de deur.
Zal ik open doen?

We zijn nu acht jaar verder en ik kan zeggen dat ik de deur open  heb gemaakt, dat de welkome gast binnen is gekomen, zich fijn in ons gezin heeft genesteld en besloten heeft te blijven.

Regen

De hele dag klettert de regen op het platte dak van onze keuken. De lamp moet aan om de krant te kunnen lezen. Geen sprankje zon te bekennen. Grijs is de kleur van de dag. Het is grijs in verschillende variaties. Dat dan weer wel. De druppels blijven kleven tegen het raam alsof ze naar binnen willen. Ze hangen daar zo een beetje. Ze willen gered worden. Gered van de kou en druk om altijd maar naar beneden te vallen. Als ze konden dan zouden ze het uitschreeuwen “ook wij willen wel eens omhoog.” Maar helaas.

Als ik uit het raam kijk zie ik de toppen van de bomen die achter ons huis staan. De takken lijken naar me te zwaaien. Ik hoor opeens André Hazes “met die handjes in de lucht, allemaal. Van links naar rechts. Kom op mensen, het is feest.” Vreemd. André Hazes is wel de laatste waarvan ik verwacht had die ooit tegen te komen in mijn gedachten. Ik geloof niet dat ik eerder het genoegen (nou ja genoegen) heb gehad zijn gezicht voor me te zien, laat staan zijn stem in mijn hoofd te horen. Die bomen maken dus heel wat los bij me. Ze zijn nu nog bladloos en dat vind ik er soms zo triest uitzien. Zeker op een dag als vandaag. Zij blijven fier overeind. Ze kunnen niet anders en vangen al die wind, kou en nattigheid maar weer op. Ik zit warm binnen en zou wel naar buiten willen rennen om die bomen lekker in te pakken. Een warme gebreide trui bijvoorbeeld. Zo eentje waar ik zelf gigantische jeuk van krijg. Een goede foute trui, met een rendier erop. Al zijn die foute truien nu weer hip, dus weet ik eigenlijk niet meer wat fout is en wat mode correct. Verwarrend allemaal. Een probleem is wel hoe ik zo een trui bij een boom van een metertje of 12 aankrijg. In mijn fantasie laat ik me zo klein maken als vrouwtje theelepel (dat vond ik zo een fantastische serie toen ik klein was) en spring achter op de rug van een tortelduif. Deze vliegt met mij en de trui, die ook gekrompen is, naar de top van de boom en met een toverstafje tover ik, hocus pokus toedeledokus pas ik wou dat de trui om de boom was, in een mum van tijd de trui om de takken van de boom.

Maar als ik dan toch zo een toverstafje heb en de kunst van het toveren versta zou ik er ook voor kunnen kiezen om de lente te laten starten. Nu we geen winter hebben gehad vind ik dat we ook niet moeilijk moeten doen om de lente vroegtijdig van start te laten gaan. Dan prevel ik met mijn toverstafje in de hand de magische woorden “hocus pokus toedeledokus pas, ik wou dat de lente er was.” En poef, de krokussen vliegen uit de lucht in alle kleuren van de regenboog. De narcissen rechten hun kopjes fier omhoog. De bloesem viert feest zoals ze dat in Japan doet. De zon laat haar licht schijnen. Alle mensen laten hun humeur verwarmen aan deze verschijning. Als dat toch eens mogelijk was, dan deed ik het. Hocus pokus toedeledokus pas, ik wou dat ik een tovenaar was.

Fluitenkruid

Wind en regen zijn de elementen die bewoners van de Zeeuwse eilanden dagelijks in hun leven trotseren. Als kind wist ik niet beter dan dat je alles op de fiets doet. Naar school, naar zee, boodschappen doen, naar vriendjes. Ik deed alles en doe nu nog steeds zo veel mogelijk op de fiets.

Al fietsend trekt de natuur in al haar facetten aan me voorbij. Mijn favoriete seizoen is de lente. De eerste zonnestralen die opkomen om de winterse kou te verjagen voelen heerlijk op mijn gezicht. Ik trek er op uit met mijn fiets. De nodige middelen heb ik bij me. Fiets, thermoskan thee, opschrijfboekje, potloodje en niet te vergeten mijn fotocamera. De groene blaadjes tonen zich vol kracht en trots, in de verte zie ik pasgeboren lammetjes en langs de kant van de bermen staat het fluitenkruid. De plant met de chique naam Anthriscus sylvestris wuift met de wind mee. Fluitenkruid heeft een magische aantrekkingskracht. In de buurt van het Oudland van Tholen stal ik mijn fiets en gebiologeerd aanschouw ik het kruid. Wit en fier rechtop laat het kruid me zien hoe het leven in elkaar zit. De schoonheid zit in de kleine dingen en is relatief. Het kruid verdwijnt haast zo snel als het op komt. En volgend jaar toont het zich weer. Wat een geruststellende gedachte.

Berichten

Vandaag heb ik twee berichten ontvangen. De eerste was vroeg in de ochtend en kwam van mijn zwager. Ik lag nog in bed een beetje te soezen. Opeens ging de telefoon. Het komt zelden voor dat mijn zwager me om 7.11 uur belt. Dat kon maar één ding betekenen. Zijn vriendin was bevallen van een zoontje. In de nacht ben ik van schoonzus gepromoveerd tot tante. Dat deed me meer dan ik in eerste instantie dacht. Na het bezoek aan het nieuwste lid van de familie, die ik ook even in mijn armen mocht sluiten, was ik er weer van overtuigd dat de wereld wonderlijk in elkaar zit en dat alles gebeurt zoals het gebeurt. Mijn zwager en zijn vriendin wilden heel graag een kindje. De eerste zwangerschap eindigde helaas in tranen en dat voelde ik met hun mee. Tijdens mijn verjaardag nodigde ik mijn schoonzus uit om samen met een paar vriendinnen een les Chi Neng Chi Qong te volgen. Op het einde, toen de energie rijkelijk aanwezig was in de huiskamer en positief gestemd, werd ons gevraagd een wens voor een ander te doen. Ik schreef op een kaart dat ik wenste dat mijn schoonzus en zwager verblijd zouden worden met een gezond kindje. Nog geen jaar later is de wens in vervulling geraakt en dat ontroerd me.

Het andere bericht was van een schrijversforum waar ik een blog naar toe had gestuurd omdat ze gastbloggers zochten. Ik voelde dat dit mijn kans kon zijn om mijn blog met een groter publiek te delen. Helaas was de reactie dat mijn blog niet was wat ze zochten. De twijfel sloeg hard toe, mevrouw Kritiek kwam uit de hoek en stormde naar voren. ‘Zie je nu wel. Ik heb het altijd al gezegd, dat wordt helemaal niets met jou en dat schrijven van je. Niemand wil het lezen. Niemand vindt het iets. Stop er nu maar mee.’ Ze bleef maar door gaan. En ik dacht aan mijn neefje. Ik dacht aan mijn kinderen en ik dacht aan dat alles gebeurt zoals het gebeurt. Ik kan ervoor kiezen om mijzelf naar beneden te halen door dit bericht of ik kan doorgaan en mezelf uitdagen. Dat laatste ga ik dan ook doen. Ik daag mezelf uit om een verhaal te schrijven en dit te delen via mijn blog. Niet zodat ik door anderen de waardering krijg die ik zoek. Ook niet omdat ik afhankelijk ben van de mening van een ander. Ik doe het omdat ik dit wil en kan.

Twee berichten op een dag die van alles in me losmaken. Wat een geschenk is dat. Het is niet iedereen gegeven. Wat fijn dat alles gebeurt zoals het gebeurt.

Justice

De boosheid van gisteren na het kijken van de eerste 8 afleveringen van “Making a murderer” is niet gezakt. In tegenstelling. De laatste twee afleveringen hebben het vuur opgelaaid. Daarin werd ook nog eens duidelijk hoe een zestien jarige jongen (de neef van Steven Avery) met beperkte verstandelijke vermogens tot het bekennen van afschuwelijke misdrijven werd gedwongen door politieagenten, met behulp van zijn eigen advocaat nota bene, en de rechters het allemaal prima bewijs vonden om de jongen te veroordelen tot sint juttemis.

Het onrecht druipt van het scherm. De hele wereld is getuige en wat maakt het uit. Geen bal, want Steven Avery zit in zijn cel zijn eigen zaak te bepleiten omdat hij in de tussentijd geen advocaat meer kan betalen. Elk beroep dat gedaan kan worden is afgewezen en inmiddels zit hij alweer 10 jaar vast voor een moord die hij overduidelijk niet gepleegd heeft. Hij zit al meer dan de helft van zijn leven in het gevang terwijl in die grote boze buitenwereld er een moordenaar rondloopt en een stel hele vieze agenten, officieren van justitie en rechters. Ongelooflijk schokkend vind ik dit allemaal. Dat zo een zaak zich afspeelt op zo een grote schaal in het land dat zich pretendeert beschaving te brengen naar de landen met bijvoorbeeld een ander geloof. Zij zijn de brengers van de democratie, terwijl hun eigen rechtssysteem zo rot is als een mand overjarige gekneusde appels.

Wat fijn dat deze mensen, Steven Avery en Brandon Dassey, niet vergeten worden. Dat zij onderwerp zijn van een documentaire die niet alleen het onrecht dat hen is aangedaan verbeeld, maar ook eens het systeem tegen het licht houdt. Een systeem dat door machtige mensen met veel invloed in stand gehouden wordt. Een systeem waar je als je arm bent niet met 1-0 achterstaat, maar met 10-0. Mijn ergernis zit m in die onrechtvaardigheid. In het idee dat mensen zoals Steven Avery niet passend zijn binnen een gemeenschap en dat dit soort mensen vakkundig geëlimineerd moeten worden uit diezelfde gemeenschap. Hup, weg ermee. Laat ze maar rotten in de cel, want het is zedeloos volk. Ze houden zich niet aan onze normen. Ze zien er niet uit zoals wij willen. Ze praten niet zoals wij willen. Ze gedragen zich niet zoals wij willen. Dus weg ermee.

Wat heeft de mensheid geleerd van al die oorlogen? Wat hebben we geleerd over uitsluiting? Discriminatie? Antisemitisme? Apartheid? Niets. Gewoonweg niets. Zolang wij elkaar bekijken vanuit status, zolang wij elkaar bekijken vanuit autoritaire gedachte “wij tegen zij” verandert er nooit iets. Zolang we elkaar niet zien als mensen, met eigen gevoelens, eigen gedachten, eigen wensen, dromen, zien we niet. We zien gewoon de ander niet. Erkennen hem niet. We zien dan niet dat aan de andere kant van de tafel een man zit van vlees en bloed die alle kansen van de wereld en al het geluk en liefde verdient.

Hulde aan de makers van de documentaire. Mijn hart is nu bij Steven Avery en Brandon Dassey. May justice be served.

Record

Vandaag heb ik samen met mijn lief een nieuw record behaald. Een record dat al lang in de planning zat, maar met kinderen in de buurt zelden haalbaar is. Na een paar pogingen kwam er een mogelijkheid. Opa en oma vroegen de kinderen te logeren. Gretig riepen we allemaal: ‘Ja, leuk’. Manlief en ik roken onze kans en grepen hem met beide handen vast. Dit was het moment, nu kon het eindelijk. We hadden alles in huis gehaald voor het record. Chips, nootjes, stuk kaas en worstjes. Voor het avond eten zouden we wat bestellen. Er lag voldoende hout voor de kachel klaar. Makkelijke kleding aan. Drinken stond binnen handbereik. De enige momenten dat we mochten pauzeren waren de sanitaire stops, want anders gaat het ruiken en dat moet je niet willen bij een recordpoging van deze omvang. Alles was dan ook piekfijn in orde. We waren er klaar voor. De recordpoging kon beginnen.

Om 14.00 uur zijn we begonnen en helaas moest manlief om 21.00 uur gaan werken en zijn we gestopt. Gestopt met non-stop naar één serie op Netflix kijken. Nou ja, het is niet echt een serie. Het is meer een documentaire. Alles wat je ziet is namelijk echt gebeurd en, om een understatement te gebruiken, schokkend. Ik wist van te voren waar het verhaal over zou gaan en heb de tip mee gekregen om rustig te blijven en aan deze 10 aflevering rijk zijnde documentaire te beginnen op een moment dat ik deze ook echt af zou kunnen kijken. Nou is het niet mogelijk de documentaire in 1 keer af te kijken, maar we zijn bijna bij het einde.

De documentaire heet “Making a murderer”. Het gaat over een man in de Verenigde Staten die beschuldigd wordt van verkrachting en mishandeling van een vrouw, een vooraanstaand lid van de gemeenschap. Alle bewijs wordt zo samengesteld dat de man in kwestie, Steven Avery, als schuldige wordt aangewezen. Hij wordt dan ook veroordeeld en na 18 jaar gevangenisstraf, ja 18 jaar, wordt hij vrijgesproken. Terwijl alle politieagenten ten tijde van zijn proces wisten, dan wel moesten weten dat hij onschuldig was. Dus 18 jaar heeft deze man onschuldig vast gezeten. Ik herhaal: 18 jaar heeft deze man onschuldig vast gezeten. Zijn leven is met zijn vrijheid van hem afgepakt. Zijn huwelijk is naar de klote gegaan en hij heeft zijn kinderen niet zien opgroeien. Gedurende 18 jaar heeft hij in een piepklein celletje zitten wachten tot iemand zijn onschuld zou aantonen. Al die jaren is zijn moeder hem elke dag komen opzoeken. 18 jaar lang.

Nadat blijkt dat hij er in geluisd is door de politie spant hij een civiele rechtszaak aan om de 18 verloren jaren en 18 jaren leed gecompenseerd te zien in dollars. Op het moment dat de rechter bijna klaar is om uitspraak te doen wordt hij opgepakt voor moord. Ongelooflijk. De kijker krijgt het hele proces te zien. Alles is gefilmd, dus het is net alsof je daar in de rechtszaal bent. Elk bewijsstuk, elke getuigenverklaring. En weer klopt er niets van. Steven Avery heeft geen alibi. Geen motief voor de moord. Er zijn geen getuigen. Verklaringen kloppen niet. De politie liegt. Er is gerommeld met bewijs. Nu heb ik zelf strafrecht gestudeerd en jaren bij een Nederlandse rechtbank gewerkt zodat ik ervaring heb met moordzaken. Het stelsel in de VS is anders, maar bewijs blijft bewijs en een man/vrouw wordt pas veroordeeld als schuld bewezen is. Met fascinatie kijk ik dan ook naar de advocaten die alles uit de kast halen om zijn onschuld overtuigend over te brengen op de jury.

Na maanden vertoefd te hebben in de rechtszaal komt er een einde aan de zaak en gaat de jury, want ja zo werkt dat in de VS -een jury van gelijken beslist of je levenslang weg rot in de gevangenis of dat je als vrij man naar buiten mag lopen- beslissen wat de uitspraak zal zijn. Na dagen beraad is de jury eruit: schuldig.

Ik ben woest. Manlief laat me achter in mijn razernij en nu moet ik maar proberen de woede te koelen op mijn toetsenbord. We hebben nog twee afleveringen te gaan, maar de hoop dat dit nog goed komt is vervlogen. Ook de twijfel slaat dan weer toe, misschien heeft hij het toch gedaan. Nee, dat kan niet, of….Morgen zullen we het weten. In ieder geval hebben mijn lief en ik wel ons record gehaald. Zeven uur, bijna non-stop, tv kijken in vrijheid is ook wat. Helaas heeft Steven Avery daar geen bal aan.