Berlijn (2)

Ik zou nog terugkomen op de vraag of ik me, net zoals Kennedy, ook ein Berliner voel. Mijn antwoord is kort: Nein.

De stad is bijzonder, de geschiedenis voelbaar, maar ik voel geen verbinding. In Parijs duizelt het van de schoonheid, in Bath werd ik gegrepen door Jane Austen, Wenen kent de mooiste gebouwen en zo kan ik nog meer steden omschrijven. Wat ze allemaal gemeen hebben is dat ze op een of andere manier mij betoveren. Dat ik al struinend door de straten mezelf inbeeld hoe het zou zijn als ik daar zou wonen. Dat ik me waan een Parisienne te zijn of een English lady aan de high tea.

Maar in Berlijn heb ik die gevoelens niet. Ik voel alleen maar hoe het is geweest. Die oorlog zit dieper in mijn genen dan ik dacht. Het maakt dat ik de stad er niet los van kan zien. Daarbij opgeteld de mentaliteit van de mensen die ik ben tegen gekomen, zorgt ervoor dat ik deze stad zonder traan ga verlaten. Helaas: ich bin kein Berliner.

 

Glimlach

Ik ben nu een paar dagen in Berlijn en er vallen me een paar dingen op. De gebouwen zijn enorm. Ik voel me klein en nietig. De geschiedenis wordt niet weggestopt, maar juist omarmd. Mooie gedenkplaatsen en indrukwekkende monumenten. Dat ontroert me. Ook is er uitstekend openbaar vervoer. Veel groen. Schoon. Allemaal prachtig.

Wat me daarentegen echt is tegen gaan staan is de mentaliteit van de mensen die ik heb ontmoet. Al is ontmoeten een groot woord. In een café wordt niet gevraagd of het eten heeft gesmaakt. Als je met een verloren blik op de stoep staat, krijg je geen hulp aangeboden. Mensen lopen tegen je aan zonder excuses. En erger nog…er wordt niet gelachen. Geen glimlach heb ik kunnen ontdekken. Dat is me echt opgevallen en tegengevallen. Wat kost zo een lach? Ik weet niet waarom het is, maar het maakt het bezoek wat grijs in plaats van roze met paars.

Morgen ga ik naar huis en weet al dat er stralende glimlachjes in alle kleuren van de regenboog zitten te wachten. Daar verheug ik me nu al op.

Dali

Vandaag ben ik naar een expositie van Dali geweest. Ik vind die man briljant. Ik ken vooral zijn schilderijen, maar nu stonden zijn  lithografieen in de spotlight. Daar bleek maar weer hoe fantastisch die man kon tekenen. Hij vertaalde zijn gedachten en fantasieën via zijn handen in beelden. De surrealistische kijk op de wereld blijft boeien. Ik raakte dan ook niet uitgekeken.

Waar ik erg om moest lachen waren de reclames waar Dali een hoofdrol in speelde. De manier waarop hij chocolade aanprees boezemde mij meer angst in dan lust in het bruine goud. Dali komt over als een excentrieke, beetje gekke, man. Maar dan wel een met een prachtige hand van tekenen en een uitmuntend commercieel inzicht.

Berlijn

Zus en ik zijn op stedentrip. Zonder mannen en zonder kinderen. Om vijf uur uit bed. Na amper geslapen te hebben stonden we in de vroegte en kou op het station. Alles verliep voorspoedig. Alleen dat mag ik niet zeggen, want volgens zussie roep ik dan hel en verdoemenis af op onze trip. Dat zegt ze uit ervaring.

Zus en ik reizen vaker. Niet zonder vertraging of andere ellende. Daar moeten we altijd om lachen.  Meestal tot ergernis van andere passagiers. Maar ja, ellende werkt gewoon sterk op onze lachspieren. Kunnen we niets aan doen.

Nu zijn we in Berlijn. We hebben een kamer waarin we ons mandarijntjes wanen. Oranje voert de boventoon. Ongelooflijk kitsch. Heerlijk. De badkamer heeft zelfs een gouden douchekop. Gekker moet het niet worden.

Zus en ik zijn nu moe. Onze eerste indruk van Berlijn is dat alles groots is en doorspekt met historie. Erg indrukwekkend.  Morgen gaan we meer ontdekken.  Wie weet eindigen we de trip met de legendarische woorden van wijlen Kennedy ” ich bin ein  Berliner “.

Rust

Afstand nemen zorgt voor rust. Mijn lichaam heeft op het moment twee dingen nodig. Twee op het eerste gezicht tegenstrijdige dingen, maar toch horen ze bij me. Rust en drukte.

Ik heb in het lijf en in mijn kop rust nodig en voed mijn inspiratie door de drukte op te zoeken. Op het moment dat de trein het spoor raakt, stopt en de deur voor me opent voel ik het binnenkomen. Veel mensen lopen langs me heen en voor me uit. Bijna raakt een vrouw in een mantelpak me aan. Blik op oneindig, druk pratend in haar telefoon. Hoofd iets schuin. Daarachter jongens die muziek draaien. Lachen hard. Een oude man zit op een bankje. Leest de Volkskrant. Ik hoor de roltrappen. Hakken. Trolleys. Gesprekken. De geluiden gaan gepaard met beelden. Het overvalt me niet. Ik ga er in mee en voel de rijkdom van de wereld. Al die verschillende mensen. Allemaal om en nabij mij. De inspiratie komt. Ik ga mooie dagen tegemoet. Wat levert het op? Dat is de vraag. Daar kom ik op terug.

Nelson

Mijn held zei ooit:

No one is born hating another person
because of the colour of his skin,
or his background
or his religion.

People must learn to hate,
and if the can learn to hate,
they can be taught to love,
for love comes more naturally
to the human heart than its opposite.

We hebben in de wereld meer mensen zoals Nelson Mandela nodig.
Sta op! Spreek je uit! Doe!

Emma

Ik ken iemand die een dochter heeft van 18 jaar en die een eetstoornis heeft. Dat heeft een enorme impact op het hele gezin. Eten is een beladen onderwerp en bewegen ook. Het meisje in kwestie telt calorieën, is een meester in rekenen geworden en weet alles over het menselijk lichaam zodat ze precies weet hoeveel calorieën ze inneemt en hoeveel ze in korte tijd weer uit haar lichaam kan werken.

Voor velen is eten een sociaal gebeuren. Je neemt aan tafel met elkaar de dag door. Ondertussen verbindt dat eten de gezinsleden aan elkaar. Er is een moment van rust en samenzijn. Misschien een ietwat romantisch beeld, maar wat ik zeker weet is dat eten verbroedert. Gezellig met vrienden naar een restaurant of uitgebreid koken, eten met de hele familie tijdens de Kerstdagen en als je jarig bent wordt er taart gehaald en chips en toastjes. Er is niet voor niets een televisieprogramma dat “Het diner” heet.

Als eten je vijand is dan vallen ook de sociale verbindingen weg. Erg ingewikkeld is dat. De moeder in kwestie heeft het er zichtbaar moeilijk mee. We praten af en toe over de situatie en ik krijg dan een flard mee van wat ze meemaakt: gesprekken met therapeuten, opname in een kliniek, therapieën, streefgewicht versus gezond gewicht etc.

Om meer beeld bij de problematiek te krijgen besloot ik gisteren naar de documentaire “Emma wil leven” te kijken. Van te voren had ik al een kort fragment gezien en was min of meer voorbereid op wat er zou worden vertoond. Emma, een knappe jonge meid van 18 jaar, voert een strijd op leven en dood. Het begint als ze 12 jaar is en een koekje bij de thee laat liggen. Later blijkt dat ze haar brood op school weggeeft en valt ze steeds meer af. De diagnose anorexia wordt snel gegeven en behandelingen volgen. Niets werkt permanent. Ze knapt soms een tijdje op en dan sleurt het monster van de ziekte haar weer verder mee de schaduw in. Ze wordt opgenomen en krijgt op een gegeven moment zelfs gedwongen voeding toegediend. Vastgenageld aan het bed zodat ze niet heen en weer gaat lopen om de ingebrachte calorieën weer te verbranden.

De documentaire laat Emma zien, haar ouders en vriendinnen, artsen en behandelaars komen aan het woord. Je ziet Emma afglijden en uiteindelijk de strijd verliezen. De hele tijd zit ik te huilen. Wat me het meeste raakt is dat ze op een bepaald moment, als ze echt ver is afgegleden en de dood aan haar trekt, besluit om het gevecht nog een keer aan te gaan. Een week later overlijdt ze, totaal uitgemergeld en uitgeput. Haar lichaam is op.

Emma wil een inspiratie zijn voor anderen en met haar beelden discussie opstarten. Wat mij betreft is ze geslaagd in haar missie. Ik heb diep respect voor deze jonge dame. Ze hield haar hoofd recht, bracht de nodige humor in haar leven en was ontzettend intelligent. Het beeld dat ik had over meiden met anorexia is veranderd. Dit is geen ziekte. Dit is een monster en wat hij wil is vernietigen. Bij Emma is dat gelukt. Nu hoop ik dat al die jongens en meiden die dit monster in zich hebben, het in de bek kunnen kijken en op tijd beslissen de strijd aan te gaan.

Charlotte

Morgen gaat onze dochter voor het eerst naar tennis. Ze zag pappa op het veld en besloot dat ze dat ook wilde doen. Ze is nu zes jaar en in de tenniswereld wordt dat gezien als een mooie leeftijd om te beginnen. Ik ben benieuwd. Voor tennis moet je volgens mij beschikken over verschillende kwaliteiten: snelheid, inzicht, hand-oog coördinatie en balgevoel. Voor zover ik het kan zien beschikt dochter lief alleen over het eerste. Ach ja, ergens moet je beginnen.

Daar aan denkend (aan die tennisles en aan ergens beginnen) kwam ik Charlotte Cooper tegen. Eerlijk gezegd had ik nog nooit van haar gehoord, maar zij is wel één van de belangrijkste vrouwen geweest die vrouwen een plaats heeft gegeven in de tennissport. Charlotte Reinagle Cooper werd op 22 september 1870 in Middlesex, Engeland, geboren. Al op jonge leeftijd werd zij lid van de lokale tennisclub. In 1895 won zij haar eerste Wimbledon titel. Die titel zou ze in totaal vijf keer binnen slepen. Ze beoefende haar sport in een enkellange jurk (Victoriaanse stijl).

Charlotte was lang, slank en elegant. Op het oog een schone dame, maar ze was bijzonder sterk. In 1900 werden de Olympische Spelen georganiseerd. Dit waren de eerste Spelen waar vrouwen ook werden toegelaten, zij het beperkt want alleen golf en tennis waren beschikbaar voor de dames. Charlotte kwam, zag en overwon. Als eerste vrouw won ze een gouden medaille bij het enkelspel. Daar bleef het niet bij. Met Reginald Doherty won ze ook nog eens goud bij het gemend dubbel.

Charlotte is voor mij een held. Ze trouwde, kreeg kinderen, zorgde voor haar gezin en op 37 jarige leeftijd won zij haar vijfde Wimbledon titel in het enkelspel. Geweldige prestatie voor die tijd en in die kleren. Je kunt je toch niet voorstellen dat je hartje zomer op Wimbledon staat in een korset met lange jurk je benen uit je lijf te lopen en je armen uit de kom te slaan voor een stevige pot tennis.

Morgen gaat een meisje van zes voor het eerst een tennisveld betreden in een korte broek, T-shirt en sportieve makkelijk zittende schoenen. Geen weet van de lange weg die voor haar is bewandeld door diverse vrouwelijke tennissters. Wie weet reizen we in 2028 naar een mooi land om tijdens de 31ste editie van de Zomerspelen dochterlief aan te moedigen en komen we terug met goud. Wie weet…

 

 

Lui

Iedereen heeft zo zijn persoonlijke ergernissen. Ik ken iemand die gruwelt van mannen met loszittende sjaaltjes, hoge over de broek geschoven laarsjes en die exemplaren die in een Volvo rijden (ook vrouwen tellen in deze laatste categorie mee).

Ik ken ook iemand die een afschuw heeft van domme mensen. Mensen die een vraag beantwoorden met ergens in de zin: “Nou ja, dat is gewoon zo. Toch?” Nu ben ik zelf ook niet zo gecharmeerd van dergelijke antwoorden, maar om deze mensen nu gelijk te verbannen naar een koud oord zoals Siberië vind ik wat overdreven.

Ook zijn er mensen die de luchtjes van andere mensen walgelijk vinden. Niet een beetje vervelend of naar. Nee, echt walgelijk. Dat is ook best extreem.

Ik heb ook zo mijn ergernissen en hoog op nummer 1 staat iets wat niets met mensen te maken heeft, het is zelfs niet door mensen gemaakt en dat is: kant en klare magnetron maaltijden. Ik zal er gelijk bij schrijven dat ik het zelf uitlok en het allemaal mijn schuld is, om dat wat ik net heb geschreven gelijk glashard te ontkennen. Ik heb al eerder verklaard dat ik geen keuken prinses ben. Schaam ik me niet voor. Ook ben ik wat koken betreft zeer lui aangelegd en ben echt van mijn gemak gediend. Als manlief, die dus altijd kookt en er ook voor zorgt dat onze kinderen verantwoord voedsel binnen krijgen, ’s avonds aan het werk is, dan moet ik dus voor voedsel zorgen. Nu weet ik ook wel dat elke dag friet eten echt niet kan. Wel lekker trouwens. Met een broodmaaltijd is niets mis, maar toch ben ik wat ouderwets en vind ik dat het diner warm moet zijn of in ieder geval een paar warme elementen moet bevatten. Dus, zo gemakzuchtig als ik ben, ging ik naar de supermarkt en kocht kant en klare boerenkool stampot voor in de magnetron. Klein worstje erbij en klaar. Als pappa boerenkool klaarmaakt smullen de kinderen er van. Dat moest goed komen, dacht ik.

Ik prikte zorgvuldig een paar gaatjes in de verpakking, magnetron op standje 600 W en hupsakee. Een kind kan de was doen. Na een paar minuten haalde ik de stomende maaltijd er uit, worstje erin en schepte ik de borden goed vol. Dochterlief nam een hap en haar gezicht betrok. Ze moest nog net niet kokhalzen. Ik vond eerlijk gezegd dat ze zich aanstelde en spoorde (maande eerder) haar aan om door te eten. Toen nam ik een hap. De zachte prut vond zich een weg naar beneden en het enige wat ik dacht was (excuseer mijn taalgebruik: maar ik dacht het alleen, sprak de woorden niet hardop) “Godsklere wat is dit allemachtig smerig”. Na de tweede hap dacht ik dat ik over mijn nek moest. Echt heel erg vies. Alles was vies: de smaak, de geur, textuur. Ongelooflijk.

Ik keek mijn kinderen aan en gaf ze groot gelijk dat ze hun bord niet leeg wilden eten. Na het eten werd ik steeds bozer. Op de verpakking staat “heerlijk verse boerenkool met aardappelpuree”. Beloofd wordt dus dat alles vers is. Nou niet dus. Dit is een schande. Een schande voor de boer die dag in dag uit ploegt op het land om de mooiste boerenkool te kweken. Schande voor de aardappelboer dat zijn aardappelen zo verkracht worden. En natuurlijk ook een schande voor de consument. Die luie consument die voor veel te veel geld een kant en klare verse maaltijd koopt die linea recta de prullenbak in gesodemieterd wordt. Zelfs de prullenpak had er moeite mee en die is wel wat gewend zou je zo zeggen.

Ik heb weer een les geleerd: luiheid wordt duur betaald.

Herfst

Ik zit aan de keukentafel en ben aan het werk. De kinderen spelen schooltje en ik hoor dat er goed geluisterd wordt in de klas. De complimenten vliegen door het geïmproviseerde klaslokaal. Er wordt vooral veel voorgelezen en af en toe komen de hulpjuffen vragen wat er staat. “Mam, wat betekent eigenlijk in je nopjes zijn?” Dat soort vragen vind ik altijd ontroerend, want deze kleine mensen ontdekken telkens weer iets nieuws. Mooi vind ik dat.

Ik probeer zelf ook telkens weer iets nieuws te ontdekken. Niet vast blijven zitten in wat ik weet, denk te weten of zie en ervaar. Overboord met al die kennis en op zoek naar nieuwe inzichten. Daarom lees ik ook zo veel. Dat verrijkt me. Ik ga op reis, loop door New York en ontmoet allerlei mensen zonder maar van mijn stoel te komen. Natuurlijk is dat niet zo als in het echt, want dat is vele malen beter. Echte mensen ontmoeten, nieuwe contacten aangaan en andere gesprekken voeren.

Vrijdag had ik een gesprek met een vader van school. Hij hangt een geloofsovertuiging aan waar veel mensen in mijn omgeving lacherig over doen. Ik betrapte mezelf ook op een sterk vooroordeel. Dat geleuter over God en de Bijbel. Ik voelde weerstand. Die liet ik gaan en ik luisterde naar zijn oprechte verhaal. Geen verhaal om mij te overtuigen, maar zijn verhaal. En dat verhaal ging kort gezegd over niets anders dan verbinding. Datzelfde verhaal hoorde ik Jesse Klaver aan tafel bij De Wereld Draait Door verkondigen. Een verhaal die ik zelf ook al meerdere malen heb verkondigd of heb opgeschreven in een blog.

Daar gaat het volgens mij om: verbinding. Voel je verbinding dan voel je automatisch respect en begrip. Dan sta je open en luister je met aandacht. Terwijl ik dit opschrijf loeien de bomen om me heen. De wind blaast de blaadjes in de tuin omhoog, alsof ze dansen. Om elkaar heen. Binnen is het warm, er wordt druk voorgelezen en ik tik dit stukje. Wat heeft de herfst met verbinding te maken? Ik weet het niet. Is het dat je meer binnen bent en dichter op elkaar zit? Of zijn het de donkere dagen die ervoor zorgen dat je meer aan anderen denkt of de tijd hebt om te schrijven, lezen, te zijn? Voor iedereen zal het wel anders zijn, maar voor mij betekent de onstuimigheid van de herfst de bevestiging van het samenzijn en die bevestiging zorgt voor een diep gevoel van verbinding. Volgens mij het antwoord op elke vraag.