Groen

Een ode aan groen. Niet alleen aan de kleur, maar ook aan waar groen voor staat en de letterlijke vertaling van groen. Ik heb ooit eens een avond met allerlei dames doorgebracht bij de wereldwinkel. Daar hadden ze een ladies night georganiseerd. Er kwam een mevrouw die aan de kleur van je huid, haar en ogen kon vertellen wat voor een “kleuren type” je bent. Ik ben een koel en helder type. De woorden kwamen en resoluut en kordaat uit en ik geef de vrouw geen ongelijk. De kleuren blauw en groen staan het beste bij me. In mijn persoonlijkheid herken ik ook wel koel en helder. Verbaal ben ik vaak helder en naar mensen die ik niet zo goed ken koel en in crisissituaties ben ik koelbloedig.

Groen geeft rust. Uit diverse wetenschappelijke studies blijkt dat alleen al kijken naar een plaatje van een boom of iets anders met de kleur groen dat de stresshormonen in je lichaam dalen. Dat is toch fantastisch. Ik zit graag in het park of wandel in het bos. De extra zuurstof geeft me kracht. Al die kleuren groen, een werelds palet. Schitterend. Ik raak nooit verveeld. Groen geeft mij vertrouwen.

Groen is overal te vinden in mijn huis en (oh nee daar komt de leeftijd) nu ik ouder begin te worden en meer behoefte heb aan rust, wil ik me ook steeds meer omringen met groen. Mijn slaapkamer heeft een groen plafond, de schouw heeft de kleur “drakengroen” en mijn dopper (steun en toeverlaat) is ook groen. Verder heb ik veel groene kleren, een groene koekjestrommel en drink ik hele dagen groene thee.

Het fysieke groen is een ander verhaal. Ik heb graag bloemen in huis, maar met hooikoorts blijven ze in de lente- en zomermaanden vaak niet langer dan twee dagen in huis staan. Dus ik heb besloten meer planten te adopteren. Dat lijkt aardig, maar meestal draait het uit op een kortdurende adoptie waarbij het kind vroegtijdig te grave wordt gedragen. Ah wat cru.

Ik ben dus dol op groen, baad me in groen, ben zelfs een groen type, maar het ontbeert aan groene vingers. Telkens doe ik weer een poging, koop het meest onderhoudsarme plantje dat er te krijgen is en blijf na een paar maanden vaak moederziel alleen achter. Hoe komt dat toch? Geef ik ze te veel water? Of te weinig? Praat ik niet genoeg? Dat kan ik me niet voorstellen, gelet op mijn bijnaam die ik van mijn huisgenoten heb gekregen, namelijk “praatmonster”. Vandaag heb ik besloten opnieuw een poging te wagen. Ik was met de kinderen bij Intratuin en zag een super mooi plantje met een soort pioenroos-achtige bloemen er in. Ik was op slag verliefd. Hup in het mandje. Verderop zag ik van die ieniemienie vetplantjes staan en die mochten ook mee.
Thuis aangekomen heb ik eerst de hele inrichting op zijn kop gegooid. Jawel, voor drie mini plantjes en een plant waarvan ik niet eens de naam weet, moet alles anders. Heb alles stylish verantwoord weggezet en voelde me volmaakt gelukkig. Ik zweefde zowat.

Nadat ik weer was geland, kwam ik tot mijn positieven en begon mijn brein mij vragen voor te schotelen. Kan die plant wel voor het raam? Geen idee, op het etiket staat een halve zon. Wat betekent dat eigenlijk? Ach, dat zal vast wel goed komen. Zo voor het raam (in de felle zon)  kan iedereen er van genieten. En die ieniemienie plantjes, willen die eigenlijk ver van het licht af staan? Of juist voor het raam. Maar dat kan nu echt niet meer, want dat zou de compositie verpesten. Ze staan namelijk gedrieën op een houten robuuste plank op de eettafel. De een in een frame van koper staal, de ander in een theekopje van oma en de derde in een klein chinees blauw met wit vaasje. Ik geloof dat ik begin in te zien waar het mis gaat. Kennis. Ik weet gewoon niets over planten. Ook niet over bomen. Ik aanschouw al het prachtig zonder enig besef waarnaar ik kijk. In de verzorging van mijn planten doe ik maar wat. In de naïeve gedachte dat als je het goed bedoelt het ook wel goed zal uitpakken. Misschien toch eens een boekje aanschaffen met de titel “verzorging van planten voor dummies”. Zolang dat boekje maar groen is.

 

 

Bruidsjurken

Het is vandaag voor het eerst dat ik een halve geschreven blog niet publiceer maar met één druk op de knop de digitale prullenbak in flikker. Excuseer mijn taalgebruik. Ik wilde schrijven over regels, maar vond het na de helft genoeg gezeur en het minst boeiende dat ik ooit had neergelegd in woorden op dit forum. Dan iets over opvoeden misschien? Nee, ook niet. Ik heb geen zin in een klaagzang. Natuurlijk zou ik kunnen schrijven dat ik na het woord “mamma” vandaag in twee uur tijd minstens vierenvijftig keer voorbij heb horen komen, te moe ben om nog een reactie te geven aan mijn kinderen, maar dat doe ik niet. Ik wil niet zeuren over mijn kinderen of klagen over het weer, mijn vermoeidheid en de poep die al dagen aan het roeren is in mijn darmen en het eindstation maar niet kan vinden.

Puf. Nee zeg, kom op. Het leven moet gevierd worden. Leuk en aardig allemaal, maar vanavond kan ik gewoon mijn slingers niet vinden en heb ik geen zin om een ander daarmee te belasten.

Als ik een dergelijke mentale staat bereik zoals hierboven dan helpen altijd een paar dingen: thee drinken, chocolade eten (maar gelet op de lijn en vooral die ik graag zou willen bereiken -een iets minder ronde- is dat niet voor handen) naar een schilderij van Modigliani kijken, Janis luisteren en TLC kijken. Echt waar, hoe zwaarder mijn gemoed hoe luchtiger de programma’s die ik kijk. Ergens komt er dan weer een balans. Mijn voorkeur gaat uit naar programma’s over bruidsjurken. Ik vind ze allemaal even lelijk en alle dames even hysterisch, maar ik smul er zo van. De budgeten die de dames spenderen aan een stuk stof is buiten proportioneel. Afrikaanse landen kunnen met dat geld uit de armoede komen. En dan te bedenken dat de dames de jurk één dag aan hebben en dan vervolgens na gemiddeld 26 maanden weer gaan scheiden. Het bekijken van dermate infantiel, kinderachtig en diva-gedrag zorgt ervoor dat ik weer helemaal opbeur.

Dus wat ik nu ga doen is de laptop rust gunnen, een kop thee zetten en TLC aanzetten. Op naar de andere kant van de wereld.

 

Verder

De dag is lang
de zon staat hoog
niet eerder gezien
dat de wereld boog

anders kijken maakt
de kleuren bonter
vormen verschijnen
gepraat in de diepte

inhoud gaat over in vorm
steeds in beweging
stop niet nu ik je vraag waarom

geef ook geen antwoord

laat de vraag er maar zijn
morgen is de dag korter
trek ik weer verder.

Ei

Zwart-wit bestaat niet
gedachteloos staren naar een scherm
het leven leeft niet
mag ik wat zout voor mijn ei
de banaliteit van een vraag
leeft de vraag

sporen raken soms bijster
boeit me niet
raakt me niet meer
want de zon laat alles sidderen
het ei bakt aan

verschroeide verzwaarde lucht
aarde zwart en rafelachtig rauw
handen koud en toch ook heet
verbrand ei in de wasbak

nu neerzitten met die pakken
maakt alles verwarrend
toch maar weer een ei proberen

in de pan gehakt
de clichés afgeworpen

doorbakken wit-geel, wat een bestaan.

Geland

Vanmiddag lag ik op bed wat te piekeren. Dat doe ik regelmatig. De onderwerpen zijn meestal: werk, lichaam, vriendschappen, de wereld in het algemeen, honger en oorlog in het bijzonder, gezin, kinderen en terroristen. Nou ja, dat gepieker leidt tot niets totdat ik leerde mijn innerlijke stem te gebruiken. Ik pieker over een onderwerp, stel een vraag en wacht rustig af op het antwoord. Gek genoeg komt er altijd een antwoord en dat antwoord kan ik vertrouwen. Dat voelt goed.

Ik lag daar zo een beetje te denken aan mijn werk en de toekomst en het schrijven. Een stem zei met een rustige stem: ‘jij vlucht altijd.’ Oké, heftig, maar wel waar. Ik vertoon snel vluchtgedrag. Niet in mijn relatie, maar wel in mijn werk, vriendschappen, wensen, passies. Zodra iets te moeilijk wordt of juist routine dan ben ik weg. Ik heb nog nooit ergens langer dan vijf jaar gewerkt. Ik zit nooit langer op yoga dan een tien-rittenkaart. Ik schilder nooit meer dan 1 schilderij. Ook als ik teleurgesteld raak in een vriendschap verlies ik de moed en durf om door te zetten, de pijn te doorleven en nieuw leven in die vriendschap te blazen. Ik vertrek dan op hoge snelheid met een enkeltje in mijn broekzak.

Het schrijven lukt me tot nu toe nog steeds elke dag, maar ik vind dat de schrijfsels diepgang missen. Of misschien niet per definitie diepgang, maar kwaliteit. Ik weet niet goed hoe ik het moet omschrijven. Het gaat er om dat ik vaak snel een stukje wegzet en vlucht. Ik ga niet door, terwijl als ik door zou gaan ik beter werk kan afleveren. Dat gebeurt in mijn betaalde baan ook. Ik weet veel over verschillende onderwerpen, maar verdiep me niet tot het gaatje, terwijl dat soms juist nodig is om van een allesweter een gerespecteerde alleskunner te worden.

Waar komt dit vluchtgedrag vandaan? vroeg ik de stem. Het antwoord: ‘door de dood van je vader leef je met het besef dat het elk moment voorbij kan zijn en dus doe je alles snel en oppervlakkig.’ Wauw, in de roos. Dat klopt. Mijn vader stierf geheel onverwacht. Ik was 13. Hij was 35 jaar jong. Geen afscheid is me gegund, geen wijze levenslessen en geen vertraging. Alles of niets. Het begint me te dagen. Alles wat er in mijn leven van de spoorrails is ontspoort is terug te herleiden naar de dood van mijn vader. Nu zijn we 26 jaar verder en is het tijd die trein netjes te laten sporen. Ik wil ook graag sporen en niet langer vluchten.

Bruut word ik uit mijn overpeinzingen geschud door een hard geschreeuw beneden. Ik ren naar beneden, storm de woonkamer in en tref daar een hysterische man aan. Wat is er aan de hand, roep ik. Hij kijkt verdwaasd naar me op met een blik in zijn ogen “Oh, je bent er ook nog.” Hij springt heen en weer, trekt zijn shirt uit en begint keihard te roepen: ‘Jaaaahaaaa, boeren, boeren. Het is stil in Amsterdam. We zijn kampioen. Kampioenen, kampi kampioenen.’

Wat is het toch fijn om weer met beide benen op de grond te belanden en te beseffen dat al dat gepieker en gevlucht nergens toe leidt. Dit is waar ik moet zijn. Dit is het moment. Nu leef ik. Nu schrijf ik en nu ga ik een patatje eten met mijn lief die inmiddels ook weer geland is.

Meedogenloos

Een blog over eerlijkheid is voor mij net zoals een gedicht voordragen naakt op de Markt met om me heen honderd mensen. Ik stel mezelf regelmatig de vraag of ik eerlijk ben. Eerlijk naar mezelf, naar mijn omgeving.

Het antwoord is volmondig ‘Nee’, want als ik eerlijk zou zijn dan zou ik geen omgeving meer over houden. Toch hoort een schrijver meedogenloos te zijn. Ik las in een interview met Karl Ove Knausgard (Noorse schrijver) dat er een gouden regel is: hoe meedogenlozer je durft te zijn, hoe beter de roman wordt. Dus moet je jezelf de vraag stellen ‘Hoe nietsontziend wil je zijn?’ Dat betekent dat je als schrijver niet aan de consequenties moet denken. Je moet dus schrijven alsof je niets en niemand te verliezen hebt. En dat, dat precies vind ik doodeng. Ik durf niet aan het papier toe te vertrouwen hoe ik echt over mijn baas denk of over mijn buurvrouw of over mijn moeder. Want stel je voor dat ze het lezen en? Ja, en wat? Dat ze boos worden. Durven leven met een mogelijke confrontatie vind ik, in tegenstelling tot het beeld dat veel mensen van me hebben en het beroep dat ik uitoefen, doodeng. Ben ik dan toch een watje? Een pleaser (vergeef me het Engelse woord)? Of durf ik de angst in de ogen te kijken en meedogenloos te zijn. Alles voor het verhaal. Is het dan nodig dat ik ter biecht ga of is het voldoende om mijn openbaringen in een verhaal te verpakken?

Lastige vragen allemaal en als ik eerlijk ben weet ik gewoonweg niet de antwoorden. Misschien wordt het tijd voor een experiment. Ik ben al begonnen aan een nieuw verhaal. Dat ik als werktitel de enorme inspiratieloze titel heb gegeven: Verhaal 2. Wauw, wat een trekker. Het speelt zich af in 1988. Een meisje vertelt het verhaal. Misschien ben ik dat, maar misschien ook niet. Dit meisje krijgt van mij een stem en die stem is eerlijk en meedogenloos. Haar moeder verwaarloost dit meisje en haar stiefvader zit met haar opgezadeld. Ze heeft een plan, maar hoe pakt dit uit? Gaat ze het redden?

Dat weet ik nog niet, maar wat ik wel weet is dat dit meisje probeert op een verdomd eerlijke manier elke dag haar kop boven water te houden, haar demonen te verjagen en het beest van angst in de bek te kijken. Dat is op zijn zachts gezegd behoorlijk meedogenloos.

 

Haarweer

Alhoewel ik van mezelf vind dat ik een opgewekt en positief mens ben, word ik (gek genoeg) van de eerste warme zonnige dagen altijd wat neerslachtig. Hoe dat nu precies komt weet ik niet. Mijn tempo, mijn levensritme past gewoonweg niet goed in het tropische klimaat. De zon is allesomvattend, niet te stoppen en vooral nietsontziend. De eerste lente zonnestralen die omarm ik. Ik laat mijn huid warm worden alsof het al die tijd in de winterse kou (nou ja, echt koud is het niet geweest) geleden heeft onder het juk van de wind. Dan zit ik in de tuin en geniet ik van die zonnestralen en de vogels die vrolijk kwetterend en twitterend zonder mobiel om me heen zingen.

Maar zodra de thermometer een temperatuur aangeeft dat boven de vijfentwintig graden is dan verlam ik. Ik word sloom, vergeet van alles, stoot me tien keer tegen de zelfde tafelpoot, laat van alles vallen en moet dan oneindig keer bukken om het weer op te rapen en mijn haar zakt in elkaar. Mijn haar is dik, en nu ga ik geen woordgrapje of toespeling maken dat mijn haar symbool staat voor de rest van mijn lichaam, en zwaar. Er is nu eenmaal een wet die zegt dat dik en zwaar haar futloos wordt in de warmte. De eigenaresse van dat haar kijkt dan in de spiegel en ziet de kuif die binnen fier rechtop stond met de nodige gel, haarlak en schuim, nu inzakt als een overjarige cheerleader met dode pompons. Redelijk dramatisch aanblik. Nu kan ik, de eigenaresse, ervoor kiezen om nog meer gel, schuim, haarlak of wat dan ook in dat haar te stoppen, maar gelet op mijn futloosheid en neerslachtigheid heb ik daar geen puf voor. Haar zakt nog wat verder in en de neerwaartse spiraal is een feit. En dan te bedenken dat het nog maar Mei is en de zomer nog moet komen.

Ik ging ooit met mijn lief rondtrekken door Noorwegen en Finland. Dat zijn mijn landen. De natuur is wonderschoon. Ik heb daar rondgelopen in gebieden die zo uit de films van Lord of the Rings konden komen. De mensen zijn vriendelijk. De huizen van hout zijn mooi en kleurrijk en er is overal rust en ruimte. Ook in die landen kan het warm zijn. We hebben daar ook regelmatig 25 graden voorbij zien komen (jazeker 25 graden Celsius) maar je voelde daar dan altijd een koelere, verkoelende, lucht doorheen. Heel zuiver en puur voelde dat aan. Ik vond dat geweldig en sterker nog, mijn haar bloeide op. Fief en kwik bewoog zij voort. In haar nopjes zo gelukkig was zij. Maar om voor haar nu te gaan emigreren, dat vind ik nog al ver gaan. Ik zucht gewoon een paar keer extra, stop nog maar eens wat gel bovenop het bolletje en droom af en toe naar de bergtoppen van Noorwegen. Voor dat je het weet regent het weer. En dat vindt het haar ook niets. Het is ook nooit goed voor haar.

 

Opa

Mijn opa was een bijzonder mens, niet per definitie in de goede zin van het woord. Hij was nors, boos en kortaf. Als kind had ik niet door dat hij mijn oma pijn deed. Ik wilde altijd kijken naar mijn opa. Dan keek ik naar zijn kromme rug, zijn achterover gekamde haren die telkens naar voren vielen en naar zijn helblauwe ogen. Die staarden altijd kil en koud terug. Ook keek ik met mateloze fascinatie naar zijn gebit. Een paar tanden boven en een enkele onderin. Ik vroeg me altijd af of ze tijdens het eten of praten er allemaal opeens uit zouden vallen. Dat gebeurde niet.
Ik kan me niet herinneren dat hij veel lachte. Af en toe een glimlach rond de lippen, maar ik heb hem nooit betrapt op een lachsalvo. Waar ik hem wel op betrapte, zeer regelmatig, was op het roken van een shagje. Stiekem sloop ik naar binnen, de voordeur was altijd van slot en ik wist de knop zo te draaien dat hij geen geluid maakte. Ik sloop dan door de hal naar achteren en riep van een afstand “Hé opaatje, wat ben je aan het doen?” Die schrik in zijn ogen maakte dat ik dubbel viel op de grond van het lachen. Van mijn moeder mocht ik dat nooit meer doen, maar als ik de kans kreeg deed ik het toch. Roken was dodelijk voor mijn opa, omdat hij longemfyseem had. Hij hoestte soms zo hard en lang dat er bloed mee kwam. In een potje naast zijn stoel verzamelde hij zijn slijm. Echt heel fascinerend vond ik dat allemaal.

Later begreep ik pas hoe het kwam dat opa altijd krom liep, pijn in zijn rug had en zijn longen uit zijn lijf hoestte. Hij was kapot geslagen in de oorlog. Letterlijk kapot gemaakt door de Duitsers. Hij had als dwangarbeider gewerkt aan een spoorlijn en als hij niet hard genoeg werkte dan werd hij met stokken op zijn rug geslagen. Hij had in de mijnen gewerkt en door de stof die hij daar inademde, dagen en nachten lang, en de ondervoeding had hij verrotte longen gekregen. Daarnaast was mijn opa ook emotioneel gebroken, kapot gemaakt. Hij kwam getraumatiseerd uit Duitsland (gevlucht) en ging even getraumatiseerd vijfenveertig jaar later dood. Heel weinig werd er over die tijd in de oorlog gesproken. Flarden ving ik op. Dat hij kameraden overgoten met fosfor brandend dood had zien gaan. Dezelfde kameraden renden na de oorlog brandend door de straat in de nachtmerries van opa. Dat hij gevlucht was en al zijn papieren kwijt raakte en bij de Nederlandse grens terug gestuurd werd. Nooit vertelde hij wat er toen gebeurde, maar hij kwam thuis.

Elk jaar gingen wij naar de dodenherdenking. Ik stond dan naast hem. Hij wilde niet te dicht bij het monument staan en zei de hele tijd niets. Ik zweeg met hem en samen voelden we de pijn. Ik voelde zijn verdriet. Als klein kind stond ik naast hem, als groter kind stond ik naast hem en als jonge vrouw ook. Jarenlang waren wij samen stil. Er was nooit een moment dat de pijn milder werd. Eenmaal kapot, was niet te herstellen.

Vandaag vieren we bevrijdingsdag. Mijn opa is al enkele jaren dood. Hij is nooit bevrijd. Vandaag denk ik aan hem.