Opa

Mijn opa was een bijzonder mens, niet per definitie in de goede zin van het woord. Hij was nors, boos en kortaf. Als kind had ik niet door dat hij mijn oma pijn deed. Ik wilde altijd kijken naar mijn opa. Dan keek ik naar zijn kromme rug, zijn achterover gekamde haren die telkens naar voren vielen en naar zijn helblauwe ogen. Die staarden altijd kil en koud terug. Ook keek ik met mateloze fascinatie naar zijn gebit. Een paar tanden boven en een enkele onderin. Ik vroeg me altijd af of ze tijdens het eten of praten er allemaal opeens uit zouden vallen. Dat gebeurde niet.
Ik kan me niet herinneren dat hij veel lachte. Af en toe een glimlach rond de lippen, maar ik heb hem nooit betrapt op een lachsalvo. Waar ik hem wel op betrapte, zeer regelmatig, was op het roken van een shagje. Stiekem sloop ik naar binnen, de voordeur was altijd van slot en ik wist de knop zo te draaien dat hij geen geluid maakte. Ik sloop dan door de hal naar achteren en riep van een afstand “Hé opaatje, wat ben je aan het doen?” Die schrik in zijn ogen maakte dat ik dubbel viel op de grond van het lachen. Van mijn moeder mocht ik dat nooit meer doen, maar als ik de kans kreeg deed ik het toch. Roken was dodelijk voor mijn opa, omdat hij longemfyseem had. Hij hoestte soms zo hard en lang dat er bloed mee kwam. In een potje naast zijn stoel verzamelde hij zijn slijm. Echt heel fascinerend vond ik dat allemaal.

Later begreep ik pas hoe het kwam dat opa altijd krom liep, pijn in zijn rug had en zijn longen uit zijn lijf hoestte. Hij was kapot geslagen in de oorlog. Letterlijk kapot gemaakt door de Duitsers. Hij had als dwangarbeider gewerkt aan een spoorlijn en als hij niet hard genoeg werkte dan werd hij met stokken op zijn rug geslagen. Hij had in de mijnen gewerkt en door de stof die hij daar inademde, dagen en nachten lang, en de ondervoeding had hij verrotte longen gekregen. Daarnaast was mijn opa ook emotioneel gebroken, kapot gemaakt. Hij kwam getraumatiseerd uit Duitsland (gevlucht) en ging even getraumatiseerd vijfenveertig jaar later dood. Heel weinig werd er over die tijd in de oorlog gesproken. Flarden ving ik op. Dat hij kameraden overgoten met fosfor brandend dood had zien gaan. Dezelfde kameraden renden na de oorlog brandend door de straat in de nachtmerries van opa. Dat hij gevlucht was en al zijn papieren kwijt raakte en bij de Nederlandse grens terug gestuurd werd. Nooit vertelde hij wat er toen gebeurde, maar hij kwam thuis.

Elk jaar gingen wij naar de dodenherdenking. Ik stond dan naast hem. Hij wilde niet te dicht bij het monument staan en zei de hele tijd niets. Ik zweeg met hem en samen voelden we de pijn. Ik voelde zijn verdriet. Als klein kind stond ik naast hem, als groter kind stond ik naast hem en als jonge vrouw ook. Jarenlang waren wij samen stil. Er was nooit een moment dat de pijn milder werd. Eenmaal kapot, was niet te herstellen.

Vandaag vieren we bevrijdingsdag. Mijn opa is al enkele jaren dood. Hij is nooit bevrijd. Vandaag denk ik aan hem.

Auteur: schrijfbianca

Ik schrijf, dus ik ben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s