Zon

Warme stralen verlammen mijn benen
ik kijk naar beneden
het zicht is te fel
het leven te confronterend om aan te kijken
recht in haar smoel

De warmte maakt me apathisch
ik vertrek, maar blijf ook hier
ik hoor, maar luister niet
ik zweef zo een beetje boven mezelf
overschatting van het moment

Nu de kou zijn intrek weer neemt
keer ik terug en zet mijn voeten
aan de grond, geaard
hoor, zie en luister ik
de avond brengt me terug

Mag ik morgen
misschien weer zijn
helemaal, zonder hindernissen
ook al is het warm, dan wel koud
mag het niet uitmaken?

Pijnlijk

Ik heb inmiddels een flink aantal pijnlijke en gênante momenten op mijn naam staan. Echt van die “kon-ik-maar-door-de-grond-zakken”-momenten. Ik deel er een paar. Vraag me niet waarom.

Tegen mijn favoriete meester op de basisschool wilde ik zeggen dat hij zo lollig was en in plaats daarvan zei ik tegen hem dat hij een lul was. Oeps.

Of deze: na een slopende dag oersaaie colleges volgen viel ik in de trein in slaap. Niet zo erg toch? Wel als je in slaap valt op een schouder van een vreemde oudere man en dat er een klein beetje speeksel uit je mond hangt.

Op mijn werk was er een nieuwe burgermoeder aangetrokken. Ze zou binnenkort beginnen en haar foto had al in alle kranten, die ik dus overduidelijk niet had gelezen, gestaan. Op een dag moest ik naar toilet. Terwijl ik rustig mijn ochtendboodschap deponeerde in de pot hoorde ik uit het buurtoilet iemand naar buiten gaan en haar handen wassen. Ik dacht bij mezelf: “laat ik maar even blijven zitten want ontmoetingen op het toilet met de daarbij behorende geurtjes kunnen soms best ongemakkelijk zijn”, maar na een tijdje wilde ik er toch ook van af en kwam de gedachte op: “als ik nu nog langer blijf zitten dan zal mijn collega toiletgebruiker wel denken dat…” Ja wat eigenlijk? Geen idee. Ik besloot toch de stap te wagen, deed de deur open en voordat ik mijn handen kon wassen gaf de vrouw mij een hand. Dat was al ongemakkelijk genoeg. Ze vroeg: “Jij bent toch Bianca, de jurist?” Ik keek de vrouw aan. Geen spoortje van herkenning en bevestigde mijn identiteit. En toen vroeg ik: “En u? U bent?” “De burgemeester,”zei de vrouw. Ai, waar is dat luik waar ik onder kon vertrekken? Nergens te bekennen.

Kunnen we er nog eentje aan? Ooit wilde ik indruk maken op een jongen. Ik was een jaartje of dertien. Echt lekker aan het puberen en vooral zo onzeker als maar zijn kon. Ik probeerde cool te zijn en fietste heel stoer over de Markt, de hangplek van stoere en coole puberjongens die roken, beetje blowen en stiekem whisky nipten. Ik woonde schuin achter de Markt en wilde laten zien welke godin ik was op de fiets. Ik scheurde, kwam in een brede spleet van tegels terecht en reed zo keihard, maar dan ook echt kneiterd hard, tegen een lantarenpaal op. Niet grappig bedoeld, maar iedereen op het plein inclusief mijn heimelijke lief lach dubbel van de lach.

Een recente blunder was in een speeltuin. Ik ben niet zo heldhaftig en al helemaal niet sportief. Dus dat ik me af en toe waag aan een ritje op een zweefmolen is al best een prestatie. Onder het motto “alles voor het jong” ging ik met man en 1 kind naar een grote buiten speeltuin. Er was van alles te doen en manlief was in zijn nopjes. Hij drong voor bij de glijbaan, zat op een enorme wip en ging helemaal los op een tokkelbaan (of zoiets: geen idee hoe dat heet, maar je zwiert aan een stalen kabel van de ene  naar de andere kant). Ik keek rustig toe en zag de zweefmolen. Die zag er onschuldig uit. Je moest hem zelf aanzwengelen, dus ik riep man en kind. “Gaan jullie maar lekker zitten. Ik slinger dat ding wel aan.” Fout natuurlijk. Ik rennen als een gek. Onmiddellijk schoot mijn hoofd van stand blank in stand vuurrood. Maakt niet uit. Zweet gutste over mijn rug en opeens voel ik dat ik dat touw niet meer kan houden en smak onelegant en met veel kabaal zo met mijn neus in het zand. Gelukkig zag iedereen het en werd er smakelijk om gelachen. Gratis entertainment zullen we maar zeggen.

De laatste die ik wil delen is echt beschamend. We hadden het plan opgevat om naar Kwadendamme te gaan. Daar is een tropische dierentuin met een expositie over dino’s en een vlindertuin. Ook zit er een binnenspeeltuin met water. Leuk voor de kinderen en vooral ook zeer leerzaam. De kinderen hadden uiteraard weinig oog voor de fossielen en andere educatieve elementen van de dierentuin en wilden gelijk naar de speeltuin. In het water lag een boot waar je in kon spelen. Er lag zand. Er waren nog meer waterspeel-elementen en er was een oversteek van de ene kant naar de andere via wiebelige plateau’s. Ik besluit daar over heen te gaan. De eerste horde ging goed, maar dan opeens bevriezen mijn knieën en blijf ik op een plateau staan. Midden in dat water. Het lukt me niet om er van af te stappen. Ik begin te bibberen en wiebelen als een volleerd parkinsonpatiënt. Ik krijg het benauwd en zie mezelf al in dat water vallen. Het enige wat ik kan doen is me laten vallen op mijn billen. Daar zit ik dan, met rugzak op midden in het water te roepen naar een kind dat ze pappa moet gaan halen. Gelukkig kwam mijn redder in nood, die met een oud klasgenoot stond te praten, te hulp. Mijn broek was nat en de wangen van mijn lief ook, van het lachen. Daarna stelde hij me vol trots voor aan die oud klasgenoot: en die waaghals, dat is mijn vrouw.

Nu ik dit heb gedeeld weet ik niet of ik me opgelucht voel of nog meer beschaamd. In ieder geval weet ik wel dat hoe oud je ook bent, je bent nooit te oud of te jong om gênante momenten mee te maken.

 

 

Gebonden

Gedicht voor iemand.

Zoekend naar het licht.
tastend in het donker.
Een gezicht, een blik in de ogen,
een gebaar,
troostend en soms
slopend.

Goedbedoeld,
maar vaak verwarrend.
Twijfels bij die ander.
Doe ik het goed?
Begrijp ik je goed?
Kan ik je helpen?

Boosheid uit pure frustratie,
onbegrip
zoekend naar antwoorden
op vragen,
te veel vragen.

Terugkijkend op het leven,
respect voor dit kostbare geschenk,
volgemaakt op je eigen manier,
maar niet met veel overtuiging of geluk,
wars van kritiek.

Rest niets anders dan bewondering,
Voor jouw gevecht in het donker.
Graag zou ik je verlichting geven,
Mijn handen gebonden
Rustend in de schaduw.

Rotdag

Deze dag blinkt niet uit als een gezellige fijne vrije zaterdag. De dag gaat niet in de boeken als “topdag”. De dieptepunten waren op meer handen te tellen dan de hoogtepunten op 1 vinger. Maar goed, zoals manlief altijd zegt: ‘er is altijd een morgen.’ Daar hoop ik toch wel op en tot nu toe is het altijd waar gebleken. Dat er ooit eens geen morgen meer zal zijn, is geen onderwerp dat me veel bezig houd.

Ik kan een verhandeling geven over deze dag, maar dat bespaar ik iedereen. Te meer omdat, zodra ik het neer getikt heb, ik zelf al wel de absurditeit van mijn eigen ellende inzie. Het gaat uiteraard nergens over. Ik zit niet in de situatie dat ik vastgekluisterd aan een rolstoel in mijn broek zit te pissen en wacht op mijn dood. Vervolgens een cadeau, naast het geschenk van ALS, in ontvangst mag nemen dat uitgezaaide baarmoederhalskanker heet.
Ik waak niet over een doodziek kind dat elk moment in mijn armen kan sterven en nooit zal meemaken hoe het is om van de liefde te proeven. Hoe het is om dronken aan de bar te hangen en dan vol overtuigd te verkondigen dat je broodje nuchter ben. Hoe het is om te studeren, je eerste baan te hebben, je rijbewijs te halen, andere landen te ontdekken etc. etc.
Ik woon ook niet in één of ander door God vergeten oord waar ik moet bedelen voor een hapje rijst en alleen maar vervuild water kan drinken. Waar verkrachtingen en mishandelingen van vrouwen een goed recht is.
Ik hoef ook niet in een gammel bootje naar de andere kant van de wereld te varen om zo een stukje geluk te vinden die blijkbaar hier door verveling en gezeur in therapie weggewerkt wordt.

De cynische ik heeft gewoon een rotdag. Dat ligt volkomen aan mezelf. Mijn directe omgeving reageert er fijn op en de cirkel van ellende is rond. Maar wat is het vooruitzicht toch fijn. Manlief steekt de houtkachel aan, hummels liggen te ronken in hun bed, er heerst een volkomen stilte in huis. Straks een goede film kijken, glaasje prik erbij, chippie in de ene hand en een nootje in de andere. Ik hoef niet eens te wachten tot morgen. Mooi!

Communicatie

Hoe komt het toch dat veel dochters een moeizame relatie met hun moeder hebben. Het was een van de vragen en gespreksonderwerpen afgelopen donderdag tijdens de jaarlijkse verjaardaglunch met een collega die op dezelfde dag jarig is als ik.

Zij concludeerde dat veel moeders vooral met zichzelf bezig zijn en geen nevenactiviteiten/werk hebben zodat ze veel tijd hebben om zichzelf centraal te stellen. Dochters dienen zich te buigen en vormen en te plooien naar de wensen van de gezaghebbende ouder. Een moeder die volop in het leven staat, werkt, hobby’s heeft, vriendinnen ontmoet, met zichzelf op stap kan en zelfstandig is, is vrijer en minder gefocust op die dochter.

Er zit wat in. Vandaag zag ik weer een staaltje communicatie tussen moeder en dochter waar mijn maag van omkeerde. Korte situatieschets: vriendin, alleenstaande moeder van twee kinderen, heeft een ander huis. Noodgedwongen moeten ze verhuizen vanwege een psychisch gestoorde buurman. Vriendin heeft nog geen goudmijn gevonden dus kan elke financiële bijstand gebruiken. Daarnaast is het handig dat je moeder je kinderen opvangt terwijl jij het snot voor je ogen staat te verven om jezelf en je kinderen zo een mooi mogelijk en vooral veilig onderkomen te geven. De moeder in kwestie is dwingend, zij vraagt niets, zij stelt en vooral stellig: ‘heb je al behang gekocht, want je moet behangen. Je mag echt geen structuurverf op de muren smeren.’
Dochter: ‘ik heb daarover gebeld en zolang je geen gekke kleur op de muur doet, mag het wel.’
Moeder: ‘dat kan niet, geloof ik niet.’
Dochter: ‘ik heb gebeld en het mag wel.’
Moeder: ‘lijkt me sterk, kan het me niet voorstellen. Je moet gewoon behangen.’
Dit lieflijke stuk speelde zich af in het openbaar, waar mensen bij aanwezig waren. Ik dus ook. Dochter begint wat rood aan te lopen en haar stem te verheffen: ‘het mag dus wel en dat is wat ik ga doen.’
Moeder: ‘Ik vind het raar. En trouwens waarom haal je verf hier in de buurt en niet waar je korting kan krijgen? Ik heb toch niet voor niets folders bewaard? We gaan nu met de auto verf halen.’
Dochter: ‘dat is niet nodig, want ik heb al verf. Ik ga straks gelijk beginnen.’
Moeder: ‘we gaan nu naar het huis en dan maken we een plan. Want dat heb je vast nog niet.’
Dochter: ‘jawel, ik heb een plan. Begin vandaag met de plafonds te sausen.’
Moeder: ‘nou de kinderen kunnen niet komen want ik heb het te druk. Kijk maar wat je doet.’
Dochter blaast haar frustraties uit en loopt de klas binnen. Moeder vertrekt.

Ik krijg het benauwd van dergelijke conversaties. Zelf ben ik ook moeder en ook dochter. Ik herken veel in het bovengenoemde voorbeeld en telkens begrijp ik het niet. Ik begrijp niet waarom moeders niet onvoorwaardelijk kunnen houden van hun dochter, zonder oordelen, zonder verplichtingen, zonder manipulatie. Het is maar weinigen gegeven. Gelukkig heb ik in mijn omgeving ook een positief voorbeeld, maar ja dat is dan weer zo een moeder met een leven. Laat ik mijn leven dan maar goed vasthouden, als dat het antwoord is.

Veel succes lieve vriendin. Wij slepen je er wel door heen. XXX

 

 

Geluk

Vele lentes later zit ik hier
verlaten achter een raam
een raam dat uitkijkt over
alle mogelijkheden die onbenut blijven
een venster naar de toekomst
maar ook een spiegel naar het verleden
ik kijk er niet door heen
staar in de diepte en zie niets
niets van wat komen gaat
niets van voorbijgaande aard
maar wat is het nu
een blanco scherm
een onbeschreven blad
een niet opgetikt verhaal
een fantasieloos gedicht
het is eigenlijk niets anders dan
geluk
verlammend geluk
dat zorgt voor het stilleggen
van de creatieve stroom
want in het donker leeft er meer
want in de schaduw zwerven de emoties
slaan ze op hol en creëren het lot
maar wat is er nu
een onbestemde rust die woelig woest woedt
een bestendigheid die onbestemd is
een passiviteit die verlamd
altijd weer dat verdomde
geluk

 

Migraine

Migraine laat de tijd stil staan, maakt het licht feller en alle geurtjes dringen als ongenode gasten in mijn neus. Het geluid wordt verstrekt en mijn lichaam raakt in de weerstand. Warm, misselijk, dan weer koud, bonken in mijn hoofd, vastzittende schouders, nek, rug. Vreselijk. Maar de blog  must go on. Dus dan een blog over migraine, bij gebrek aan een positiever onderwerp.

Ik zit met mijn ogen geknepen achter het scherm. Het licht van het scherm brand recht in mijn ogen en schiet als een flits door naar mijn hoofd. Vooral de rechter kant en de voorkant worden te grazen genomen door de pijn. Ik eet niets, want uit ervaring weet ik inmiddels dat eten niet wordt gewaardeerd. Het enige wat ik kan doen is wachten in mijn bed. Dat ga ik dan straks ook doen.

Morgen heb ik een halve drukke ochtend op het werk in het vooruitschiet en daarna een gezellige lunch. Een college is ook op 10 april jarig en dat vieren we elk jaar met een lunch. We hebben naast onze geboortedag en sterrenbeeld veel gemeen met elkaar, vooral humor. De gedachte dat zij in de buurt is op het werk als ik weer eens met mijn kop keihard tegen een muur loop, maakt heel veel goed. Te weten dat ik oververhit een kamer binnen kan stormen en ongenuanceerd tekeer kan gaan, geeft glans aan het werk. Een gepassioneerde, intelligente vrouw met humor en pit, waar vind je die nog? Elke keer hebben we genoeg gespreksstof voor een lunch, zo veel dat we daarna (zo een half jaartje) een tweede plannen: aangezien we dan toch alweer 40 en een half zijn (in mijn geval dan). Dus nu schop ik mezelf weer in mijn bed, zip een klein beetje water weg en droom dat ik morgen weer top fit ben, want the lunch must go on.

Roos: Einde

Hij kwam binnen en pakte me vast. Zo stonden we zeker tien minuten. Ik liet het gebeuren. Het voelde goed. Al die jaren dat we naast elkaar hadden geleefd kwamen in dit moment samen en ik voelde me verbonden. Ik stelde hem geen vragen. Natuurlijk vroeg ik me wel af hoe hij wist dat ik hier was en waarom hij mij had gezocht, maar ik voelde aan dat alles op zijn plaats zou vallen als ik hem zijn gang zou laten gaan. Hij pakte mijn hand en we gingen op het slaapbankje van Anna zitten. Op de vloer lagen alle brieven en foto’s en schriftjes. Buiten begon het keihard te regenen en bliksemschichten vuurden vervaarlijk door het raam naar binnen. Hij begon te vertellen.

‘Ik heb je heel wat uit te leggen, lieve Roos. Ik weet al langer dat Arthur de vader van Anna is en dat die smeerlap misbruik van haar maakte. De moeder van Anna was zijn secretaresse en langzamerhand werd ze zijn maîtresse. Ze kregen Anna en het leek er in eerste instantie op dat Arthur kalmeerde. Hij had nu twee dochters en dat leek een gunstig effect te hebben op hem. Dat was niet van lange duur. De jaren gingen voorbij, de vrouwen kwamen en gingen. Je moeder berustte in de situatie, maar ik zag dat ze er aan kapot ging. Ze vermagerde, ging amper naar buiten en wilde alleen maar bij haar bloemen en planten zitten. Arthur nam Anna wel eens mee naar het huis en dat maakte haar kapot. Ik haatte hem op die momenten. Hij was vaak weg en jij dartelde zo puur mogelijk door het leven en dat grote huis heen. Tot op die ene dag. Jij was veranderd. Ik begreep niet wat er was gebeurd, maar later plakte ik alle gruwelijke puzzelstukjes aan elkaar en werd het me duidelijk. Nog veel later werd ook duidelijk dat Arthur een relatie was begonnen met Anna. Ik probeerde haar te waarschuwen, maar kon haar niet bereiken. Ze sloot zich af voor de buitenwereld en leefde alleen voor Arthur.
Twee weken geleden zag ik Anna in de stad. Ik was boodschappen gaan doen en besloot een broodje te eten in de boekwinkel. Jij was niet aanwezig, althans dat dacht ik. Anna had de tafels schoon gemaakt en liep naar achteren. Ik zag dat ze door de deur met het bordje “privé” uit mijn zicht verdween. Nog geen vijf minuten later rende ze door diezelfde deur naar de toiletten. Ze zag bleek en in haar ogen zag ik angst. Ik besloot ook naar toilet te gaan om te kijken wat er met haar aan de hand was. Ik hoorde haar braken en schreeuwen. Het leek alsof ze verscheurd werd door wilde honden. Hartverscheurend huilde ze. De deur met het bordje “privé” erop stond op een kier en ik liep naar achteren. Daar was het kantoor van Arthur. De deur naar zijn kantoor stond een klein beetje open en ik keek door een spleet. Daar zag ik Arthur met een vrouw. Haar bovenlichaam was naakt en ze lag voorovergebogen op zijn bureau. Zijn broek hing op zijn knieën en ik zag dat de rok van de vrouw omhoog op haar billen lag. Hij stootte zijn geslacht hard in haar. Hij kreunde en de vrouw tilde licht haar hoofd op. Hij trok aan haar haren en toen leek het alsof mijn wereld instortte. Die vrouw die hij bruut en wild bereed, was jij Roos.
Ik rekende mijn broodje af en reed naar het huis. Legde de boodschappen weg en besloot dat ik nu de dagboeken van je moeder moest lezen. De drang was te groot. Ik ging niet eens voorzichtig te werk. Ik pakte de doos met oude dagboeken en zocht naar de juiste datum en daar stond wat ik al die jaren al had vermoed, maar niet durfde onder ogen te zien. Daar stond het geschreven en ik wist gelijk dat dit de waarheid was en dat dit grote gevolgen zou hebben en dat ik nu niet langer in de schaduw zou blijven staan. Je moeder betrapte me in haar kamer en liet me zweren dat ik het je nooit zou vertellen. Ze verbrandde die dagboeken zodat jij ze niet meer kon vinden, één exemplaar liet ze over: een gecensureerde versie met halve waarheden. Ik wist niet wat ik moest doen. Ze dwong me, ze dreigde met ontslag, met schande, met me kapot maken. Ik wist het niet meer.
Op een avond besloot ik dat ik iets moest doen en reed naar de boekenwinkel. Ik had Arthur gebeld en gevraagd of hij naar de winkel wilde komen voor een belangrijke bestelling. Hij was binnen. Dat moest wel, want ik had zijn auto zien staan om de hoek. Ik liep naar achteren en opende de achterdeur. Ik besprenkelde de keuken met benzine,  liep voorzichtig door naar de winkel. In het café gedeelte gooide ik nog meer benzine, maar ook schoonmaakmiddelen. Ik stak een lap in brand en gooide die in de ruimte, rende vervolgens weg en bleef op een afstand staan kijken hoe de winkel in de hens vloog. Niet veel later, toen de brandweer inmiddels was gearriveerd, zag ik jou met Arthur voor het brandende pand staan. Alles was mislukt. Ik wilde hem doden, Roos. Hij moest bloeden voor wat hij allemaal heeft gedaan.’

Ik keek naar de grond en wist niet wat ik moest zeggen. Gerard staarde naar het plafond. Het verhaal was er in één ademteug uit gekomen.  En nu zaten we hier naast elkaar. Gerard was dus mijn vader en wilde mij redden. Hij wilde iedereen redden. Hij had een poging gewaagd mijn moeder te redden. Hij wilde Anna redden en nu mij. Al die jaren had ik een bijzondere band met hem gevoeld en al die jaren klopte dat dus. Ik had in een korte tijd een vader verloren, een zus gekregen en verloren, een moeder verloren en een vader erbij gekregen. Het verhaal voelde niet als een einde, maar als een begin. Het begin van een nieuw leven, voor mij, voor Gerard en voor Anna. Zij was vrij en ik bevrijd. Vanaf dit moment kon Arthur mij niet meer raken. Hij was niet kapot gemaakt door Gerard, hij was niet dood gegaan bij de brand, maar hij zou mij nooit meer raken. Hij zou geen enkel kind ooit meer kunnen raken.

EINDE

 

 

Roos (12)

Vanuit het ziekenhuis vertrok ik naar het huis van Anna. Dokter De Graaf had me haar sleutel gegeven en toen ik voor de deur stond moest ik even op adem komen voordat ik naar binnen kon. Ik had beloofd kleren voor Anna op te halen zodat ze mooi in haar kist zou liggen. Ik wist niet wat ik kon verwachten in het appartement. Ooit was ik er binnen geweest en onpasselijk geworden van de lucht die er hing en de kleine ruimte. Wat een naar mens ben ik toch. Ik had Anna altijd minderwaardig behandeld. Hoe kon ik dat toch doen?

Het appartement was uiteraard nog even klein en het rook er muf. Ik zette eerst een raam open en liep wat rond. Bekeek de boeken in haar kastje en zat even in haar leesstoel. Ik nam de tijd om de ruimte op me in te laten werken. Het was kleurrijk en creatief, eigenlijk zag het er best mooi uit. Alles paste op een gekke manier bij elkaar. Naast haar slaapbank, die nog uitgetrokken was, stond een klein kastje. Ik voelde een sterke behoefte daar in te kijken. Het lag er vol met schriftjes, brieven en papieren. Mijn ogen vlogen heen en weer over de pagina’s. Mijn handen begonnen te trillen en nadat ik een half uur had gelezen rende ik naar de badkamer om voor de tweede keer die dag mijn maag te legen. De brieven waren liefdesbrieven van Anna aan Arthur, allemaal retour gezonden. De inhoud werd hoe langer hoe meer wanhopiger. Ik kon niet geloven wat ik las. Anna had een relatie gehad met Arthur, de man die haar vader was. Ik vond ook nog een dagboek waarin ik las over hun ontmoetingen, over het vuurwerk waar Anna het over had en over haar ontdekking. Ze had ontdekt dat Arthur er meerdere vrouwen op na hield. Dat hij relaties had met jonge vrouwen en dat ze mij met hem in zijn kantoor had betrapt. Ze schreef over haar verdriet en angst.
Onderin het kastje stond een klein doosje. Ik opende het doosje en zag letterlijk het bewijs voor de woorden die ik net tot me had genomen. Foto’s van een naakte Anna en een naakte Arthur. Dat naakt dat ik vaker had gezien dan me lief was. Het werd me teveel.

Een paar uur later schrok ik wakker. Ik was blijkbaar in slaap gevallen op de slaapbank. Mijn haar klitte rond mijn mond en ik proefde het slijm dat uit mijn mond was gedropen en aan mijn kin zat geplakt. Het leek alsof de wereld er anders uitzag. Alle gebeurtenissen van de afgelopen dagen kwamen langs als ongenode gasten. Gasten die hun plek aan tafel opeisten en niet meer weg gingen. Ik moest de informatie in mijn hoofd ordenen. Ik moest nadenken. Ik wilde een glas water pakken toen de zoemer van de entreedeur ging. Het glas viel uit mijn handen. Wie wist er dat ik hier was? Misschien kwam Arthur Anna opzoeken. Wat moest ik doen? De zoemer bleef aanhouden en leek steeds luider te worden. Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn angst en ik opende de deur. Nooit had ik kunnen vermoeden dat hij naar boven zou komen. 

 

Club

De veertig is bereikt. Ik werd wakker en deed mijn ogen open en was beland in een nieuwe club, althans een aantal felicitaties gingen gepaard met een mededeling dat ik nu bij de club van de veertigers hoor. Wat voor club dit precies is, weet ik niet. Vast zoiets als de club van de dertigers. Een club die alleen leden heeft maar verder nagenoeg geen activiteiten organiseert. Je hoeft er niets voor te doen en je krijgt er ook niets van. Het stelt, wat mij betreft, net zoals het cijfer niets voor.

Zoals bedacht is vandaag ook niets gebeurd dat mijn leven heeft veranderd. Ik heb vandaag gewoon ontbeten en ook gescheten, misschien iets meer dan normaal maar dat lag vooral aan de inhoud die ik de dag ervoor naar binnen had gewerkt. Het hoofd en lijf zag er ook nog hetzelfde uit en het gezin was ook niet plotsklaps veranderd. Nog steeds werden er billen geveegd, broodjes gesmeerd en theetjes gedronken. Het enige wat wel degelijk anders was dan bij de jaren die ik heb gespendeerd in het dertigers tijdperk, is -overduidelijk- het getal. Veertig klinkt wel ouder. Alsof ik opeens ben getransformeerd in een volwassene. Maar dat is natuurlijk niet zo, want je bent wie je bent al ben je honderdvijfentachtigduizendmiljoenveertigdrie, zoals mijn kind zegt.

Morgen wordt datzelfde kind vier en dat vind ik een hele mijlpaal. Ze gaat dan voor vast naar school. Niet meer oefenen, maar volle bak vooruit en dat vind ik prachtig. Die ontwikkeling, die groei.

Ik sluit de eerste dag veertig moe af en met een enorme literaire winst: 4 boeken en twee dichtbundels ben ik naast een jaar rijker geworden. Kom maar op met die tweede dag.