Outfit

Muziek vraagt om
een passende outfit
in mijn hart vinden
jouw noten een plaats
je vingers omsluiten
de gaatjes, open
dicht, commando’s
worden opgevolgd

omringd door andere
muzikanten in de dop
tonen vliegen door
de open ruimte
zoeken een plek
om te nestelen
ze willen een symfonie
vormen met elkaar

welk kledingstuk past
bij een eerste concert
alle ogen op je gericht
een jurk, broek, trui
opeens knipoogt
het T-shirt van een afstand
ze zingt ik ben er bij
en de symfonie is compleet.

 

Ik zie je op de platte buis
broek gescheurd maar dan
op een niet hippe manier
vlek op je shirt van een Spaanse
voetbalclub
de droom die niet gaat uitkomen
je bruine ogen staren me aan
weet jij dat ik hier zit.

Ik voel me ongemakkelijk
kijk naar de andere kant
slippers aan je voeten
verschillende kleuren
in je hand een tas
een leven verpakt in plastic
het hek met gaas houdt je
tegen een ander leven.

Dan opeens ben je verdwenen
plaats gemaakt voor het weer
daar zijn wij dan weer druk mee.

 

Ik ben verloren
loop de straat uit
hoek om
kijk om me heen
herken de gebogen
lantaarnpaal
met die groene kap
geknakt na contact
met de zwarte volvo

Net als die paal
ben ik gedeukt
de bomen vangen
mijn wind
en in de ruiten
van de winkels
zie ik de ogen
van een kind
capuchon op

Als ik verder loop
verlies ik nog meer
gedachten aan jou
en meer nog aan mezelf
wie ik was
wie ik ben
wat ik wil
teveel om te verliezen
teveel om te bedenken

Groen mos zie ik
tegen de boom opklimmen
een bestaan opeisend
zonder concessie
maar wel met compassie
grote woorden uit
dikke boeken
wat betekent het
als ik ze denk

Achter het licht aan
wandel ik verder
liggend in bed
want alles wat ik denk
denk ik niet alleen
op straat of in het park
in elk verloren moment
schuilt de mogelijkheid
om hier te zijn.

ik speelde als kind
schooljuf
alle beren en poppen
netjes op een rij
sommen maken
op mijn schoolbord

ik was een strenge juf

ik speelde als kind
ballerina
mijn tenen gekromd
benen omhoog
armen in de lucht
pirouettes draaien

ik was een prima ballerina

ik speelde als kind
moedertje
de poezen kregen
alle liefde die ik in me had
ik las ze voor en
knuffelde ze onder de dekens

ik was een liefdevolle moeder

ik speelde als kind
groot mens
sprak met moeilijke woorden
bedacht dat alles mogelijk was
en ik kreeg liefde en aandacht
en het leven was fijn

ik was een geweldig groot mens

 

 

Opgerold aan het voeteneinde
twee in elkaar gestrengelde
bollen zacht pluisend haar

zacht gesnurk ontsnapt

buiten raast de wind
de kou grijpt wild om zich heen
het deert ons niet
wij rollen nog eens om

en snurken zacht.

Ontspullen

Momenteel word ik nog steeds gezelschap gehouden door de griep. De kinderen ontvangen dezelfde eer. Het is trouwens echt onbetrouwbaar gezelschap. De griep geeft aan te vertrekken, de vlaggen gaan uit en dan keert hij zich ’s nachts als een dief weer terug en nestelt zich aan je voeteneind om je de volgende dag weer een bonkende hoofdpijn te bezorgen. Of de griep verklaart afscheid te hebben genomen van koorts en dan stop je -voor de zekerheid, je kan toch nooit weten- de thermometer weer in je oor, en jawel hoor…koorts.
Nu heeft de griep zich gestort op de kinderen en dat vind ik laf. Die kleine lichamen hebben er toch niet om gevraagd zo geplaagd te worden. Dus griep en ik voeren een stevig gesprek. Maar zo onbetrouwbaar als hij is, griep trekt zich er niets van aan. Geen enkele compassie.

Dus zit er niets anders op om de dag een beetje door te komen met elkaar, kinderen, griep en ik. Manlief werkt en haalt opgelucht adem als de dag weer voorbij is en iedereen koortsend en hoestend in haar bed ligt.

De Olympische Spelen zitten erop en een zwart gat nadert. Het lukt me niet om zware kost te lezen dus probeer ik mijn zinnen te verzetten door gedichten te lezen, een Jan Jans en de kinderen nog een keer te lezen en een boekje over “ontspullen” door te nemen. Gedichten zijn kunst en verrijken je leven. Jan Jans en de kinderen zijn humor op en top. Het lukt me aardig met dit leesvoer om de dag draaglijk te maken. Maar dan dat boekje over “ontspullen”. Wat een ongelooflijke bullshit (excuseer mijn taalgebruik) is dat zeg. Na het lezen van een paar pagina’s word ik boos. Wat een gezeur over spullen, over te veel spullen. Dat spullen stress geven, want je moet ze schoonhouden, opruimen, er iets mee doen. Dat veel spullen overbodig zijn. Dat het maken van spullen een aanslag op de wereld is, op het milieu, op alle grondstoffen. Dat laatste is trouwens een terecht punt, dus daar ziet mijn boosheid niet op. Nee, op dat (excuseer bij voorbaat) gejank van mensen in de westerse kapitalistische op ego gestuurde maatschappij. De maatschappij van meer, meer, meer. Als ik veel heb dan ben ik gelukkig. De snelle bevrediging van geluk door middel van het kopen van spullen, het liken van berichten en jezelf presenteren naar buiten toe als een rijk en vooral 24 uur per dag gelukkig mens. Wat een onzin en wat een oppervlakkigheid en treurnis. Helemaal treurig vind ik het dat de mens zo ver van zijn natuur is geraakt dat hij, maar vooral zij, een boek nodig heeft die voorschrijft minder te kopen.

Ik ben niet heilig. Ik heb ook spullen en houd ook van mooie spullen en goed leesvoer. Maar daar zeur en klaag ik niet over. Als het een rotzooi is, ruim ik op. Als ik genoeg heb van de zooi om me heen dan gooi ik wat weg, geef ik wat weg of ruil wat. Maar wat het belangrijkste is: ik meet mijn geluk niet af aan de hoeveelheid spullen die ik heb en laat de spullen mijn leven niet dicteren. Mijn geluk is op het moment met griep op de bank samen met de kinderen een film kijken of knuffelen. Geluk zit in gevoel en niet in spullen. Misschien moet ik daar eens een boek over schrijven.

Aanval

Het hebben van griep is ronduit belabberd. Ik heb van allerlei aanvallen: koorts, hoest en hoofdpijn. Daarnaast ben ik labiel. Jank om alles en vooral om mijn eigen misère. Ik vind mezelf echt zielig.

Manlief helpt fantastisch. Maakt een sinasappeltje voor me klaar, zet een kopje thee, houdt de kinderen uit mijn buurt en legt een nat doekje op mijn voorhoofd. Daar heb ik wat aan.

Wat niet helpt en waardoor ik naast al die aanvallen er nog eentje bij krijg is de opmerking van mijn moeder ” tja, het heerst hè.  Er zijn zo veel mensen ziek.” Daar kan ik dus niet tegen. Wat heb ik er aan te weten dat het heerst. Dat lees ik zelf ook wel in de krant. Is dan die koorts en knallende koppijn opeens minder erg? Neeeeee.
Ik merk dat mensen er niet tegen kunnen als je een ander antwoord op een vraag geeft dan ze zelf hadden bedacht.

Moeder: gaat het al beter?
Ik: nee, alleen maar slechter.
Stilte.
Stilte.
Stilte.
Moeder: tja, het heerst hè.
Ik: daar kan ik niets mee.
Stilte.
Stilte.
Stilte.

Het is prettig als je gezien wordt. In welke situatie dan ook. Het gaat om de verbinding met die ander. Gehoord worden. Wat helpt is luisteren, aai over de bol van de zieke en erkennen dat het ronduit klote is hoe je je nu voelt. Geen oplossingen aanbieden, niet afzwakken. Gewoon erkennen. Dat scheelt alweer 1 aanval.

Dichter

Als ik toch een een dichter was
dan zou ik een gedicht schrijven
over de gouden strepen in je haar
de waterblauwe ogen
die me vragend aankijken
of ik Hebbes wil spelen
Mens-erger-je-niet of
Ganzenbord
dan zou je roepen
dat ik in de put moet raken
of dood moet gaan.

Ik zou in een gedicht willen vangen
het geluid van het snot dat je
telkens weer in je neus ophaalt
de geur van je fris gewassen lichaam
verpakt in een zachtroze hemdje
kleine ronde billen die wiegen op muziek
maar ook zo kunnen stinken
als ze tijdens een schaterlach
ontspannen van plezier
je blik in je ogen als je
scoort met de binnenkant van je rechtervoet.

Hoe kan ik de woorden vinden
die een gedicht moeten worden
over de tranen die jij onbedaarlijk
over je wangen laat glijden bij pijn
en onrecht dat je wordt aangedaan
de bulderende lach die uit je mond
stroomt en je wangen laat gloeien
de tomeloze energie die je
laat huppelen als een lam in de wei
was ik maar een dichter dan
dichtte ik de hele dag jou bij me.