Levensverhaal (9)

Een overtocht in die tijd was niet zonder gevaren. Met nog een aantal andere Nederlanders ging hij aan boord van de Kilcanny, een schip van de Grimsbylijn met bestemming Fulham. Wegens het oorlogsgevaar op zee, The Great War (de Grote Oorlog, zoals de Engelsen de eerste wereldoorlog noemden), was  nog niet geëindigd, voer de Kilcanny met andere schepen in konvooi uit. De passagiers moesten zich na het instappen onmiddellijk naar hun hutten begeven en mochten deze niet weer verlaten. Dit werd gedaan om paniek te voorkomen, indien zich gevaar voordeed. Zo merkte op de Kilcanny dan ook niemand dat tijdens de overtocht ’s nachts een ander schip uit het convooi, de Kirkham Abbey, op een mijn liep en verging tezamen met alle opvarenden. Door een misverstand werden de reizigers voor Fulham onder de vermisten genoemd. De passagierslijsten waren verwisseld en thuis in Nederland werd het bericht van het vergaan van de Kilcanny overgebracht aan de familie. Onmiddellijk verkeerden zij in diepe rouw. De verloofde werd op de hoogte gesteld en plannen voor een herdenkingsceremonie werden gemaakt. Gedurende vijf dagen leefden allen in Nederland in de treurige veronderstelling dat vader was omgekomen. Op de zesde dag van zijn dood ontving de familie een telegram met het bericht dat hij aan boord van het andere schip was gestapt en goed in Londen was aangekomen.

De opluchting die het bericht teweegbracht zorgde ervoor dat zijn verloofde niet langer wilde wachten om zich bij hem te voegen. De wederzijdse families gaven hun toestemming en hij is “met de handschoen”  met zijn verloofde gehuwd. Geen sprookjeshuwelijksdag, zoals in de huidige tijd wordt nagestreefd, maar een noodzakelijke formaliteit.

Na het sluiten van het huwelijk werd alles gereed gemaakt om zijn echtgenote zo snel mogelijk over te brengen. Vier weken duurde het nog voordat de oversteek gemaakt kon worden. Vanaf dezelfde plaats als haar echtgenoot twee maanden eerder was vertrokken voer de boot met daarop zijn grote liefde naar Londen.

Levensverhaal (8)

In 1917 werd hij gedemobiliseerd en stond  voor een keuze. Hij werd geselecteerd voor een opleiding voor uitzending naar een margarinefabriek van de firma Van den Bergh & Jurgens in Fulham, Engeland. Wat zou hij doen? In Nederland blijven en vast houden aan het bestaan dat hij had of de overtocht maken en eens wat zien van de wereld. Hij was nog nooit buiten de landsgrenzen geweest. Hij groeide op in een eenvoudig gezin. Zijn ouders waren zeer vrome mensen. Ze leefden volgens de letterlijke regels van het Vaticaan en vonden het voor een man van zijn leeftijd ongehoord ongetrouwd een bestaan in een buitenland op te bouwen. Toch zagen zij ook in dat hij met zijn vertrek een hogere status zou krijgen en de sociale ladder met meerdere treden tegelijk zou bestijgen. Daar kon volgens zijn vader, die een groot zakelijk hart had, niet veel mis mee zijn.

Een extra complicatie om te kiezen voor een vertrek, was dat hij net een jonge dame had ontmoet. Ze waren nog maar kort verloofd en die verloving kon de goedkeuring van zijn ouders niet dragen. Van alle vrome dames in de familiekringen was dat meisje van Bos geen geschikte keuze. Niet dat ze niet vroom was of uit een onbehoorlijke onbemiddelde familie kwam, maar door haar gezondheidstoestand. Zijn moeder kon het niet verkroppen dat hij de voorkeur gaf aan een ziekelijke vrouw die natuurlijk vroeg of laat te veel van zijn aandacht zou opeisen waardoor hij zich niet langer kon richten op zijn statusverhogende bezigheden. Ook zou een dergelijk meisje natuurlijk geen gezonde kinderen voort kunnen brengen waardoor ook nog eens de familienaam op het spel stond. Hij nam een beslissing en als hij een beslissing nam dan bleef hij daar bij. Vastbesloten koos hij voor de liefde en verloofde zich met de liefde van zijn leven. De familie verzoende zich met deze beslissing en besloten werd dat een huwelijk plaats zou gaan vinden. Het was in die tijd absoluut tegen het gezag van God om met elkaar ongehuwd samen te wonen. Een datum werd geprikt. In augustus zou het huwelijk plaatsvinden. De familie vond dat een zomers huwelijk automatisch op de zegen van God zou kunnen rekenen. De tijd van de overvloed zou doorstromen in dit huwelijk.

Het liep anders. Het bedrijf had hem op stel en sprong nodig en hij moest eerder vertrekken.  Met beide handen greep hij de kans aan. Niet in de minste plaats voor de promotie en het daarbij behorende salaris, maar voornamelijk ook voor het avontuur. Naar Engeland gaan en daar zijn kennis overdragen aan anderen en een leven opbouwen in een vreemd land, zag hij met grote vreugde tegemoet.

Op 25 juli 1918 vertrok hij naar de overkant. Zijn verloofde bleef achter in Nederland. De familie had thuis afscheid van hem genomen. De hele dag werd weinig gesproken. Zijn moeder wende haar gezicht af naar hem en depte voortdurend haar ogen. Hij pakte zijn koffer in met een paar schone overhemden, ondergoed, een nieuw bruin pak, drie paar sokken en de bijbel. Het boek werd zorgvuldig tussen de kleding gestopt zodat het netjes de overkant zou bereiken. Toen het moment van afscheid kwam kon zijn moeder het niet verdragen hem te zien vertrekken en trok zich terug in haar slaapkamer. Zijn vader gaf hem een ferme handdruk en keek hem een paar seconden indringen aan. Hij wenste hem een behouden vaart en keek hoe hij de deur uit stapte, niet wetende dat dit misschien de laatste keer was dat hij hem levend zou zien.

Levensverhaal (7)

Het begin dat startte in 1923 of is het beter om te beginnen voor het begin?

Battersea, London, 1917-1935

Op 1 oktober 1912 trad haar vader in dienst als kuiper in de expeditieafdeling van het bedrijf dat thans onder de naam Unilever bekend staat, maar toen in handen was van de heren Van de Bergh en Jurgens. Hij dichtte tot augustus 1914 vaten margarine. Haar vader was een trots man en een harde werker. Niet bijzonder aantrekkelijk om te zien, maar zijn lange gestalte en precies gevormde gelaatsstrekken gaven hem een gedistingeerd voorkomen. Hij was het bedrijf trouw en heeft nooit een dag in zijn leven verzuimd. Hard werken, eer behalen in wat je doet is goed voor een man, vond hij. Op 31 juli 1914 werd hij, zoals velen, gemobiliseerd. Als één van de 200.000 mannen werd hij opgeroepen om zich klaar te maken voor het geval oorlog zou uitbreken. Op het moment was alles nog onzeker, welke positie zou Nederland innemen en wat werd er van de mannen verwacht, maar vader vertrok zonder klagen. Hij was een man van principes. Als zijn land hem nodig had, zou hij alles doen wat in zijn macht lag om te helpen. Op 28 juni 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. De aanleiding, casus belli, van de oorlog was de moord op Aartshertog Frans Ferdinand, troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije, en zijn vrouw Sophie Chotek. Naast de moord op de aartshertog en zijn vrouw was het al langer onrustig in Europa en hing de geur van oorlog al jaren in de lucht.

Vader verbleef drie jaren in trainingskampen. Onder erbarmelijke omstandigheden leerde hij met een geweer in de hand naar de grens te fietsen, hoe hij zich onzichtbaar moest maken en hoe hij kon overleven met zo min mogelijk voedsel. Het was een zware tijd. Uiteraard vielen zijn belevenissen niet te vergelijken met die van de mannen in de loopgraven. Bij thuiskomst sprak vader amper over deze tijd. Hij enige wat hij mee terug bracht was een nieuwe instelling. Een instelling om iets van zijn leven te maken. Het kon niet zo zijn dat dit alles was voor hem. Er wachtte avonturen op hem en die zou hij gaan vinden.

Afscheid

Vandaag nam ik afscheid van een dierbare. Gewoon aan de keukentafel. Nou ja gewoon? Het was heel erg heftig. De tranen vloeiden rijkelijk en alsof er een pact was gesloten deed de regen de hele dag mee. Tranen binnen en tranen buiten. De onvoorstelbare strijd die ze heeft geleverd, is niet in woorden te vatten. Ik kwam thee drinken en wist dat dit waarschijnlijk de laatste keer zou zijn dat ik haar zou zien. Zeker weten doe ik het niet, want ze voert al zes jaar een strijd en misschien leeft ze nog als ik terug kom van vakantie.

Ik voelde dat ik al een tijdje om het afscheid zat heen te dwalen. Ik wilde er niet aan, maar nu kwam het besef opeens dat ik nog direct en in persoon afscheid kon nemen. Straks was ik misschien te laat of zou ik geen contact meer hebben. Dus toog ik door de regen vanochtend naar haar toe. Haar man en dochter waren ook thuis en onze kinderen gingen ook mee. De sfeer was luchtig. Er werd gebabbeld over de vouwwagen, over het plaatse Veere -en dan vooral over het feit dat heel Nederland er heen gaat, maar niemand wil toegeven dat het hele plaatsje eigenlijk geen reet voorstelt- en over de kinderen. Na twee kopjes thee was het tijd om te vertrekken. Ik trok mijn jas aan en liep naar haar toe. Gaf haar een kus op haar wang en zei “hou je taai. Ik hoop je na de vakantie weer te zien.” Daaraan voegde ik toe: “maar als je wilt gaan, dan moet je gaan. Ik begrijp dat en zal je nooit vergeten.” Die hakte er in. Tranen vlogen alle kanten op en zij hapte naar adem. Ze kan niet meer praten en liet de computer aan het woord. Met haar ogen toetste zorgvuldig haar woorden in. “Je bent een lieve meid, altijd geweest. Altijd gezellig kletsen. Nog bedankt voor je mooie gedicht. Ik ga mijn best doen om het zo lang mogelijk vol te houden.”

Daar stond ik dan. Met mijn jas aan, op mijn sokken in haar keuken. Arm om haar heen. Snot en kwijl van haar gezicht poetsen. Haar man moest voortdurend haar kaak terug duwen, omdat die bij hevig huilen uit de kom schiet. Afscheid nemen van een dierbare is vreselijk. De wijze waarop wij daar stonden en zaten was surrealistisch. Ik kreeg het in mijn hoofd niet aan elkaar geknoopt. Mijn hoofd tolde er van. Snot bleef komen en het liefste wilde ik op de grond vallen van de pijn. Het doet zo ontzettend veel pijn om iemand zo te zien lijden.

Dat is het leven. Geen zoetsappige gedichten, geen rozengeur en maneschijn. Nee, keihard leed dat je in de bek kijkt en uitdaagt. Hoe ga je met me om? Wat wil je nou? Je krijgt me toch niet weg. Dat zijn de momenten die er toe doen. Wat zeg je op zo een moment? Hoe uit je je gevoelens?

Op de fiets terug naar huis voelde ik dat er iets bijzonders was gebeurd tussen twee mensen. Dat voelde goed. De tranen gleden mee met de regen naar de afvoer. De pijn bleef. Na een moment van ontspanning nam ik de kinderen mee naar de supermarkt. Er moest nog wat boodschappen in huis gehaald worden. Ik liep wat verdwaasd en doelloos rond en in mijn ooghoek zag ik een arm de lucht in gaan. Daar zat ze in haar rolstoel, voortgeduwd door haar dochter die naar me zwaaide. Na het afscheid zagen we elkaar weer in de supermarkt. Hoe surrealistisch wil je het hebben opgediend? Ook dat is weer het leven.

Commentaar (2)

Commentaar les 2
Drie gedichten (Ei, Supermarkt, Storm)
Op mijn gedichten heb ik commentaar ontvangen van degene die de Online Schrijfcursus geeft. Het commentaar valt me, net zoals de vorige keer op mijn verhaal, zwaar. Kritiek op mijn gedichten vind ik nog moeilijker te lezen dan op het verhaal. Gedichten zijn echt stukjes uit mijn hart en het voelt dat ik mezelf kwetsbaar opstel en dan vervolgens kritiek krijg op die kwetsbaarheid. Alsof je bloot op een marktplein staat en iedereen wijst naar dat kwabje links op je heupen en die pukkel rechts op je schouder en daarbij dan geluiden maakt als: Ieuw, bleh etc.
Ik geef een gedeelte van het commentaar weer op mijn blog en ben benieuwd of iemand er op wil reageren.
Ik citeer:
Je hebt me drie gedichten laten lezen, alle drie met een behoorlijk zware thematiek. Alle drie gaan ze over het bestaan, het leven. Het viel me op dat zowel ‘Ei’ als het titelloze gedicht eindigt met het woord ‘bestaan’. In ‘Storm’ komt in de laatste regel het woord ‘leven’ voor (en in ‘Ei’ ook nog een keer). Je hebt dit onderwerp dus vrij letterlijk benaderd. Dat vind ik niet zo sterk. Ook in poëzie geldt: show, don’t tell. Als je over zo’n groot onderwerp als het leven in het algemeen wilt schrijven, benoem het dan niet letterlijk, maar zoek naar beelden die daarvoor kunnen staan. In het titelloze gedicht en ‘Ei’ combineer je het letterlijke wel met een wat lichtere benadering, waarin ook alledaagse onderwerpen als het bakken van een ei en het afrekenen van boodschappen in de supermarkt aan bod komen. Hier zou ik nog meer op inzetten. In het titelloze gedicht zou ik ook proberen om nog concreter te formuleren. Het duurde bijvoorbeeld best lang voor ik doorhad dat de ‘zij’ in de eerste strofe waarschijnlijk slaat op iets wat in een doosje met een doorzichtige deksel zit (aardbeien?). Ik denk dat dat ook kwam doordat ‘zij’ op verlossing wachten, dat vond ik te zwaar geformuleerd. Verwijst ‘het goud rolt naar beneden’ ook weer naar het doosje? Doordat je het eerst alleen over rood hebt, wat je overigens mooi laat terugkomen, kon ik dat ook niet zo goed plaatsen.
Het gedicht ‘Storm’ vind ik van de drie gedichten het minst concreet. Het klinkt hier en daar nogal verheven (door formuleringen als ‘de krochten van mijn ziel’) en de vrij filosofische bespiegelingen over het iets en het niets lijken de lezer op afstand te houden. Het gedicht gaat over wat zich afspeelt in het hoofd van de ik-figuur en lijkt ook dicht bij de ik-figuur te blijven. Het is een hermetisch gedicht; het nodigt de lezer niet echt uit erbij betrokken te raken. Dat maakt het moeilijker om de aandacht te trekken van de lezer en hem/haar te raken.
Je gebruikt weinig hoofdletters en leestekens in je gedichten. Een nadeel hiervan kan zijn dat het voor de lezer niet duidelijk is waar je zinnen beginnen en eindigen, of dat hij moet ‘puzzelen’ om daarachter te komen. Dat is altijd jammer, want dat kost aandacht die niet aan de inhoud van je gedicht kan worden besteed. Het verwarrende vond ik vooral dat je ‘Ei’ en het titelloze gedicht met een hoofdletter begint en met een punt laat eindigen, alsof deze gedichten uit een lange zin bestaan. In ‘Storm’ gebruik je wat meer hoofdletters en punten, daar lijkt iedere strofe uit een zin te bestaan. Als ik de gedichten lees, krijg ik echter de indruk dat ze uit veel meer verschillende zinnen bestaan dan je door middel van hoofdletters en punten hebt aangegeven. Ik denk dat je twee opties hebt: meer leestekens gebruiken, of juist helemaal geen leestekens gebruiken.

Je zou ook nog eens kunnen kijken naar je regelafbrekingen. Die vond ik niet zo ‘interessant’. In het titelloze gedicht valt het nog mee, maar in ‘Storm’ en ‘Ei’ begin je ieder zinsdeel op een nieuwe regel. Door middel van regelafbrekingen kun je verrassen en extra betekenis toevoegen aan de inhoud van je gedicht, maar op deze manier hebben de regelafbrekingen niet echt meerwaarde, vind ik. De regels zijn ook nog eens vrij kort, en dat heeft gevolgen voor het ritme van je gedichten. Het klinkt allemaal vrij staccato.

Het viel me ten slotte ook op dat je nog een beetje rond dezelfde beelden blijft cirkelen in je gedichten. De zon en de lucht komen bijvoorbeeld in meerdere gedichten aan bod, en dan dus het leven en het bestaan. Niet vreemd voor een beginnende dichter, maar misschien kun je ook eens proberen om over iets héél anders te schrijven. Je hebt al een beginnetje gemaakt met het ei en de caissière. Ik ben benieuwd wat eruit komt als je jezelf zou verbieden om woorden als ‘leven’, ‘bestaan’, ‘zon’ en ‘lucht’ te gebruiken in een gedicht. Volgens mij zou je dan bijna als vanzelf komen tot originelere beelden, en daarmee tot interessantere gedichten.

Levensverhaal (6)

Ik probeerde me te herstellen en vroeg hoe ze zich voelde. Een vraag die de meeste mensen uit automatisme, nonchalant, stellen en verwachten dat het antwoord al te kennen. Het zal positief zijn. Een negatief antwoord brengt mensen uit balans. Die diepe emoties willen we niet van elkaar weten, niet dragen. Ze keek me aan met haar lichtblauwe ogen en zei dat ze moe was. ‘Lieverd i am tired. My time has come’. De laatste jaren sprak ze op onverwachtse momenten opeens Engels. Steeds meer moeite had ze met, op het oor, eenvoudige woorden. Maar in het Engels kwamen de woorden vloeiend over haar lippen. Als we gingen winkelen wilde ze altijd bij Vroom en Dreesman, niet V&D, want afkortingen vond ze ronduit verloedering van de taal, een kopje koffie drinken en in het Engels gesprekken voeren over het oude volk dat daar ook zat. Roddelen vond ze ordinair, maar het uitgebreid bespreken van generatiegenoten was voor haar een noodzakelijk gebeuren. Niet dat ze mensen van haar leeftijd als generatiegenoten zag, want zij was anders. Overduidelijk kon zij niet leven met haar leeftijd. Ze bleef jong van geest en tot in de puntjes verzorgd gekleed. Menig generatiegenoot kwam over de Britse tong en werd verweten niet meer verzorgd door het leven te gaan. Zolang de buitenkant er goed uitziet is alles ook goed, was een van haar motto’s. Hoe zwart het binnenste ook kan zijn, laat dat nooit aan de buitenwereld zien. En, die gesprekken voerde ze bij voorkeur in het Engels zodat de anderen niet mee konden luisteren.

Na een tijdje werden de gesprekken minder, de uitjes stopten en het gebruik van de Engelse taal nam toe. Langzaam begon ik te beseffen dat ze terugkeerde naar het begin.

Levensverhaal (5)

Nog een stukje van het Levensverhaal en dan ben ik tijdelijk afwezig. Ik heb besloten dat ik mijn belofte aan mezelf niet breek door tijdelijk niet te publiceren op deze blog, want schrijven doe ik toch wel elke dag. Ik ga nieuwe inspiratie opdoen en zien wat daar uit voortkomt.

Deel 5 Levensverhaal

Ik zat naast haar bed. Haar ogen waren gesloten. Het mondkapje gaf een surrealistisch beeld aan het geheel. Ze leek een beetje op een buitenaards wezen. De groeven in haar gezicht waren dieper geworden. Een onherbergzaam landschap dat barre tijden verried. Haar leven was een aaneenschakeling van drama’s geweest die ze altijd luchtig en vol humor bracht. Maar die groeven symboliseerden de pijn en het verdriet. Ik sloot mijn ogen en herinneringen flitsen met grote kracht door mijn hoofd. De een na de ander in een razend tempo. Ik zie haar in haar auto op me wachten als ze me kwam ophalen van thuis, eens in de twee of drie weken. Haar zoon stond voor de deur en daarachter stond ik met mijn weekendtas. Altijd was er die spanning. Altijd dat moment dat de deurbel ging en de overdracht zonder woorden, zonder aanraking plaatsvond. Ik liep dan met bonzend hart naar de auto waar zij zat. Ik ruik nu haar geur. Die vertrouwde parfum die ze altijd droeg, hing in de auto als een warme deken. Ik ging op de achterbank zitten en sloeg de deken om me heen. Pas na een aantal minuten kon ik mijn blijdschap uiten. Buiten het zicht van die ander, de gekwetste of beter gezegd, de gekwelde.

Dan springen mijn gedachten met een rotgang naar jaren verder. Ik zit op een stoel bij het raam. Voor me staat een beuken ovalen salontafel, eentje die met de nodige boenwas glimmend en trots in de kamer staat. Die tafel was mooi, maar daar keek ik niet naar. Er stond een handgeblazen glazen schaaltje op tafel dat mijn aandacht trok. In dat schaaltje lagen de mooiste schatten die ik ooit zag. Edelstenen van verschillend formaat en kleur. Mooie lapis lazuli, rozenkwarts, amethist en de zwarte mysterieuze onyx. Gefascineerd was ik door die stenen. Ze hadden magische krachten, kwamen uit Zuid-Afrika en mochten nooit aangeraakt worden, waardoor ze telkens aan magie wonnen. Ik vond haar net een tovenaar, een heks misschien. Wat deed ze toch met die stenen?

Ze opende opeens haar ogen, kwam overeind en keek me indringend aan. Ze moest geschrokken zijn van mijn blik want het eerste dat ze zei was: ‘ik ben nog niet dood’. De eeuwige ijsbreker. Ze was zo charmant en kon, hoe moeilijk en ongemakkelijk een situatie ook was, altijd het ijs breken. Soms subtiel, soms geforceerd, maar daarna voelde iedereen zich altijd beter. Haar humor was onovertroffen en met die, van nature aanwezige, charme veroverde ze elk mens. Ze was ook een flirt. Zelfs op de eerste hulp kreeg ze het nog voor elkaar om een dokters assistent van circa vijftig jaar jonger aan het blozen te krijgen. Ik moest lachen: ‘natuurlijk ben je niet dood en dat moet je ook nog maar een tijdje uitstellen. Je laat me toch niet alleen?’ Zodra ik de vraag stelde besefte ik hoe egoïstisch deze klonk. Ik bepaalde toch niet haar moment van sterven. Het was haar moment, haar lijf en haar leven. Het was egoïstisch om me aan haar vast te klampen, maar ik voelde dat ik nog zo veel van haar kon leren en dat ik haar nodig had. Zeker nu. De tijd dat we samen zijn geweest was zoveel korter dan de tijd dat we uit elkaar waren. Uit elkaar door boosheid, verwijten, onbegrip. De schuldvraag was niet relevant, maar de pijn bleef. En nu, nu we elkaar weer gevonden hadden ging ze me verlaten. Dit verlaten zou definitief zijn. Hierna kon ik haar niet meer zoeken, vinden, bevragen en bewonderen. Dan was het voorbij.

Levensverhaal (4)

Vrijdagochtend

Vanochtend bezocht ik haar, niet wetende dat het dus de laatste keer zou zijn. Ze lag in een privé kamer van het Gasthuis. Die misleidende naam. Bij een Gasthuis denk ik toch eerst aan gezelligheid, gastvrijheid en roept de associatie vakantie bij me op. Dit was gewoon een ziekenhuis waar je dus ook dood kan gaan, mooi verpakt in de naam Gasthuis. De weg er naar toe was niet bijzonder te noemen. Zoals altijd reden we met de zon in onze rug weg en kwamen we in de grauwe grijze stad aan. Echt typisch weer om een ziek iemand te bezoeken. Ik had haar kamernummer gekregen van mijn zus, maar kon de kamer na een tijdje zoeken niet vinden. De dienstdoende verpleegkundige wees me naar de juiste kamer, ik keek naar binnen en raakte gefrustreerd. Ik had toch duidelijk gezegd dat ik voor mevrouw Van Weely kwam en de persoon die in dat bed lag was dat dus niet. Maar toen keek ik nog eens en schrok. Ze was het wel. Ze had een zuurstofmasker op en ademde  zwaar. De ogen waren gesloten en de haren waren vet en plakten om haar gezicht. Alle kracht was uit haar lijf verdwenen. Geen spoor meer te bekennen van die sjieke oudere dame die nooit zonder lippenstift, parfum en een goed gekapt kapsel de deur uit ging. De kamer waar ze in verbleef zag er net zo troosteloos uit als haar aanblik. Witte muren, een piepklein raam dat niet open kon en overal apparaten die op haar lichaam aangesloten waren en een kakafonie aan geluid produceerden. Aan de muur aan haar voeteneinde hing een poster van een tropisch eiland. Een verkleurde poster met een palmboom, een strand en wat ooit een azuurblauwe zee moest zijn geweest. Niet een plaats waar je in dit stadium in je leven naar toe wilt. Of misschien toch wel. Misschien probeerde het Gasthuis op deze wijze de mensen een aanblik op de hemel te geven, althans hun interpretatie van de hemel dan. Zij is gelovig en gekluisterd aan dit bed fantaseert zij vast over het hiernamaals. We hadden niet vaak gesprekken over het geloof. Ik vond het lastig. Vooral omdat ik, als hij/zij/het bestaat, boos ben op die God. Zij was nooit boos op God. Ook niet nadat hij van haar een stuk van haar lichaam afnam en nog erger, toen hij haar zoon bruut wegrukte. Maar die poster daar weet ik zeker van dat dit niet haar verbeelding van het hiernamaals was. Mijn cynische ik, die vaak langs komt, riep keihard in mijn hoofd dat het Gasthuis deze troosteloze aanblik gebruikt om te zorgen dat mensen gewoonweg snel willen vertrekken. Alles beter dan deze omgeving.

Opdracht 2: gedicht

Opdracht 2 online schrijfcursus.
Schrijf een gedicht over/in de supermarkt.
Denk aan: beeld, klank, ritme.

Supermarkt

Blozend kijkt ze me aan
haar rode kleur past bij de
inhoud van de doos in haar handen
doorzichtig achter het raam
wachten zij daar op verlossing
roerend zonder suiker puur genot

Lieve is haar naam
dat valt nog maar te bezien
alles gaat door haar handen
ritmisch als tromgeroffel, veegt ze alles
over de glanzende metalen plaat
alsof ze de straat boent na de storm

schel geluid vult de ruimte
vragenvuur geeft me onbehagen
bonnetje, zegeltjes, spaaracties?
blauwe ogen kijken op
antwoorden blijven steken, hangen in de
ruimte als een mug zoemend rond mijn hoofd

de kou grijpt me bij mijn nek
mijn huid tintelt, krimpt ineen
Lieve veegt alles in de hoek
het goud rol naar beneden, botst tegen
wanden die ze voor het eerst ontmoet
en vertrekt gedeukt maar o zo zoet de ruimte

het klamme plastic vult zich
staat bol en herbergt de noodzaak
voor het bestaan en meer
zonder lucht geen adem
zonder rood geen genot
zonder inhoud geen bestaan.

Levensverhaal (3)

Vrijdagavond

Zij gaat sterven en ik ben er niet bij. Ze ligt daar in haar bed met de witte lakens om haar lijf gedrapeerd. Om haar bed staan haar kinderen, kleinkinderen en ontvangt ze de laatste sacramenten en ik ben er niet bij. Haar dochter huilt zonder te stoppen en voor de buitenstaander hartverscheurend. Haar oudste zoon staat met de hem bekende grimas aan het voeteneinde te kijken naar haar en probeert met een of andere slechte grap, waar vaak veel alcohol in voorkomt, de ijzige koelte in de ruimte te breken. De jongste zoon, de meest verantwoordelijke van het stel, is druk bezig met alles te regelen en iedereen in de gaten te houden zodat hij hier een zakdoek kan toeschuiven en daar een arm kan bieden. De kleinkinderen staan er tussen of hangen in het raamkozijn. De een diep onder de indruk van het hele gebeuren, de ander bezig met het liken van allerlei onzin op Facebook. En ik, ik ben er niet bij.

Met gesloten ogen luistert ze naar de woorden van afscheid. Ze worden gefluisterd alsof met harde stem praten een stilte, een sereniteit, wordt doorbroken. Naar dit moment heeft ze al een tijd toegeleefd. De reacties zijn voorzien, maar toch doet het haar goed dat er gerouwd wordt. Ze was toch immers hun moeder die altijd voor hun klaar stond. Die altijd naar alle verhalen, soms met geveinsde interesse, maar toch, heeft geluisterd. Die hun monden gevoed heeft, die hun kleren gewassen heeft, die hun zorgen gedeeld heeft. Een lang leven van wegcijferen en klaar staan voor iedereen. Vaak uit liefde, maar soms ook uit plichtsbesef.

Ik lig in bed en krijg via de telefoon een verslag van mijn zus. De bijeenkomst is mooi en er zijn woorden gesproken. Ik wil het niet horen. Ik kan er niet tegen en huil. Het enige dat ik kan doen is mijn buik vastpakken en onbedaarlijk snikken. Mijn man moet thuis komen om me te bedaren. Mijn ogen zijn rood, prikken en het snot zit op mijn slaapshirt. Uiteindelijk val ik rusteloos in slaap.