Opgerold aan het voeteneinde
twee in elkaar gestrengelde
bollen zacht pluisend haar
zacht gesnurk ontsnapt
buiten raast de wind
de kou grijpt wild om zich heen
het deert ons niet
wij rollen nog eens om
en snurken zacht.
Opgerold aan het voeteneinde
twee in elkaar gestrengelde
bollen zacht pluisend haar
zacht gesnurk ontsnapt
buiten raast de wind
de kou grijpt wild om zich heen
het deert ons niet
wij rollen nog eens om
en snurken zacht.
Momenteel word ik nog steeds gezelschap gehouden door de griep. De kinderen ontvangen dezelfde eer. Het is trouwens echt onbetrouwbaar gezelschap. De griep geeft aan te vertrekken, de vlaggen gaan uit en dan keert hij zich ’s nachts als een dief weer terug en nestelt zich aan je voeteneind om je de volgende dag weer een bonkende hoofdpijn te bezorgen. Of de griep verklaart afscheid te hebben genomen van koorts en dan stop je -voor de zekerheid, je kan toch nooit weten- de thermometer weer in je oor, en jawel hoor…koorts.
Nu heeft de griep zich gestort op de kinderen en dat vind ik laf. Die kleine lichamen hebben er toch niet om gevraagd zo geplaagd te worden. Dus griep en ik voeren een stevig gesprek. Maar zo onbetrouwbaar als hij is, griep trekt zich er niets van aan. Geen enkele compassie.
Dus zit er niets anders op om de dag een beetje door te komen met elkaar, kinderen, griep en ik. Manlief werkt en haalt opgelucht adem als de dag weer voorbij is en iedereen koortsend en hoestend in haar bed ligt.
De Olympische Spelen zitten erop en een zwart gat nadert. Het lukt me niet om zware kost te lezen dus probeer ik mijn zinnen te verzetten door gedichten te lezen, een Jan Jans en de kinderen nog een keer te lezen en een boekje over “ontspullen” door te nemen. Gedichten zijn kunst en verrijken je leven. Jan Jans en de kinderen zijn humor op en top. Het lukt me aardig met dit leesvoer om de dag draaglijk te maken. Maar dan dat boekje over “ontspullen”. Wat een ongelooflijke bullshit (excuseer mijn taalgebruik) is dat zeg. Na het lezen van een paar pagina’s word ik boos. Wat een gezeur over spullen, over te veel spullen. Dat spullen stress geven, want je moet ze schoonhouden, opruimen, er iets mee doen. Dat veel spullen overbodig zijn. Dat het maken van spullen een aanslag op de wereld is, op het milieu, op alle grondstoffen. Dat laatste is trouwens een terecht punt, dus daar ziet mijn boosheid niet op. Nee, op dat (excuseer bij voorbaat) gejank van mensen in de westerse kapitalistische op ego gestuurde maatschappij. De maatschappij van meer, meer, meer. Als ik veel heb dan ben ik gelukkig. De snelle bevrediging van geluk door middel van het kopen van spullen, het liken van berichten en jezelf presenteren naar buiten toe als een rijk en vooral 24 uur per dag gelukkig mens. Wat een onzin en wat een oppervlakkigheid en treurnis. Helemaal treurig vind ik het dat de mens zo ver van zijn natuur is geraakt dat hij, maar vooral zij, een boek nodig heeft die voorschrijft minder te kopen.
Ik ben niet heilig. Ik heb ook spullen en houd ook van mooie spullen en goed leesvoer. Maar daar zeur en klaag ik niet over. Als het een rotzooi is, ruim ik op. Als ik genoeg heb van de zooi om me heen dan gooi ik wat weg, geef ik wat weg of ruil wat. Maar wat het belangrijkste is: ik meet mijn geluk niet af aan de hoeveelheid spullen die ik heb en laat de spullen mijn leven niet dicteren. Mijn geluk is op het moment met griep op de bank samen met de kinderen een film kijken of knuffelen. Geluk zit in gevoel en niet in spullen. Misschien moet ik daar eens een boek over schrijven.
Het hebben van griep is ronduit belabberd. Ik heb van allerlei aanvallen: koorts, hoest en hoofdpijn. Daarnaast ben ik labiel. Jank om alles en vooral om mijn eigen misère. Ik vind mezelf echt zielig.
Manlief helpt fantastisch. Maakt een sinasappeltje voor me klaar, zet een kopje thee, houdt de kinderen uit mijn buurt en legt een nat doekje op mijn voorhoofd. Daar heb ik wat aan.
Wat niet helpt en waardoor ik naast al die aanvallen er nog eentje bij krijg is de opmerking van mijn moeder ” tja, het heerst hè. Er zijn zo veel mensen ziek.” Daar kan ik dus niet tegen. Wat heb ik er aan te weten dat het heerst. Dat lees ik zelf ook wel in de krant. Is dan die koorts en knallende koppijn opeens minder erg? Neeeeee.
Ik merk dat mensen er niet tegen kunnen als je een ander antwoord op een vraag geeft dan ze zelf hadden bedacht.
Moeder: gaat het al beter?
Ik: nee, alleen maar slechter.
Stilte.
Stilte.
Stilte.
Moeder: tja, het heerst hè.
Ik: daar kan ik niets mee.
Stilte.
Stilte.
Stilte.
Het is prettig als je gezien wordt. In welke situatie dan ook. Het gaat om de verbinding met die ander. Gehoord worden. Wat helpt is luisteren, aai over de bol van de zieke en erkennen dat het ronduit klote is hoe je je nu voelt. Geen oplossingen aanbieden, niet afzwakken. Gewoon erkennen. Dat scheelt alweer 1 aanval.

Als ik toch een een dichter was
dan zou ik een gedicht schrijven
over de gouden strepen in je haar
de waterblauwe ogen
die me vragend aankijken
of ik Hebbes wil spelen
Mens-erger-je-niet of
Ganzenbord
dan zou je roepen
dat ik in de put moet raken
of dood moet gaan.
Ik zou in een gedicht willen vangen
het geluid van het snot dat je
telkens weer in je neus ophaalt
de geur van je fris gewassen lichaam
verpakt in een zachtroze hemdje
kleine ronde billen die wiegen op muziek
maar ook zo kunnen stinken
als ze tijdens een schaterlach
ontspannen van plezier
je blik in je ogen als je
scoort met de binnenkant van je rechtervoet.
Hoe kan ik de woorden vinden
die een gedicht moeten worden
over de tranen die jij onbedaarlijk
over je wangen laat glijden bij pijn
en onrecht dat je wordt aangedaan
de bulderende lach die uit je mond
stroomt en je wangen laat gloeien
de tomeloze energie die je
laat huppelen als een lam in de wei
was ik maar een dichter dan
dichtte ik de hele dag jou bij me.
Als iets er niet is
is niets er dan altijd?
De leegte vult mijn maag
gedachten gaan op reis
naar afgelegen gebieden
waar witte zandstranden
trots paraderen met
hun schoonheid
zich laten kussen
door het koele water
Dan pakken ze
het vliegtuig zwevend
door de hoge wolken
flarden mistvlagen in
mijn ogen en ik zie
niet wat er niet meer is
ontken ik dan wat er
wel is
Verward staar ik
naar de zwarte doos
voor me, troost biedend
berustend, twijfelend
angstig, bozig, leeg
geen wit zandstrand
te bekennen, alleen maar water
zorg dat ik niet verdrink
Languitgerekt gestrekt
blik naar binnen gekeerd
zacht gesnor, gesmak
of gesnurk
Maakt niet uit
de les is overduidelijk
overgave is het antwoord
nu ik nog
Ik zie gezichten
zonder lichamen
de herinnering
maakt alles zachter
lichter, met een gouden
randje
Ik kijk naar jou
en denk aan alles
wat er was
en vraag me af
wat daarvan over is
Ik hoor de woorden
zie je lippen bewegen
het gaat over wat nu
en hoe niet
Ik voel de warmte
zie al die gezichten
en raak verward
In welk gouden randje
brandt er nog
Licht
vraag me niet
kijk toch weg
gooi je blik in de hoek
welke antwoorden
worden verwacht
elk woord mist
aan kracht
vanbinnen weet ik
het zeker
vanbuiten weet ik
niets anders dan
wat ik voel
maar vraag me niet